|
In de studio twee generaties ‘humordeskundigen’: Cultureel socioloog Anton Zijderveld die in 1971 de humor wetenschappelijk verklaarde in zijn Sociologie van de zotheid, de humor als sociaal verschijnsel en cultureel antropologe Giselinde Kuipers die in 2001 promoveerde op een onderzoek naar humor en moppen: Goede humor, slechte smaak : een sociologie van de mop. Van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) ontving ze onlangs een belangrijke subsidie om haar onderzoek naar de mondialisering van humor te vervolgen. Een gesprek over ‘de wetenschap van de humor’.
R.A.M stelde verschillende Nederlandse cabaretiers, onder wie Paul de Leeuw, André Manuel, Nilgün Yerli en Dolf Jansen de vraag waarom zij mensen aan het lachen willen maken. Lange tijd was het in de zwarte Amerikaanse cultuur taboe om het eigen ras in een context van cynisme en zelfspot op te voeren. Want humor moest strijdbaar zijn, en het geschreven woord politiek geladen. De laatste jaren lijkt het te veranderen, zowel in de stand up comedy-wereld als in zwarte post-soul literatuur. Blijkbaar begint culturele integratie iets van vruchten af te werpen. Vooral Percival Everett’s hilarische roman Erasure bracht R.A.M ertoe eens een duik te nemen in de zwarte humor, in beide betekenissen van het woord. Met: Paul Beatty, Danzy Senna, Bert Ashe, Ethelbert Miller en Patrice O’Neal. Hij beschouwt zichzelf als de beste kunstenaar van de planeet: de Congolees Chéri Samba. In 1989 kwam zijn internationale doorbraak met de veelbesproken expositie Magiciens de la Terre in Parijs. Sindsdien is hij druk in de weer met schilderijen die hij voorziet van tekst en glitter en met het onvermoeibaar becommentariëren van armoede, corruptie, domheid, chaos en decadentie. Kunstenaars moeten de mensen doen nadenken, vindt hij. Dus schildert hij de werkelijkheid, voegt er humor en kleur aan toe en hoopt zo op de nodige bijval. J’aime Chéri Samba is een grote overzichtstentoonstelling die nu te zien is in Fondation Cartier in Parijs (t/m 2 mei). Fotografe Lee Miller (1907-1977) begon als fotomodel. In 1929 trok ze naar Parijs om er te poseren voor Man Ray, die haar de kunst van het fotograferen bijbracht. Ze kwam in contact met surrealisten als Max Ernst, Picasso en Roland Penrose wier ideeën een diepgaande en blijvende invloed hebben gehad op haar denken en werken. Met Penrose kreeg ze een zoon, Anthony. In 1944 verliet ze man en kind om met de Amerikaanse Time Life-journalist David Sherman door Frankrijk, Duitsland en Polen te trekken. Ze maakte er oorlogsreportages voor het tijdschrift Vogue en schokte de wereld met de eerste foto’s van Buchenwald en Dachau. Zoon Anthony beheert inmiddels de nalatenschap van zijn ouders. In FOAM in Amsterdam is nu een tentoonstelling met werk van Lee Miller en haar leermeester Man Ray (t/m 2 juni).
|
Lee Miller
Cheri Samba
Giselinde Kuipers
Goede humor, slechte smaak
Anton Zijderveld
Percival Everett
Erasure
|