• vpro
Aflevering Nr. 25 
 
Louis Andriessen
componist
Dirk Sijmons
landschapsarchitect
Elly de Waard
dichter
Zeemansvrouwen
een film met geluid van Henny Vrienten en Lodewijk de Boer.
Louis Ferron
schrijver
Een gebarengedicht
Leendert Pot
Koptelefoondisco
De Stille Disco
Martin Reints
gedichten met 'stilte' als thema
Stilte
dinsdag 29 april 2003
terug naar de aflevering
Martin Reints
gedichten met 'stilte' als thema
In verband met de uitzending 'Stilte' een aantal gedichten van de hand van Martin Reints waarin het om de stilte gaat. Ook een stukje proza waarin Reints het lawaai op de Prinsengracht beschrijft dat hij is ontvlucht door in Friesland te gaan wonen.
Voorbijgang

Ik was gaan liggen in mijn kamer
omdat ik in mijn kamer was
en kennelijk wilde liggen

na een tijd gingen mijn ogen dicht
en het lukte me de vreemde stemmen in mij
met mijn eigen stem te overstemmen

ik was me los gaan roepen van de voorwerpen en
de nabootsingen van voorwerpen en de nabootsingen van
nabootsingen om me heen

die nog werden belaagd door voorbijgang
maar die ik al niet meer zag
nu ik ze niet meer kon zien

toen gebeurde dat ik in mezelf mezelf tot zwijgen bracht

er was geen traagheid van zinnen meer
en niets weerstond nog de granietstilte van de sterrenhemel

ik was niet meer ergens.

---

Na de storm

De gordijnen hingen, maar nu begon zijn geheugen te haperen
en hij wist niet meer welk gebaar daarbij hoort

de wind was gaan liggen
en dichtbij hoorde hij een zwerm krekels
maar uit de verte kwam daar een laag en oud gebrom doorheen

het verspreidt en komt weer bijeen
het gaat hierheen en het gaat weer weg

de invulformulieren waren tot rust gekomen
en lagen tussen en op de omgevallen archiefkasten
maar er zat nog steeds beweging in dit woeste stilleven,
leek het wel

en zwijgend zocht hij een plaats om zelf tot rust te komen
en tastte met zijn handen de vertrouwde voorwerpen af
in hun ongebruikelijke ordening

welke nabeelden voeren rond in dat hoofd van hem?
en rolden over elkaar? en polijstten elkaar
tot ze verdwenen?

---

Gedicht voor Rudi

De auto is een niet-roken-coupé geworden
en het huis een niet-roken-afdeling

en ook de tuin is niet-roken-gebied
en de schuur die je studeerkamer is
is een niet-roken-ruimte

de uren van de dag
zijn gewijd aan de bezigheid niet roken

de hond ligt op de bank
de bal ligt in de tuin
de krant ligt op de tafel

er komt een trein langs
en het is weer stil

en er komt een trein langs
en het is weer stil

en er komt een trein langs
en het is weer stil.

---

Hoogtepunt van het betoog

Toen spreker stap voor stap, stap
voor stap het hoogtepunt van zijn betoog
had bereikt

toen wat hij zo sprekend onder woorden bracht
een samenvatting kon zijn van het voorafgaande
maar ook de aanzet tot een vervolg, toen

begaf hij zich op de rand van het zwijgen

en met zijn handen op de lessenaar en
een blik op het verste punt in de zaal
luisterde hij naar de naklank van zijn laatste woorden

althans: zijn voorlopig laatste woorden

waarmee er een stilte viel in de stilte
die er al was

en in die stilte hoorde spreker de houtwormen
in de planken waar zijn lessenaar nog op stond

en het krakende draaien van onze aardbol

en een soort roffelen van iets
in de diepten van het heelal.

---

Hofvijver bij avond

Het water in de vijver weerspiegelt
in golven het lamplicht waar de minister-president in zit
en de oude maan

en de wolken waar het sombere oranje in blijft hangen
dat als een damp uit de hele omgeving komt

het gesprek dat u en mij hier heeft gebracht
valt stil
en het verkeer om ons heen is aan het ruisen:

een zwakke maar stage wind die door de bomen waait
alsof we nog aan een meer in de duinen stonden:

een slap applaus dat wordt weerkaatst door de coulissen
alsof we nog naar de garderobe van een schouwburg gingen

en in dit stille lawaai staren we, en proberen
de dure armoe van de ministeries uit de achtergrond
weg te denken.

---

Zomergeluiden

Wie de vergankelijkheid ontdekt, begint met het afscheid van zijn landschappen. Weilanden verdwijnen onder ontoegankelijke woonoorden, stadsranden worden volgeplant met kantoren, in het vlakke land van de polders worden golvende golfterreinen aangelegd, droogmakerijen worden onder water gezet en waar vroeger koren golfde staan nu teruggefokte oerossen te wennen aan hun bestaan in dit zorgeloze pretpark.

Er zijn meer dingen die verdwijnen dan omgevingen. Hele vergeetwoordenboeken vol taal verdwijnen, talloze gebaren verdwijnen (wie steekt zijn duim nog wel eens omhoog, wie roept er nog schoft met zijn vuist?), geuren verdwijnen (waar is het hout, waar is de teer?), maar wat het meest ingrijpend van alles verdwijnt: de akoestiek van vroeger.

Niet zeuren dat het vroeger beter was. Mooi dat we geen levertraan meer hoeven te drinken: vooruitgang. En er is een middeltje waarmee je de jeuk van een muggenbeet kunt bestrijden: ook vooruitgang. Maar wat zou ik graag nog eens de geluiden van vroeger horen, de diepte die er in die geluiden zat, de onmetelijke ruimte die je niet alleen hoorde als je een schelp bij je oor hield, maar ook gewoon, als je ergens liep of lag of zat. Twee straten ver hoorde je kinderen op conservenblikken lopen, uit een andere straat naderde de ijscoman met zijn VAmi, IJS met CHOcola en je hoorde een fietsbel of een tram - al die geluiden kon je van elkaar onderscheiden. Er was geen ruis, ook niet in de stad, er was alleen maar ruimte.

Lang geleden, toen het nog niet gewoon was je vakantie in Vietnam, op Groenland of in het Caribische door te brengen, toen zelfs Egypte nog een ongebruikelijke vakantiebestemming was en alleen sommigen wel eens in Italië waren geweest, toen reisden wij iedere zomer naar Groote Keeten: een paar huizen, een paar boerderijen en een smid, tussen Callantsoog en Den Helder. Mijn vader op de brommer, mijn moeder, mijn zusje en mijn broer op een fiets, en ik achterop bij mijn vader. Die brommer, daarin zat de hele vooruitgang die we van de toekomst verwachtten. Het was een HMW, wat stond voor Het Motorisch Wonder. Soms haperde Het Motorisch Wonder. Dan pakte mijn vader uit het grijze rubberen kokertje achter het zadel de bougiesleutel, schroefde de bougie los, krabde die met een staalborstel schoon, blies er twee keer doorheen met de ongelofelijke kracht waarmee hij ook tussen zijn vingers kon fluiten, en daar bromden we weer verder. Langs Koog aan de Zaan, door Alkmaar, langs het Noordhollandsch Kanaal, Burgervlotbrug, Sint Maartensvlotbrug, op naar het jaarlijkse Groote Keeten.

Voor mij begon de vakantie eigenlijk als we ergens ter hoogte van Uitgeest begonnen te zingen. De lucht was vervuld met de geur van de weilanden, je zag koeien en je zag boeren, de stad was zo ver achter ons dat we hem vergaten - en nu werd de vakantiestemming vaardig over ons en zongen we: 'Wat rookt de boer in z'n piep? Hooi! Hooi! Hooi!'. Dit lied van twee regels, die je eindeloos kon herhalen, markeerde het begin van de zomer.

Wat het woord zomer bij je oproept, is bepaald door je eerste herinneringen aan de zomer, toen het woord nog nieuw voor je was. Wat je nu met het oud geworden woord aanduidt, bestond vroeger helemaal niet.

De geluiden van Groote Keeten: de wind, de zee, het dialect van de mensen die daar woonden. De auto, ver weg nog, van de groenteboer. Een ijzeren schep die over de stenen van de strandweg wordt gesleept. Alarm tijdens het bramenplukken: de koddebeier! De regen en het onweer. Een haan en vijf kippen. Maar vooral: in de bijna onzichtbare verten boven zee het vriendelijke zoemen van een vliegtuigje. En dan plotseling een salvo van kanonschoten. Want dat vliegtuigje trok boven zee een soort ballon voort, waarop vanaf een oefenterrein in de duinen werd geschoten. Het woord zomer roept de weidse rust op waarin al deze geluiden helder tot hun recht kwamen, waarin je zelfs naar het zoemende vliegtuigje en het donderende afweergeschut kon luisteren alsof het muziek was.

Ik kijk uit mijn raam en zie honderd mensen die met elkaar staan te praten. Iemand wil oversteken met een dienblad vol glazen, maar deinst terug voor een snel optrekkende taxi. Op de brug slaat iemand de deur van zijn fantasie-jeep dicht. In de wijde omtrek zijn trams, vrachtwagens en autobussen in bedrijf, de lucht hangt vol met straalvliegtuigen. Het is van alles, maar in de akoestiek van deze tijd hoor ik het als één ononderbroken ruis. De enige geluiden die erbovenuit vallen te onderscheiden zijn het uitgelaten geschreeuw van mensen op een bootje die willen worden opgemerkt, een takelwagen van Parkeerbeheer, de zeurderig opgewekte muziek van een op straat oefenende altsaxofonist en het onbestemde geknetter onder mijn raam van iets wat niet wil starten. En als ik heel goed luister, hoor ik mijn telefoon. Het heet zomer, maar het had ook oorlog kunnen heten, of kermis.

Martin Reints