|
De metamorfose van Pierre-Alain Volondat
door Marianne Broeder
Twintig jaar terug won de Franse pianist Pierre-Alain Volondat de drie eerste prijzen van de Koningin Elisabeth Wedstrijd. Maar de muziekpers had meer oog voor zijn zonderlinge voorkomen dan voor zijn talent. Geen wonder getuige de documentaire Tout devient musique (VPRO, 1984), die deze week wordt herhaald in Vrije Geluiden. Hoe is het Volondat sinsdien vergaan? Verslag van het weerzien in Brussel.
BOZAR kopt de gevel van het voormalige Paleis voor Schone Kunsten alias Palais des Beaux-Arts. De ludieke nieuwe naam moest Vlamingen en Walen verbroederen. De ovale art-deco Le Boeufzaal is in het echt veel mooier dan de rechtreekse tv-uitzendingen van de Koningin Elisabeth Wedstrijd deden vermoeden. Het was aldaar in 1983 dat we kennismaakten met Pierre-Alain Volondat, toen hij de drie eerste prijzen in de wacht sleepte. Wie herinnert zich niet de kennelijke zweeftoestand waarin de laureaat, in slow motion als een robot voortbewegend, met wijd opengesperde ogen, zonder enige emotie te tonen het applaus in ontvangst nam. De pers liet zich niet onbetuigd: volslagen gek, epilepticus, mysticus of schizofreen in zuiverste vorm, zijn maar enkele van de glasharde kwalificaties van weleer. Sindsdien werd het stiller rond de pianist. Informatie over zijn carrière is summier. Hij gaf recitals schijnt het in verschillende Europese landen, Japan en Korea, met werken van Bach tot Xenakis. Máár: komend jaar staat een tournee door Nederland op stapel. Deze avond twintig jaar later in diezelfde zaal is zijn voorkomen totaal verschillend. Rustig betreedt Volondat het podium, zónder partituur. Na een korte stilte brandt hij los in een briljante uitvoering van Liszts pianotranscriptie van Beethovens Negende symfonie. De intense expressie – van demonische geestverschijningen tot hemelse en aardse liefde, geheel in de geest van de componist – is bij Volondat in goede handen. Wie de ogen sluit hoort een symfonieorkest, compleet met groot koor en solisten. Tijdens de ‘nazit’, waar de champagne rijkelijk vloeit, stromen vrienden toe. Volondat omhelst de een na de ander. Zijn toegewijde echtgenote, digicam paraat, wijkt niet van zijn zijde. Niets herinnert aan Volondats geïsoleerde, haatdragende houding van weleer. We spreken elkaar een dag later in rustiger entourage, de lounge van een kasteeltje met pluche bank en knapperend haardvuur. Volondat oogt kalm en vriendelijk. ‘De Negende is veruit de belangrijkste van alle symfonieën van Beethoven’, vindt hij. ‘Vooral door de symbolische inhoud, een “Ode an die Freude”, representant van het licht, van menselijke hoop. De eerste symfonie met koor in de muziekgeschiedenis. Toen ik eraan begon begreep ik waarom zo weinig pianisten deze transcriptie willen spelen. Het is hondsmoeilijk, met sterk irrationele elementen: de timing, vooral ook van de stiltes, de klankverhoudingen, het touché. Je moet de orkestversie volledig in je hoofd hebben. Dat alles vereist een enorme concentratie.’ Niet alleen zijn spel, zijn hele houding benadrukt het belang van hartelijke menselijke verhoudingen. Dat was destijds wel anders. In de documentaire trekt hij van leer tegen zijn ouders – helaas zelf niet in beeld – ‘Ze wilden niet dat ik pianist werd’ en ‘Mijn moeder was een valse noot’; tegen zijn leraar Gabriël Tacchino wiens parool luidde: ‘Je doet wat ik zeg en verder geen discussie’ en tegen collegapianisten, die – met uitzondering van Horowitz – ‘allemaal hetzelfde willen zijn’. Volondat: ‘Ik heb inderdaad mijn leraren, vooral Tacchino, zwaar veroordeeld. Maar vergeet niet hoeveel pijn ze me hebben gedaan. Dat leg ik in de film uit. Wat ik over mijn ouders zei is heel triest, maar het is de waarheid.’ Maar Volondat fulmineerde ook fors tegen het Franse conservatorium, waar hij na twee jaar wegliep omdat hij er ‘niks leerde’ en uitsluitend tegenwerking ondervond? Het Franse publiek noemde hij dom en chauvinistisch. Volondat wilde koste wat kost zijn vaderland verlaten. Maar hij woont er nog steeds en geeft er zelfs les aan het conservatorium in Val d’Oise. Volondat knikt. ‘Die tijd ben ik eigenlijk een beetje vergeten,’ zegt hij.’ Nu ik zelf lesgeef kan ik tegenwicht bieden aan hetgeen waar ik destijds zo onder leed. Voor mijn leerlingen maak ik een satire van de manier waarop ik vroeger zelf les kreeg. Ze moeten er hard om lachen. Ze geloven me niet. Mijn manier van lesgeven is tegenovergesteld aan van wat ik zelf heb ondervonden. Met sterke nadruk op details. Ik probeer humor en speelvreugde in de lessen te brengen en veel te praten over wat de leerlingen ervaren. Ontmoediging is altijd uit den boze. Zelfs als ze eruit vliegen tijdens een uitvoering, leg ik uit dat zoiets iedereen kan gebeuren. Hun psychologisch evenwicht is het voornaamste. Bij mij is nog nooit een leerling in tranen vertrokken. Ook imiteer ik mijn eigen leraren, omdat ze me vernederden. Het is natuurlijk ook een manier geworden om mijn eigen balans te vinden.’ Al in de jaren tachtig wees Volondat erop dat hij in zekere zin een ‘leerling van Beethoven’ is. Hij koestert die mening nog steeds. In een recent interview zegt hij: ‘Via mijn lerares Vera Moore, die helaas overleden is, heb ik een onverbrekelijke band met de oude pianistieke tradities. Die band gaat als volgt: Vera Moore was één van de laatste leerlingen van de grote Borwick. Borwick kreeg les van Clara Schumann en van Einstein, die zelf een leerling was van Ludwig van Beethoven! Indirect heb ik dus les gekregen van de grote Beethoven zelf.’ Tot op de dag van vandaag zet Volondat die traditie voort. ‘Vera Moor is 101 geworden,’ vertelt hij. ‘Ik kon niet bij haar begrafenis zijn maar men citeerde mij haar laatste woorden: “Over de kunst die ik probeerde door te geven maak ik me geen zorgen. Die is in twee goede handen.” Ze bedoelde de mijne. Bij het spelen en doceren van Bach, Mendelssohn en Schumann hanteer ik de principes van haar en haar voorgangers. Natuurlijk vermengd met mijn eigen musicologische en emotionele bevindingen.’ In het verleden beriep Volondat zich op een speciale band met God, de enige die hem stimuleerde artiest te worden. Heeft hij die band behouden? ‘Vóór elk concert bid ik tot God dat me niets zal overkomen, dat ik geen black-out zal krijgen. Eigenlijk is dat ook een vorm van nederigheid. Maar door te vertrouwen op God voel ik me zelfverzekerder en zelfs trots.’ In de film zegt Volondat: ‘Ikzelf verander niet, de tijd verandert, de tijd is de grootste leermeester’. Toch lijkt hij een metamorfose te hebben ondergaan. Volondat denkt rustig na. ‘Het is ingewikkeld, in de loop van de tijd ben ik me gaan realiseren dat ik moest veranderen. Niet wezenlijk. Meer een kwestie van houding. Vooral de vorm waarin ik kritiek voelde op anderen en de manier waarop ik die uitte. Wat ik over het conservatorium zei, vind ik nog steeds. Alleen ga ik er nu anders mee om.’ Hoe staat het met het onbegrip van ‘anderen’? Volondat glimlacht. ‘Voorheen was de mening van anderen te belangrijk voor me. Bedreigend. Ik probeer daar nu boven te staan. Door de kritiek van mijn omgeving, mijn vrouw en mijn vrienden, ben ik ook milder geworden in mijn spel. Als ik te luid speel dreig ik een agressieve indruk te maken. Ik ben beter gaan doseren. Dat heeft me winst opgeleverd.’ Zo ontspannen als Volondat hier op de bank zit, zo verstijfd betrad hij in 1983 als winnaar van de Koningin Elisabeth Wedstrijd het podium. Ooit zei hij daarover: ‘Ik loop langzaam om de angst te bedwingen’. In de film verbiedt hij zichzelf om bang te zijn. Volondat knikt. ‘L’angoisse je la déteste, ik haat angst. Maar het is heel menselijk angstig te zijn. De basis van kalmte is het overwinnen van je angst. Ik heb geleerd de ergste podiumvrees te beheersen. Als het me nu overkomt denk ik, oké, dit heb ik heb erger meegemaakt. Ook vond ik er een praktische oplossing voor: het eerste stuk van een concert te spelen alsof het een toegift is. Merkwaardig maar het werkt. Ik ken twee soorten plankenkoorts. De verlammende, die is verschrikkelijk. Maar de andere, waarbij je te zelfverzekerd wordt, is zo mogelijk erger. Je wandelt het podium op en denkt: mij kan niets overkomen. Neem van mij aan dat je dan twee keer slechter speelt dan je kan. Tussen die uitersten, de overtuiging dat je niets meer kan of juist alles, moet je een midden vinden. ‘Weet u,’ besluit hij, ‘als je je evenwichtiger voelt, heb je minder behoefte anderen te bekritiseren.’
|
|