Ergens in Swindon, een typische smalltown in Engeland. Een waterig zonnetje, een aangenaam rijtjeshuis. De deur gaat open en vanachter een Lennon-bril kijken mij twee guitige ogen aan. Even stil. ‘Je ziet er erg Hollands uit, je bent geslaagd voor de test, kom binnen’. Andy Partridge. Songwriter. Samen met Colin Moulding het hart van XTC, de band die de laatste tijd weer sterk in de belangstelling staat omdat de nieuwste generatie ze als voorbeeld noemt. Een gesprek over dat wat hij het beste kan. Een wondermooi liedje schrijven.
'Een liedje het begint met verwondering. Je staat in de supermarkt, kijkt naar de bevroren boontjes, of zal ik dit brood kopen of dat, en dan plotseling; dit brood, dat brood, dit brood, dat brood. Boemtja, boemtja en bam, plotseling komt er een liedje! Dan moet ik snel naar huis lopen en het liedje voor mezelf zingen. Andere liedjes kwamen terwijl ik de hond uitliet. Humble Daisy bijvoorbeeld van Nonsuch. Ik liep met mijn hond buiten en was stomverbaasd dat de daisys binnen één nacht waren opgekomen. En ik dacht, ach wat een mooi klein bloempje. Weer een liedje. Eigenlijk kan ik niet zeggen waar liedjes vandaan komen. Het verbaasd me steeds weer. Ik denk dat je hoofd leeg moet zijn. En als je dan in het niets bent, dan komt er een engel en die fluistert in je oor; hey, probeer dit. Maar fluisterende engelen is niet zo moeilijk.
Daarna begint het harde werk. Het is als een toneelstuk, waarbij je maar enkele regels krijgt, vervolgens moet jij het stuk schrijven. Liedjes zijn kleine toneelstukken. De muziek is het decor, de tekst is wat de acteurs zeggen. Eigenlijk is het een klein mysterie, wat zeg ik, een bloody big mystery. De engelen laten je achter met enkele ideeen, en soms werken ze niet. Soms doet het jaren. Tien jaar was geloof ik het langst. Easter Theatre van Apple Venus. Het refrein had ik al tien jaar, als een sleutel, maar ik kon maar geen slot vinden. Kijk, vaak leg ik mijn vingers als een soort spastische knoop op de gitaarsnaren. En als het geluid me bevalt, gebruik ik het. Voor Easter Theatre had ik een akkoord, een soort moddergeluid. En toen ik één noot veranderde, was het net alsof er iets uit deze modder kwam. Nog een akkoord erbij, het geheel omhoog, en wacht eens even. Iets komt uit de grond. Wat komt er uit de grond? Aha, bloemen! Wanneer gebeurt dat? Rond Pasen! Daar was het. Easter Theatre. Net alsof je een deur opent, waarvan je niet eens wist dat die er was. Twee plus twee is soms duizend. Want op een gegeven moment zat ik vast, en daar was het stuk van tien jaar geleden. Het klopte, de wolken gingen open, de zon scheen volop. Mijn tip; gooi dus nooit een liedje weg.
Waarom ik er zo trots op ben? Omdat ik eindelijk afscheid nam van mijn muzikale helden. Ik moest Lennon en McCartney achter mij laten en Brian Wilson en Ray Davies. Ik denk werkelijk dat Easter Theatre zo goed is als Strawberry Fields Forever of Surf's Up of Autumn Almanac. Ziekelijk, ik weet het, maar misschien waar.
'Een liedje is goed als ik wens dat ik het zelf had geschreven. Of het nu van een ander is, of van jezelf. Een liedje moet alle haren rechtop laten staan, het moet je bang en blij tegelijk maken. Dit klinkt belachelijk, maar sommige liedjes die ik schreef, daar moest ik om huilen. Wauw! Waarom kreeg uitgerekend ik dit liedje! Waarom fluisterden ze dat niet in het oor van Elvis Costello of David Bowie, maar in mijn oor? Ik vergeet trouwens mijn liedjes vijf minuten nadat de opname klaar is. Er is dan geen
enkele reden om ze te onthouden. Ruimte maken voor nieuwe!
Terugluisteren naar oude liedjes kan ik nauwelijks. Het vroege werk is verschrikkelijk. Zonder uitzondering. Het beste wat je er nog over kunt zeggen dat het een jeugdige arrogantie en energie heeft, maar het is beschamend. Ik laadde een geweer, vol met rommel, alleen maar om de kick van het knallen. Het is als een klungelige teenager die op een feestje komt. Kijk, ik ben er! Het feestje kan beginnen! Daarna gooit hij de asbak om en een plant. En je ziet de mensen denken, mijn god, wie heeft hem uitgenodigd. Van die liedjes dus. Vol energie, die ik nu trouwens niet meer heb. Nu is het cynisme of een soort wijsheid of wat daar voor doorgaat. Toen vond ik het trouwens wel goed wat ik schreef. Je moet wel, anders kun je maar beter meteen glazenwasser worden.
Maar is het dan niet vreemd dat veel hedendaagse bands teruggrijpen op het geluid van XTC toen, de grote knallen?
'Ja, waarschijnlijk de leeftijd. De meeste jonge bands weten niet hoe een liedje te schrijven. Dus grijpen ze alles wat ze kunnen krijgen, stoppen het in het geweer en knal! Bands van nu moeten daar doorheen. Als een meubelmaker. Op dag 1 is je stoel waarschijnlijk nog niet zo goed. Als je er op gaat zitten... Maar op dag 1000 loop je kans dat je een fraaie stoel hebt. Onze vroege liedjes zijn als niet-geslaagde stoelen.
En Colin Moulding? Zijn XTC-wederhelft? 'We werken nooit samen aan een liedje. Het werkt het best als er competitie is. Twee banketbakkers in dezelfde straat. De één verkoopt heerlijke koekjes, dus de ander maakt ze nog lekkerder. De eerste gaat brood verkopen, de ander ook, maar lekkerder of goedkoper. Colin en ik zijn concurrerende banketbakkers. Ik begrijp weinig van hem, hij begrijpt weinig van mij. Ik ken Colin al sinds 1972. Ik zag hem toen rondhangen in de stad. Meestal met alcoholisten op een bankje, drinkend van grote flessen cider. En ik dacht: wat doet die jongen met dat lange haar tussen die oude mannetjes? Later leerde ik hem kennen, hij speelde bas, zijn vriend drums. Ik speelde gitaar. We hadden elkaar nodig om een band te beginnen. En zo is het eigenlijk nog steeds. We zitten vast aan elkaar, als een huwelijk. We zijn niet echt vrienden, we kennen elkaar niet echt goed. Maar het werkt. Soms wil ik met hem trouwen, soms wil ik hem vermoorden.
Apple Venus
Ik dacht dat deze plaat nooit gemaakt zou worden. We waren aan het staken, weigerden nog muziek op te nemen voor Virgin, totdat we een normaal inkomen zouden krijgen. We verdienden nooit geld, terwijl we wereldwijd miljoenen platen verkochten. De staking duurde vijf moeilijke jaren. Mijn huwelijk eindigde, ik had problemen met mijn gezondheid. Onderwijl verzamelden we songs, waarvan ik het idee had die komen nooit meer uit, terwijl het tot het beste behoort dat we ooit schreven. Harvest Festival, Last Balloon, River of Orchids, Easter Theatre, man wat was ik trots op die songs, en tegelijkertijd zo gefrustreerd, dit komt nooit uit. Eindelijk liet Virgin ons gaan en kwam er toch weer een aardige idioot met wat geld en konden we opnemen. Makkelijk ging het niet, veel persoonlijke spanningen, maar toch, het is onze beste plaat. Ik denk zelfs dat Wasp Star een stap terug is, maar misschien is dat wel de wijze waarop de natuur laat weten; hey, Andy, stoppen.
Met iedere plaat heb ik ernaar gestreefd om beter te worden. Apple Venus kan ik niet overtreffen. Misschien moet ik iets geheel anders gaan doen. Komt toch weer dat glazenwassen om de hoek kijken. Nee, iets anders. Andere muziek, andere invalshoek. Misschien moet ik wel eerst veel kapotgooien, om met iets nieuws te beginnen. Dus wie weet, zijn dit de Jaren Van Het Grote Kapot Gooien. Nu ik erover nadenk, voel ik steeds meer voor het vak van glazenwasser.'
Zijn glimlach spreekt boekdelen. Andy Partridge wordt voor 2020 geen glazenwasser. Hij is nu bezig met een jazzplaat die verschijnt op zijn eigen platenlabel. Daarnaast schrijft en produceert hij met en voor anderen, waaronder de nieuwe CD van Robyn Hitchcock. Aan het eind van de middag zitten we in 'Shabbey Road', zijn eigen kleine studio achter in de tuin. Vol enthousiasme laat hij drie nieuwe liedjes horen. 'Wat vind je?' Dat hij nog steeds het vak beheerst van het wondermooie liedje.
Samenstelling en presentatie: Frank de Munnik