• vpro
Aflevering Nr. 1 
 
Esther Gerritsen
De Ploeg
brengt Vendetta
Sam Mendes
regisseur van de film Jarhead
Kafka door Robert Crumb
Tip van Roel BVDB
Uitzicht met zandkorrel
tip van Maartje Somers
... en een snufje nostalgie"
Tip van Nausica Marbe
Arno live in Brussels
Tip van Eilander, Jan
Jarhead, Vendetta en Normale Dagen.
zondag 15 januari 2006
terug naar de aflevering
Esther Gerritsen
Auteur van het boek "Normale dagen"
Over haar motivatie voor het schrijven van Normale dagen vertelde Esther Gerritsen bij de presentatie van het boek in boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen het volgende:
Ik had tot voor kort een grote fascinatie voor gekken. Ik heb geen beter woord voor ze. Gekken, alcoholisten, mensen die geen maat kunnen houden. Ik beschreef graag gedrag dat niet kon stoppen, gedachten die niet konden stoppen. Dat wat zich herhaalt. Niet hoe mensen veranderen, maar hoe ze hun gedrag in stand houden. Investeren in stilstand.
Mijn verhalen gingen daarover. Mijn toneelteksten. En mijn vorige boek bestond uit een lange monomane gedachtegang van een vrouw die haar man opsluit op de dag van een geplande verhuizing; haar manier om het leven stil te zetten. Het was mijn onderzoek naar wat er gebeurt als je je gedachten zo serieus neemt dat je alleen nog uit die gedachten bestaat. Als je bijvoorbeeld de gedachte dat de wereld alleen uit jezelf bestaat zijn uiterste consequentie laat hebben.
Aan het eind van het boek had ik het gevoel er alles over gezegd te hebben wat ik erover kon zeggen - dat zou je 'tevreden' kunnen noemen, maar ik had er ook alles over gezegd wat ik er ooit nog over wilde zeggen. Ik was het spuugzat.
Mijn fascinatie voor een gesloten gedachtesysteem, waaruit een mens niet kan ontsnappen, kreeg gezelschap van mijn aversie tegen dat soort gedachten. Gedachten die maar één doel dienen: te zorgen dat ze zichzelf in stand houden. Ze nemen alle plek in die het leven in zou moeten nemen. Mijn volgende boek zou anders worden.
 
Die aversie tegen het oeverloze gedenk werd gevoed omdat dat oeverloze gedenk in mijn dagelijks leven mijn grootste ellende bleek. Ik werd iets te creatief in het doordraaien in consequenties in mijn eigen hoofd.
 
Ik herinner me een van de dieptepunten, anderhalf jaar geleden toen ik de biografie van Speer aan het lezen was, de architect van Hitler. Dat boek bestaat uit een heel lang interview. Een steeds strenger wordend verhoor. Een gewetensonderzoek. Speer doet zijn best eerlijk antwoord te geven op de vragen van de interviewster. Hoe kon het dat hij niet op de hoogte was van de kampen? Meende hij dat serieus? Had hij bewust zijn ogen gesloten voor dat wat hij niet wilde zien?
Het is een heel beklemmend boek, over hoe je je geest gebruikt of misbruikt om je gedrag goed te keuren. Om te zorgen dat je ziet wat je wilt zien. Want, simpelweg: als hij de gruwelen had gezien, had veroordeeld, had hij zijn luxepositie moeten opgeven. Afscheid moeten nemen van het leven dat hij leidde. Veranderen.
Terwijl ik dat boek las, kwam ik weinig buiten. Ik verzorgde onze kat, die toen acht weken oud was, niesziekte had en niet wilde eten. Ik ging alleen het huis uit om bij de dierenwinkel vloeibaar voedsel voor de kat te kopen.
In die dierenwinkel aaide ik achteloos de kat die daar op de toonbank zat. Terug naar huis lopend besefte ik dat ik door mijn geaai de niesziekte van onze kat op die andere kat had kunnen overbrengen. Het volgende beeld in mijn hoofd was natuurlijk de stervende kat in de dierenwinkel. Want natuurlijk zou die de door mij overgebrachte niesziekte niet overleven. Alle proporties al snel uit het oog verliezend, overwoog ik terug te gaan naar de dierenwinkel en alles op te biechten. Ik hoorde mezelf excuses uitroepen: 'Het spijt me, het is mijn schuld. Maar ik wist het niet, of ik wist het natuurlijk wel, maar ik dacht er even niet aan.' En ik hoorde de vrouw van de dierenwinkel terugroepen: 'Ik dacht er even niet aan, ik dacht er even niet aan? Hoe is het mogelijk dat je zoiets vergeet!'
En ik dacht uiteindelijk alleen nog: ik had het moeten zien. Dat dat niet kon. Ik dacht alleen die woorden, die ik kende van Speer. Speers verweer na de oorlog bestond voornamelijk uit deze woorden: 'Ik had het moeten zien.'
De volgende stap was in mijn hoofd snel gemaakt: Ik ben net zoals Speer. Ik verschil in niets van iemand die meewerkte aan een van de meest misdadige regimes in de geschiedenis van de mensheid.
 
Pas veel later kon ik beseffen hoe totaal buiten proportie en kwalijk het ook was om mijn geaai van de kat te vergelijken met het blind zijn voor de holocaust.
Maar zo ging het wel in mijn hoofd. Ik kon die gedachten niet stoppen. De kat bleef weken in mijn hoofd rondspoken. En ik dacht aan het onvermijdelijke: dat ik terug naar de dierenwinkel moest om de mensen te waarschuwen voor het naderende onheil. Ik dacht ook aan manieren om aan deze vreselijke actie te ontkomen: want natuurlijk wílde ik niet terug naar de dierenwinkel, sterker nog, als ik boodschappen deed liep ik om, om niet langs de dierenwinkel te hoeven.
En ik bleef maar DENKEN. Denkende dat dat denken mij bij een oplossing zou brengen. Een veroordeling. Of een vrijspraak. Het kwam niet in mij op dat mijn gedachten beperkt waren. Misverstanden zelfs.
 
Wat is dit? Gewoon gepieker? Of gekte? Dwanggedachten? Dwangneuroses?
Mijn generatie praat met groot gemak over de psychische toestand van de mens en met de aanname daar kennis over te beschikken. Termen die vroeger voorbehouden waren aan zware psychiatrische gevallen gebruiken wij te pas en te onpas: verdringing, depressie, ontkenning, neurose, psychose. We zien onszelf snel als psychisch probleemgeval, maar combineren dit met het geloof in de maakbaarheid van onze persoonlijkheid en ons leven. Dit levert niet de gesuggereerde vrijheid op. Bij mij niet, tenminste.
Omdat ik geloofde met mijn denken alles te kunnen beheersen, concentreerde ik mij zo op die gedachten dat het omgekeerde het resultaat was: mijn gedachten beheersten mij.
 
Vaak heb ik dat monomane aspect willen beschrijven van het menselijk bewustzijn. Maar hoe meer ik merkte hoe doodlopend die weg was, hoe groter de aversie werd, en daarom wilde ik een boek schrijven dat eens niet ging over het 'je verliezen in het monomane' - door de onmogelijkheid om te kiezen, de onmogelijkheid om gedachten te negeren, te vergeten - maar over de worsteling om niet aan dat monomane gedenk toe te geven.
 
Zwijgen dus. Daar zou mijn boek over gaan. Zwijgen in het hoofd. Gedachten stoppen.
 
Ooit dacht ik dat verontrustende ideeën in je hoofd toelaten eerlijk gewetensonderzoek was. Maar dat zogenaamde eerlijk gewetensonderzoek zag ik in mijn eigen leven alleen maar steeds vaker ontsporen in: elk destructief idee serieus nemen en iedere positieve gedachte in twijfel trekken.
 
Dit gaat dan allemaal alleen nog maar over het lawaai in je hoofd en de verlangde stilte. Maar net zoiets geldt voor het letterlijke praten en zwijgen.
Ooit dacht ik ook dat alles benoemen goed was. Eerlijk zijn. Alle gedachten met je zogenaamde dierbaren delen. Vond ik ooit van groot belang. Maar alles benoemen naar elkaar toe kan ook een zieke biecht worden. De ander opzadelen met de rotzooi uit jouw hoofd.