Antonin Dvorák/Strijkkwartet opus 106 in C
Eerste deel
Dvořák - Strijkkwartet op. 106
“Eerste compositie na […] terugkomst uit Amerika,” staat er in Dvořáks hand expliciet vermeld op het titelblad van zijn Kwartet in G op. 106. Dat de Boheemse componist blij was dat zijn drie-jarige verblijf in de Nieuwe Wereld voorbij was, is een feit. Nogal wat mensen willen er Dvořáks “gelukkige gevoelens na de definitieve terugkeer uit Amerika” in horen.
Hoewel de toonsoort G grote terts bij hem meestal garant staat voor veel zonnigs – Vioolsonatine, Achtste Symfonie bijvoorbeeld – is dat toch een beetje te beperkt. Er zijn ook biografen die in dit kwartet juist een gevoel van ontreddering bespeuren. Dat zou je kunnen aflezen aan de veelvuldige drastische omschakelingen van majeur naar mineur en vice versa. Bepaald Schubertachtig, zo “Himmelhoch jauchzend zum Tode betrübt” als Dvořák bezig is.
Vooral in het Adagio met het eerste thema in Es majeur (eerste viool, op de g-snaar) en het tweede in es mineur (cello). Daarmee is dit Adagio één van Dvořáks meest aangrijpende langzame delen. Opvallend ook, dat het scherzo in mineur staat (b kleine terts). Zelfs de finale heeft iets wisselvalligs omdat die steeds weer, onrustig en onzeker, thema’s uit het eerste deel citeert.
Hoe dan ook, dit kwartet heeft autobiografische trekken en lijkt een soort aanvulling op het laatste wat Dvořák nog in Amerika voltooide, het ook al zo persoonlijke, soms zelfs smartelijke Celloconcert. Het weerspiegelt een bewogen periode uit Dvořáks bestaan. Afscheid van een land waar je toch ook vrienden maakte. Waar je tot op zekere hoogte aardde (omdat je tenslotte wel moest). Veel dingen die je niet vergeet en moeilijk verwerkt. Je zou het kwartet kunnen vergelijken met dat van zijn Tsjechische collega Smetana “Uit mijn leven”.