|
Martin Reints
gedichten met 'stilte' als thema
In verband met de uitzending 'Stilte' een aantal gedichten van de hand van Martin Reints waarin het om de stilte gaat. Ook een stukje proza waarin Reints het lawaai op de Prinsengracht beschrijft dat hij is ontvlucht door in Friesland te gaan wonen.
Voorbijgang Ik was gaan liggen in mijn kamer omdat ik in mijn kamer was en kennelijk wilde liggen na een tijd gingen mijn ogen dicht en het lukte me de vreemde stemmen in mij met mijn eigen stem te overstemmen ik was me los gaan roepen van de voorwerpen en de nabootsingen van voorwerpen en de nabootsingen van nabootsingen om me heen die nog werden belaagd door voorbijgang maar die ik al niet meer zag nu ik ze niet meer kon zien toen gebeurde dat ik in mezelf mezelf tot zwijgen bracht er was geen traagheid van zinnen meer en niets weerstond nog de granietstilte van de sterrenhemel ik was niet meer ergens. --- Na de storm De gordijnen hingen, maar nu begon zijn geheugen te haperen en hij wist niet meer welk gebaar daarbij hoort de wind was gaan liggen en dichtbij hoorde hij een zwerm krekels maar uit de verte kwam daar een laag en oud gebrom doorheen het verspreidt en komt weer bijeen het gaat hierheen en het gaat weer weg de invulformulieren waren tot rust gekomen en lagen tussen en op de omgevallen archiefkasten maar er zat nog steeds beweging in dit woeste stilleven, leek het wel en zwijgend zocht hij een plaats om zelf tot rust te komen en tastte met zijn handen de vertrouwde voorwerpen af in hun ongebruikelijke ordening welke nabeelden voeren rond in dat hoofd van hem? en rolden over elkaar? en polijstten elkaar tot ze verdwenen? --- Gedicht voor Rudi De auto is een niet-roken-coupé geworden en het huis een niet-roken-afdeling en ook de tuin is niet-roken-gebied en de schuur die je studeerkamer is is een niet-roken-ruimte de uren van de dag zijn gewijd aan de bezigheid niet roken de hond ligt op de bank de bal ligt in de tuin de krant ligt op de tafel er komt een trein langs en het is weer stil en er komt een trein langs en het is weer stil en er komt een trein langs en het is weer stil. --- Hoogtepunt van het betoog Toen spreker stap voor stap, stap voor stap het hoogtepunt van zijn betoog had bereikt toen wat hij zo sprekend onder woorden bracht een samenvatting kon zijn van het voorafgaande maar ook de aanzet tot een vervolg, toen begaf hij zich op de rand van het zwijgen en met zijn handen op de lessenaar en een blik op het verste punt in de zaal luisterde hij naar de naklank van zijn laatste woorden althans: zijn voorlopig laatste woorden waarmee er een stilte viel in de stilte die er al was en in die stilte hoorde spreker de houtwormen in de planken waar zijn lessenaar nog op stond en het krakende draaien van onze aardbol en een soort roffelen van iets in de diepten van het heelal. --- Hofvijver bij avond Het water in de vijver weerspiegelt in golven het lamplicht waar de minister-president in zit en de oude maan en de wolken waar het sombere oranje in blijft hangen dat als een damp uit de hele omgeving komt het gesprek dat u en mij hier heeft gebracht valt stil en het verkeer om ons heen is aan het ruisen: een zwakke maar stage wind die door de bomen waait alsof we nog aan een meer in de duinen stonden: een slap applaus dat wordt weerkaatst door de coulissen alsof we nog naar de garderobe van een schouwburg gingen en in dit stille lawaai staren we, en proberen de dure armoe van de ministeries uit de achtergrond weg te denken. --- Zomergeluiden Wie de vergankelijkheid ontdekt, begint met het afscheid van zijn landschappen. Weilanden verdwijnen onder ontoegankelijke woonoorden, stadsranden worden volgeplant met kantoren, in het vlakke land van de polders worden golvende golfterreinen aangelegd, droogmakerijen worden onder water gezet en waar vroeger koren golfde staan nu teruggefokte oerossen te wennen aan hun bestaan in dit zorgeloze pretpark. Er zijn meer dingen die verdwijnen dan omgevingen. Hele vergeetwoordenboeken vol taal verdwijnen, talloze gebaren verdwijnen (wie steekt zijn duim nog wel eens omhoog, wie roept er nog schoft met zijn vuist?), geuren verdwijnen (waar is het hout, waar is de teer?), maar wat het meest ingrijpend van alles verdwijnt: de akoestiek van vroeger. Niet zeuren dat het vroeger beter was. Mooi dat we geen levertraan meer hoeven te drinken: vooruitgang. En er is een middeltje waarmee je de jeuk van een muggenbeet kunt bestrijden: ook vooruitgang. Maar wat zou ik graag nog eens de geluiden van vroeger horen, de diepte die er in die geluiden zat, de onmetelijke ruimte die je niet alleen hoorde als je een schelp bij je oor hield, maar ook gewoon, als je ergens liep of lag of zat. Twee straten ver hoorde je kinderen op conservenblikken lopen, uit een andere straat naderde de ijscoman met zijn VAmi, IJS met CHOcola en je hoorde een fietsbel of een tram - al die geluiden kon je van elkaar onderscheiden. Er was geen ruis, ook niet in de stad, er was alleen maar ruimte. Lang geleden, toen het nog niet gewoon was je vakantie in Vietnam, op Groenland of in het Caribische door te brengen, toen zelfs Egypte nog een ongebruikelijke vakantiebestemming was en alleen sommigen wel eens in Italië waren geweest, toen reisden wij iedere zomer naar Groote Keeten: een paar huizen, een paar boerderijen en een smid, tussen Callantsoog en Den Helder. Mijn vader op de brommer, mijn moeder, mijn zusje en mijn broer op een fiets, en ik achterop bij mijn vader. Die brommer, daarin zat de hele vooruitgang die we van de toekomst verwachtten. Het was een HMW, wat stond voor Het Motorisch Wonder. Soms haperde Het Motorisch Wonder. Dan pakte mijn vader uit het grijze rubberen kokertje achter het zadel de bougiesleutel, schroefde de bougie los, krabde die met een staalborstel schoon, blies er twee keer doorheen met de ongelofelijke kracht waarmee hij ook tussen zijn vingers kon fluiten, en daar bromden we weer verder. Langs Koog aan de Zaan, door Alkmaar, langs het Noordhollandsch Kanaal, Burgervlotbrug, Sint Maartensvlotbrug, op naar het jaarlijkse Groote Keeten. Voor mij begon de vakantie eigenlijk als we ergens ter hoogte van Uitgeest begonnen te zingen. De lucht was vervuld met de geur van de weilanden, je zag koeien en je zag boeren, de stad was zo ver achter ons dat we hem vergaten - en nu werd de vakantiestemming vaardig over ons en zongen we: 'Wat rookt de boer in z'n piep? Hooi! Hooi! Hooi!'. Dit lied van twee regels, die je eindeloos kon herhalen, markeerde het begin van de zomer. Wat het woord zomer bij je oproept, is bepaald door je eerste herinneringen aan de zomer, toen het woord nog nieuw voor je was. Wat je nu met het oud geworden woord aanduidt, bestond vroeger helemaal niet. De geluiden van Groote Keeten: de wind, de zee, het dialect van de mensen die daar woonden. De auto, ver weg nog, van de groenteboer. Een ijzeren schep die over de stenen van de strandweg wordt gesleept. Alarm tijdens het bramenplukken: de koddebeier! De regen en het onweer. Een haan en vijf kippen. Maar vooral: in de bijna onzichtbare verten boven zee het vriendelijke zoemen van een vliegtuigje. En dan plotseling een salvo van kanonschoten. Want dat vliegtuigje trok boven zee een soort ballon voort, waarop vanaf een oefenterrein in de duinen werd geschoten. Het woord zomer roept de weidse rust op waarin al deze geluiden helder tot hun recht kwamen, waarin je zelfs naar het zoemende vliegtuigje en het donderende afweergeschut kon luisteren alsof het muziek was. Ik kijk uit mijn raam en zie honderd mensen die met elkaar staan te praten. Iemand wil oversteken met een dienblad vol glazen, maar deinst terug voor een snel optrekkende taxi. Op de brug slaat iemand de deur van zijn fantasie-jeep dicht. In de wijde omtrek zijn trams, vrachtwagens en autobussen in bedrijf, de lucht hangt vol met straalvliegtuigen. Het is van alles, maar in de akoestiek van deze tijd hoor ik het als één ononderbroken ruis. De enige geluiden die erbovenuit vallen te onderscheiden zijn het uitgelaten geschreeuw van mensen op een bootje die willen worden opgemerkt, een takelwagen van Parkeerbeheer, de zeurderig opgewekte muziek van een op straat oefenende altsaxofonist en het onbestemde geknetter onder mijn raam van iets wat niet wil starten. En als ik heel goed luister, hoor ik mijn telefoon. Het heet zomer, maar het had ook oorlog kunnen heten, of kermis. Martin Reints
|
|