|
Jimmie Durham
Grootmeester van het kleine gebaar
Jimmie Durham loopt vanuit het museum de tuin in. Om zich heen kijkend, ontspannen, in zijn hand een plastic zak van een Franse Megamarkt. Zo’n slobberzakje, zo’n ding dat je gratis bij de kassa krijgt. Hij loopt naar een border, knielt en begint met een metalen hak de aarde tussen de planten en struiken los te werken. De aarde schept hij met zijn handen in de plastic zak. Een half uurtje eerder had hij plotseling tegen Marco, een Italiaanse fotograaf die hem een tijdje volgt voor een reportage, gezegd, “Ik ga zo even je haar knippen. Ik heb vanochtend al mijn eigen haar geknipt maar ik heb nog meer nodig”. Durham stelde de enigszins ongerust kijkende fotograaf op zijn gemak door hem te vertellen dat zijn vader vroeger zijn haar knipte en dat hij daarom een goede scholing heeft gehad. Met een kappersschaar, erfstuk van zijn vader en diens vader en diens vader, ontdeed Durham de Italiaan vervolgens op vaardige wijze van zijn overtollige haardos. Nu richt hij zich op tussen de struiken, een beetje zuchtend want zijn rug is niet zo goed meer op zijn 63ste, en loopt terug het museum in.
Het is een mooie voorjaarsdag in het MAC, het hedendaagse kunstmuseum van Marseille. Durham is er bezig een grote overzichtstentoonstelling in te richten die From the West Pacific to the East Atlantic heet en die op 11 oktober jongstleden in het Haagse GEM opende. Jimmie Durham. Cherokee, in 1940 geboren in Arkansas in de Verenigde Staten en sinds 1994 opnieuw woonachtig in Europa. Vandaar ook de namen van oceanen in de titel van zijn tentoonstelling: hij toont alleen werk dat in Europa is ontstaan. Politiek activist, performance kunstenaar, pamflettist, dichter, multidisciplinair kunstenaar. Was de afgelopen decennia op zo’n beetje elke Documenta en Biënnale aanwezig. Wordt vertegenwoordigd door galeries van internationale allure in Duitsland, Oostenrijk, Zweden, Frankrijk, België, Italië en Nederland. En blijft ondanks die overweldigende aandacht van de kunstwereld inhoudelijk een volstrekte outsider, “homeless”, zoals hij het zelf noemt, “as a participant – not as an exile, but as someone lost enough to participate”. Een vaderland heeft Durham niet, heeft hij ook nooit gehad omdat al het land van de Cherokees al voor zijn geboorte door blanke Amerikaanse kolonisten was gestolen. Op de vraag of hij ooit heeft overwogen in een Cherokee-reservaat te gaan wonen, antwoordde hij me jaren geleden: “Of course not. That would be the same as a Jew going to live in Dachau”. Durham is scherp en kritisch op een zachtsprekende, vriendelijke manier, heeft oog voor details in menselijk denken en handelen en heeft een consequente, gedraaide manier van kijken naar de samenleving en naar de kunst. Als we een afspraak maken voor een ontmoeting in Marseille zegt hij: “OK, We zien elkaar om zeven over half acht”. En vervolgens is hij er ook precies om zeven over half acht, want waarom moet alles precies op het kwartier of op het hele of halve uur? Die kwartslaggedraaide blik op de dingen is kenmerkend voor hem en hij draagt hem over zonder enig aplomb en zonder enige kijk-mij-eens-raar-doen houding. Durham is speelsdiepzinnig en diepzinnig-speels tegelijkertijd. Hij lijkt een representant van het Fluxus/happening-denken (zijn bijdrage aan de laatste Biënnale van Venetië heette Hommage á Robert Filliou) maar zijn maatschappijkritiek is vaak scherper, minder vrijblijvend, uit een diepere, persoonlijke noodzaak ontstaan. Het onderuithalen van gevestigde noties in de kunst zijn kenmerkend voor zijn werk, maar in het geval van Durham komt er, zijn geschiedenis beschouwend, nog een extra laag bij. Zijn etnische afkomst speelt een belangrijke rol in zijn werk, zeker waar het zijn gevoeligheid voor materialen, materiaalkeuze en maatschappijkritische stellingname betreft, maar Durham is boven alles een internationaal werkende, contemporaine kunstenaar. Illustrerend en schrijnend in dit geval is een voorval uit 1991. In de jaren zestig begon hij, afkomstig uit een familie van activisten, zich te roeren in de Civil Rights Movement – de brede beweging van minderheden die een rechtvaardige plek opeisten in de Amerikaanse samenleving. Hij uitte zijn engagement in performances, theater, geschriften en poëzie en zijn artistieke uitingen begonnen zo dus als een politieke daad. Hij verhuisde naar Zwitserland waar hij een opleiding als beeldhouwer volgde aan de École des Beaux-Arts van Genève die hij in 1972 afrondde. Direct daarna keerde hij naar de VS terug om de AIM (American Indian Movement) bij te staan bij de bezetting van Wounded Knee, een dorpje in South Dakota waar blanke kolonisten in de 19e eeuw een slachting onder de Indianen hadden gehouden. De bezetting van Wounded Knee was een categorisch nee van de Native Americans tegen de voortdurende landbezettingen en onteigeningen waarmee de Amerikaanse staat keer op keer een honderd jaar oud verdrag schond. Durham werd na de bloedige beëindiging van de Wounded Knee-bezetting benoemd tot hoofd van het International Indian Treaty Committee en kreeg in die hoedanigheid een kantoor in het Verenigde Naties gebouw in New York, naast –toen nog- landloze activisten als Yasser Arafat. Pas in de jaren 1981 pakte hij zijn artistieke activiteiten weer op, nadat hij, gedesillusioneerd door de voortdurende tegenwerking van de Amerikaanse overheid en corruptie bij de Indiaanse delegatie, met zijn directe politieke functie was gestopt. In 1991 werd hem verboden deel te nemen aan een tentoonstelling in Santa Fe en in San Francisco op basis van de Indian Arts and Crafts Act, die behelst dat het strafbaar is om producten te tonen of te verkopen die suggereren Native American te zijn, zonder een stempel van goedkeuring van de Amerikaanse staat. Bedoeld als bescherming van ‘inheemse producten’ van Amerikaanse Indianen, komt deze wet er dus in feite op neer dat de Amerikaanse overheid zijn goedkeuring aan “Indiaansheid” moet geven. En die mengeling van paternalisme en kolonialisme ging Durham te ver. Hij weigerde zijn bewijs van inheemsheid en stempel van goedkeuring aan te vragen met de redenering “I am Cherokee, but my work is simply contemporary art and not ‘Indian art’ in any sense...I do not want a Cherokee license to make money selling ‘Indian art’ or any other art”. Anders gezegd: Durham is een hedendaagse kunstenaar van Cherokee afkomst en niet een hedendaagse Cherokee kunstenaar. Een essentieel onderscheid waar veel kunstenaars van niet-westerse afkomst in de hedendaagse kunstwereld op stuiten: hun werk wordt op basis van etniciteit, exotisme en curiositeit beoordeeld, maar zo gauw ze een plaats als ‘gewone’ kunstenaar opeisen vinden ze een muur van superioriteit tegenover zich waarop geschreven staat: ‘Wij (blanke) westerlingen weten en bepalen wat contemporaine kunst is’. In een typische ironisch-humoristische Durham-reactie op de stempel-tot-goedkeuring-eis schreef hij later: “I here-by swear to the truth of the following statement: I am a full-blood contemporary artist, of the sub-groups (or clan) called sculptors. In am not an American Indian, nor have I ever seen or sworn loyalty to India. I am not a Native ‘American’, nor do I feel that ‘America’ has any right to either name me or un-name me. I have previously stated that I should be considered a mixed-blood: that is, I claim to be male but in fact only one of my parents is male”. In 1994 verhuisde hij opnieuw naar Europa. In het museum leegt Durham het zakje met aarde en met haren in de helft van een lichtblauwe koffer. Hij giet er houtlijm over en begint geduldig en aandachtig in het mengsel te roeren, af en toe een blaadje of een takje verwijderend. Als de aarde, haren en lijm naar tevredenheid zijn gemengd haalt hij een oud overhemd tevoorschijn dat hij zorgvuldig in de kofferhelft onderdompelt. Dan haalt hij het uit de koffer en spijkert het druipende overhemd op ooghoogte met twee spijkertjes tegen de witte museumwand. Een dag later is de lijm opgedroogd en hangt er een harig, besmeurd overhemd aan de muur met druipsporen eronder die op de vloer een klein plasje vormen. Hermeneutics heeft hij het werk genoemd. Kleding als tweede huid, dierlijkheid, kruisiging. Prachtig. Monumentaal in zijn eenvoud en schijnbare achteloosheid – een karakterisering die voor al zijn werk geldt. Met de meest onooglijke en veronachtzaamde materialen fabriceert hij werken van uiterlijke eenvoud en grootse innerlijke schoonheid. Ongrijpbaar vaak, raadselachtig, ontroerend, humoristisch. Durham is de grootmeester van het kleine gebaar. Van ‘echte’, opgelegde, monumentaliteit heeft hij een enorme afkeer: die bevestigt de macht van de gevestigde orde en vermorzelt het individu. Durham zet liever aan tot kritisch denken door subtiele en vaak (zwart-)humoristische vingerwijzingen te geven. In zijn recente, ‘Europese’ werken is de vroegere verwijzing naar het lot van de Amerikaanse Indianen nagenoeg verdwenen, maar zijn scherpe en zeer persoonlijke blik is gebleven. Bijna alle werken op de tentoonstelling hebben te maken met steen, met keien, van het humoristische A Wild Rock Taking its Pet Rock for a Walk in the Art Forests of Berlin uit 1997 (twee keien door een touwtje met elkaar verbonden) tot het gruwelijk-verstilde Pierre sur coton uit 2000 (een rivierkei met geschilderd gezicht op een geelgestreept babyrompertje). “‘Steen’ in Europa betekent architectuur, monumentaliteit en monument, een tombe waarin het individu verdwijnt – kijk maar naar alle kathedralen, gerechts- en andere overheidsgebouwen”, aldus Durham. “Ik wil dat we aan alles behalve architectuur denken als we het over steen hebben”. Hij zoekt naar de essentiële betekenis van materialen, niet naar de manier waarop ze doorgaans worden toegepast. De materialen en voorwerpen die hij vindt assembleert hij, ontdaan van hun alledaagse sociaal-culturele vernis, tot objecten met een volstrekt nieuwe betekenis en zeggingskracht. Want hoe meer we de wereld om ons heen in cultuur brengen, des te meer we geloven de dingen onder controle te hebben en des te verder we verwijderd raken van de essentie, van hoe de verhoudingen werkelijk liggen. De dingen terugbrengen naar hun ware of raadselachtige of bevreemdende betekenis, daarover gaat uiteindelijk dit magistrale oeuvre. IJsbrand van Veelen (Dit artikel is afkomstig uit het novembernummer van Kunstbeeld)
|
Jimmie Durham, Pierre sur Coton, 2000
|