Vroeger waren filantropen adellijke elites en godvrezende industriëlen die overtollig geld lokaal wegschonken zonder er verder naar om te kijken. Nu zijn er de 'nieuwe filantropen': rijk geworden individuen (vaak ex-ondernemers) die hun vermogen liever zelf beheren, op veel grotere - soms mondiale - schaal weggeven en er persoonlijk op toezien dat er maatschappelijk rendement mee wordt gehaald. FNV-voorzitter Lodewijk de Waal is voor een 'kleptocratentax', maar DNW vraagt zich af of het niet beter is om de rijken juist aan te spreken op hun sociale verantwoordelijkheden.
Nederland is welvarender dan ooit; in de afgelopen zeven jaar werden 'we' gemiddeld 25% rijker. Maar de verschillen tussen rijk en arm worden ook in ons land groter. Inmiddels zit zo'n zestig procent van de vermogens in Nederland bij de rijkste tien procent van de huishoudens. Met terugtredende overheden, een sluimerende recessie, en problemen op terreinen als zorg en onderwijs kon filantropisch privé-kapitaal ook in Nederland nog wel eens onontbeerlijk worden. De maatschappelijke bijdrage van particulieren en bedrijven, in de vorm van sponsoring en giften, bedroeg in ons land in 1999 bijna tien miljard gulden. Een verdubbeling ten opzichte van 1995. Volgens professor Schuyt, hoogleraar filantropie, staan we in dit opzicht pas aan het begin van een ontwikkeling, waarin de filantropische sector in de komende jaren een steeds grotere stempel op de samenleving gaat drukken. Met name de welvaart die de generatie 'babyboomers' in de afgelopen decennia heeft vergaard, zo is de verwachting, zal de komende jaren nog wel eens een hele grote rol kunnen gaan spelen.
DNW vraagt zich af of de mentaliteit ten aanzien van liefdadigheid in Nederland aan het veranderen is. Was 'geven in Nederland' vroeger iets wat 'achter de schermen' en veelal anoniem gebeurde, het lijkt erop dat er meer openheid komt over het 'geven' en over de maatschappelijke betrokkenheid van de 'gevers'. In navolging van Amerika zien we in Nederland voorbeelden van rijken die uit de 'ratrace' van het zakenleven stappen om hun tijd en geld in te zetten voor doelen die zij van belang achten.
Professor Schuyt ziet positieve gevolgen in deze ontwikkeling, maar waarschuwt ook voor de gevaren ervan. De Amerikaanse samenleving zou nu al bijna niet meer kunnen functioneren zonder privaat-filantropisch geld, en veel rijken proberen steeds nadrukkelijker hun politieke idealen te koppelen aan filantropische activiteiten. Het gevaar van een 'charitocratie' ligt dan op de loer, een samenleving waarin niet de overheid, maar vooral de rijksten van het land bepalen aan welke sectoren het meeste geld wordt besteedt en daardoor indirect gaan ‘regeren door doneren’.