dinsdag 20 januari, 22.55 uur, npo 2

we come as friends

Filmmaker Hubert Sauper bouwde een koddig vliegtuigje om niet te serieus genomen te worden terwijl hij neokoloniale uitwassen in Zuid-Soedan kwam vastleggen.

Elmar Veerman,

2doc: We come as friends, woensdag 20 januari om 22.55 uur op NPO 2 en daarna zeven dagen hier te zien

WE COME AS FRIENDS, Trailer. by Hubert Sauper from Adelante Films on Vimeo.

Een militaire kapel speelt een opgewekt deuntje. Verderop presenteren rijen soldaten langs een rode loper hun geweer. We zien het vliegveld van Juba, in – dan nog – het zuiden van Soedan. Twee mannen in grijze pakken staan naast elkaar onder een afdak. De langste is donkerbruin en heeft een cowboyhoed op. Salva Kiir heet hij, en hij is hier de baas. De lichtbruine man naast hem heeft een pastelblauw laken om zijn schouder geknoopt, als een reusachtige mitella. Zijn bezoek heeft de aanstaande onafhankelijkheid van Zuid-Soedan bezegeld, na een tientallen jaren durende bloedige burgeroorlog. Het is president Omar Al-Bashir van Soedan, die hier met alle egards wordt uitgezwaaid.

In de verte zien we grote, glimmende passagiersvliegtuigen die lijken te trillen in de hete lucht boven het asfalt. Plotseling schuift een merkwaardig minivliegtuigje in beeld. Een hobbelend dingetje met één enkele propeller. Filmmaker Hubert Sauper en zijn team hebben het zelf gebouwd, speciaal voor hun documentaire We Come as Friends.

Sauper maakte een twee jaar lange reis, van de Franse boerderij waar ze het vliegtuigje in elkaar sleutelden via Italië, Tunesië, Libië, Egypte, Soedan en Kenia tot aan Zuid-Soedan. Van de ruim vijfhonderd uur opnamen die buiten Zuid-Soedan zijn gemaakt, heeft bijna niets de film gehaald. Twee jaar bouwen en nadenken, twee jaar reizen en bijna twee jaar monteren, het is uitzonderlijk veel moeite voor één film. Maar hij belandde wel mooi op de shortlist voor een Oscar

Waarom zo veel moeite als je ook gewoon een vliegtuig had kunnen huren? Hubert Sauper legde het vorig jaar, na de vertoning van zijn film op het IDFA, zo uit: ‘Je kunt ook een film kopen in plaats van er een te maken. Sorry, stom antwoord. Maar het was onderdeel van het concept. We waren vliegende clowns, we moesten er op een bepaalde manier uitzien, en het vliegtuig moest aan bepaalde eisen voldoen. Het moest alles zijn wat een normaal vliegtuig niet is. Om iets te noemen: het is erg langzaam. Het is bijna een parachute, met zijn grote vleugels. Dus als de motor uitvalt, kun je toch veilig landen. Daarnaast moest het er raar uitzien. We wilden als clowns gezien worden, niet als een bedreiging.’

Niet dat de mannen met een bloemetjespak en een rode neus achter de steurknuppel zaten. Na maanden in Afrika verruilden ze T-shirts voor een pilotenuniform. Dat was praktischer in de omgang met autoriteiten, aldus cameraman en co-piloot Barney Broomfield: ‘We werden ineens gesalueerd, en serieus genomen. Tot aan Soedan was het vliegtuigje bijna een blok aan ons been, maar daarna werd het onmisbaar. Er zijn nauwelijks wegen in Zuid-Soedan, en al helemaal niet in het noorden, vanwege de burgeroorlog. Piloten zijn daar heel gewoon. Als je er komt voor de mijnbouw of de oliewinning, dan moet je een piloot hebben.’

En daar gaat de film over: vreemdelingen die het land uitknijpen en in conflicten storten, met hulp van corrupte machthebbers. Het gebeurt al sinds de Franse en Engelse koloniale ambities hier op elkaar botsten in de negentiende eeuw. Nu zijn het vooral Amerikanen en Chinezen die zich doen gelden.

De filmmakers voeren hun kijkers langs heel verschillende mensen.

Chinezen die zich afzonderen in de compound waar ze olie omhoog pompen. De lokale bevolking even verderop, die tussen hopen plastic afval machteloos toeziet hoe het grondwater vergiftigd wordt.

Amerikaanse missionarissen die de bevolking hun idee van beschaving opdringen. Een Britse explosievenexpert die voor de VN goed werk doet, maar praat als een koloniaal van honderd jaar geleden.

Treurende dorpelingen die weer iemand aan een dodelijke kogel hebben verloren. Een dorpsoudste die onder druk een enorm stuk land voor een habbekrats heeft afgestaan aan een Amerikaans bedrijf.

Bestuurders die dit soort praktijken volstrekt normaal vinden. Een beurs over regionale ontwikkeling waarop veel wapenfabrikanten hun waren aanprijzen. De film laat de kijker van de ene in de andere verbazing vallen.

Intussen valt er ook regelmatig iets te lachen. Om de naakte peuter in een stoffig dorp bijvoorbeeld, die wordt voorzien van witte sokjes en sandalen, of de parlementsvoorzitter die in een radiostudio met een koptelefoon op het volkslied mee staat te… tja, zingen is in elk geval niet het goede woord.

De laatste opnamen van We Come as Friends dateren uit 2012. De film sluit af met een onheilspellend radiobericht over de strijd met Soedan die weer is opgelaaid. Hoe is het dit jonge land sindsdien vergaan? Kort samengevat: rampzalig.

Rik Delhaas, die het land vorig jaar bezocht om reportages te maken voor Bureau Buitenland: ‘Het geweld is sterk opgelaaid. Wat eind 2013 begon als een politiek conflict tussen president Salva Kiir en vice-president Riek Machar is ontaard in een burgeroorlog langs etnische lijnen, met tienduizenden doden en miljoenen ontheemden. Er dreigt een hongersnood, hoewel mensen zich verrassend goed in leven weten te houden met voedsel uit de natuur.’ Er is vorig jaar een vredesverdrag getekend, maar dat wordt lang niet overal nageleefd, en door de historisch lage olieprijs is de overheid blut. Het is allemaal niet wat de Zuid-Soedanezen hoopten toen ze massaal voor onafhankelijkheid stemden.

Extra leestip: interview met Hubert Sauper over deze film