• vpro
   
donderdag 10 maart 2005 17:49 verslag
Onderwijsvernieuwingen
Een overzicht van 1888 tot nu
Het Studiehuis, de basisvorming en de tweede fase. Het zijn inmiddels overbekende kreten. Maar hoe zit het nou precies met al die onderwijsvernieuwingen? Een overzicht sinds de oprichting van de HBS in 1888 tot nu.
In 1863 wordt de Hogere Burger School (HBS) opgericht naar het idee van Thorbecke. 25 jaar later vormt de Nederlandse onderwijswereld een ondoorgrondelijk geheel. De verschillende schooltypen staan te los van elkaar. In de praktijk komt dit erop neer dat het merendeel van de kinderen uit de arbeidersklasse niet verder komt dan de lagere school, de MULO of het lager beroepsonderwijs. Kinderen uit de middenstand gaan naar HBS of MMS, en alleen het kroost van de elite komt bijna vanzelfsprekend op lyceum of gymnasium terecht. En vervolgens op de universiteit. Het is praktisch onmogelijk van het ene type door te stromen naar het andere. Vooral kinderen uit de lagere klasse zijn het slachtoffer van dit categorale systeem. Ze krijgen weinig kansen om hun kwaliteiten te ontplooien. In 1903 wordt daarom een zogeheten 'ineenschakelingscommissie' ingesteld. Deze moet onderzoeken of de verschillende onderwijsinstellingen geïntegreerd kunnen worden. Dit leidt echter tot niets. Evenals de plannen van de ministers Bolkenstein en Rutten uit 1939 en 1951 die hetzelfde beogen.
 
De Mammoetwet
 
Pas met de invoering van de Mammoetwet in 1968 komt er een einde aan deze situatie. Deze Mammoetwet is opgezet naar idee van Jozef Cals die in het begin van de jaren zestig minister van Onderwijs was. De wet dankt zijn naam aan de opmerking van een tegensputterend Kamerlid. Deze had gezegd: 'Laat die mammoet maar in het sprookjesleven voortbestaan'. Waarmee hij doelde op de ingrijpende operatie om het gehele voortgezette onderwijs te regelen in één wet.
 
Kern van deze wet is dat het onderwijsstelsel wordt ingedeeld in drie opeenvolgende trappen van onderwijs. Het basisonderwijs, het voorbereidend wetenschappelijk en algemeen vormend onderwijs en het wetenschappelijk en beroepsonderwijs. Grondgedachte is dat elke leerling zowel een algemene, niet rechtstreeks op een beroep gerichte opleiding, als een beroepsopleiding zou moeten krijgen. Beiden moeten zoveel mogelijk aansluiten bij de aanleg en belangstelling van de leerling. De toewijzing van de leerlingen aan onderwijstypen gebeurt op basis van intellectuele begaafdheid. Er komen doorstromingsmogelijkheden tussen de verschillende niveaus van onderwijs. En er worden er tal van nieuwe elementen -zoals de brugklas- en vakken -zoals handvaardigheid en maatschappijleer- geïntroduceerd. Het verminderen van sociale ongelijkheid was bij de oorspronkelijke opzet van de Mammoetwet nog geen uitgangspunt. Dat werd pas in de jaren zeventig actueel.
 
De Tweede Fase
 
Doordat leerlingen hun eindexamenvakkenpakket grotendeels zelf mogen samenstellen, worden er echter teveel zogenoemde pretpakketten gekozen. Een pretpakket is een combinatie van talen met geschiedenis en aardrijkskunde. Lekker makkelijk maar amper een degelijke voorbereiding op het studeren. In april 1991 presenteert staatssecretaris Wallage dan ook een plan om de bovenbouw van het voortgezet onderwijs drastisch te reorganiseren. Deze reorganisatie, ook wel de Tweede Fase genoemd, houdt in dat vier profielen de traditionele vakkenpakketten vervangen. Ieder profiel bestaat uit een gemeenschappelijk deel met verplichte vakken als Nederlands, en vakken die alleen verplicht zijn voor het profiel. Zoals wiskunde voor het profiel ‘Natuur en Techniek’. Ook mogen leerlingen nog een paar vakken zelf kiezen. Het aantal lesuren stijgt van 30 naar 40.
 
Het hele idee van de reorganisatie begon vanuit de overtuiging dat er te veel studenten in het hoger onderwijs kwamen. Daarom besluit Tineke Netelenbos in 1994 om de tweede fase nog wat verder te verzwaren. De mythe van het allesoverheersende belang van wiskunde voor alle studies levert hiervoor het ideale selectiemiddel. Wiskunde wordt een verplicht vak voor alle VWO leerlingen. En typische alpha-leerlingen moeten dan maar afvallen.

Het Studiehuis
 
Maar dat is niet de enige verandering. Scholieren krijgen ook op een andere manier les. De klassikale les moet verdwijnen. Leerlingen moeten in groepjes werken. En veel achter de computer. Leraren worden begeleiders. Het idee: leer scholieren te werken zoals dat in het hoger onderwijs van ze verlangd wordt. De naam: Het Studiehuis.
 
Niet lang na de invoering van de Tweede Fase en het Studiehuis in 1998 leidt dit al tot een gigantisch scholierenprotest. In 1999 gooien woedende scholieren eieren naar staatssecretaris Adelmund. Eenderde van de leraren zegt met minder plezier naar school te gaan. Een geschrokken minister Adelmund beperkt het aantal profielwerkstukken tot een en versoepelt de examenregelingen.
 
Dit jaar stelt Minister van der Hoeven tenslotte voor om de keuzevrijheid van leerlingen toch maar weer te vergroten. Maar tegelijkertijd het gezicht van de bestaande profielen herkenbaarder te maken. In 2007 moet er begonnen worden met een nieuwe structuur van de bestaande profielen. Het nieuwe voorstel gaat uit van drie verplichte vakken per profiel, een keuzevak dat samenhangt met het profiel en een volledig vrij keuzevak. Minder verplichte lesstof en meer keuzevakken moeten de bovenbouw van havo/vwo overzichtelijker maken voor leerlingen en leraren.
 
De Basisvorming
 
Maar niet alleen in de bovenbouw wordt er druk gereorganiseerd. In 1993 voert Staatssecretaris Wallage van de PvdA ook in de onderbouw de hervorming in. Deze houdt in dat MAVO-, HAVO- en VWO-leerlingen in de eerste drie jaar min of meer hetzelfde pakket van vijftien vakken gaan volgen. Hun definitieve schoolkeuze wordt zo uitgesteld. In gezamenlijke brugklassen van een of twee jaar kunnen minder presterende kinderen zich nog aan hun betere klasgenoten optrekken. Met de verschillen wordt rekening gehouden: zwakke leerlingen in het beroepsonderwijs en de mavo (nu samen het vmbo) mogen langer over de basisvorming doen dan havo/vwo-leerlingen. Het is een sterk verwaterde versie van het sociaal-democratische ideaal van de middelbare school – waar leerlingen van alle niveaus samen onderwijs zouden volgen. Dit zou de emancipatie van kinderen met een sociaal-economische achterstand bevorderen.
 
In de praktijk gebeurde echter het tegenovergestelde: vmbo-leerlingen moeten de basisvorming in twee jaar afronden terwijl havo en vwo-leerlingen er, indien nodig, drie jaar over mogen doen. Al snel bleken veel leerlingen en leraren problemen te hebben met het programma. Voor mavo-scholieren was het te veel, vwo-scholieren konden door de overdaad aan vakken nauwelijks de diepte in.
 
Daarom wil Minister Van der Hoeven van Onderwijs scholen nu weer meer vrijheid geven op het gebied van hoe ze het onderwijs inrichten. Het aantal kerndoelen – eisen waaraan leerlingen moeten voldoen – gaat terug van 280 naar 58. En, belangrijker: de manier van lesgeven wordt anders. Leraren ontwikkelen zich tot begeleider, leerlingen gaan met projecten en portofolio’s werken. Scholen hoeven niet langer vijftien vakken te geven. Zolang zij lesgeven in de zeven leergebieden, mogen ze zelf weten in welke vakken zij de lesstof gieten. De politiek neemt hiermee officieel afscheid van de basisvorming. Het ideaal van de gelijkheid maakt plaats voor de erkenning dat leerlingen verschillend zijn. In de praktijk echter waren de meeste scholen al gewoon op verschillende niveaus blijven lesgeven. De plannen van Van der Hoeven betekenen voornamelijk een legalisering van de praktijk.
 
Deze nieuwe plannen klinken bekend in de oren. De overeenkomst met het Studiehuis is opvallend. En daarvan zijn de gevolgen bekend. Het aanvankelijk enthousiasme sloeg snel om in chagrijn. Leraren zeiden met minder plezier naar school te gaan en scholieren gooiden eieren staatssecretaris Adelmund. Inmiddels wil de kamer de vernieuwingen in de bovenbouw voor een groot gedeelte weer terugdraaien. Zal het deze nieuwe plannen voor de onderbouw anders vergaan?