Strips en seksueel geweld in India

Jon Roozenbeek ,

De vrouwenorganisatie van de Verenigde Naties stak de duimen in de lucht, en nu besteedt ook Bureau Buitenland er aandacht aan: de Amerikaans-Indiase kunstenaar Ram Devineni, die om het seksuele geweld tegen vrouwen in India aan te kaarten een stripboek uitbracht waarin een meisje met hulp van de goden wraak neemt op haar verkrachters. Het werd een enorm succes, dus Devenini bracht daarna ook nog een Bollywoodachtige film uit, met dezelfde boodschap. Strip en film zijn op internet voor iedereen te bekijken. Maar wordt hiermee het doel, namelijk de verbetering van de positie van vrouwen in India, ook bereikt? Daarover spreekt Indologe Annette van der Hoek uit Delhi, te gast in Bureau Buitenland.

De tekenaar: Ram Devineni

Volgens van der Hoek is Devenini’s werk erg vermakelijk, maar schiet het zijn doel een beetje voorbij. ‘Die film kijk je op Youtube en het stripboek download je als pdf. De problematiek speelt met name in dorpen op het platteland, waar veel mensen geen internet hebben en al helemaal geen pdf-bestanden downloaden. In India worden enorm veel strips gelezen, dat wel, maar die zijn nog altijd zo’n 50 rupees per stuk, bijna een euro’, aldus van der Hoek. Voor zo’n prijs heb je als arme dorpsbewoner geen zin om je (in het Engels) te laten vertellen wat je allemaal fout doet.

Het stripboek: Priya's Shakti

Bovendien krijgt volgens van der Hoek het probleem van seksueel geweld nu dan wel veel aandacht, zeker in de media, maar is dat alleen mogelijk omdat de tolerantie ervoor in India de afgelopen jaren enorm is afgenomen. ‘De politie wordt nu beter opgeleid, het probleem wordt nu veel minder onder het tapijt geveegd,’ zegt van der Hoek. ‘Er bestaan al meer dan 10 jaar zogeheten “Women’s Cells”, naast aparte afdelingen binnen ieder Indiaas politiestation waar vrouwen naar toe kunnen om anoniem aangifte te doen en hulp te ontvangen.’ Dit blijkt heel goed te werken: ‘in die ogenschijnlijke chaos die India van een afstandje lijkt, heerst er toch een zekere orde. De Indiase regering kan veel doen om het probleem aan te pakken, en doet dat ook.’

Ook vanuit de burgerbevolking vinden er al jaren initiatieven plaats die effect lijken te hebben. Zo noemt van der Hoek het voorbeeld van een dorpsraad van wijze oude mannen in Rajestan, die, om het verschil in geboorten van meisjes en jongens gelijk te trekken, voor ieder geboren meisje 111 bomen laten planten. Of de groep studenten aan de Jawaharlal Nehru-universiteit in Delhi, die in plattelandsdorpen toneelstukjes opvoeren waarin seksuele voorlichting wordt gegeven.

Een glossy-achtige Engelstalige strip en cheesy film zijn dus heel leuk en enorm goed bedoeld, maar de mensen onder wie het probleem het grootst is worden er niet mee bereikt. Het werk van Devineni is eerder een teken dat er al enorm veel gebeurd is om seksueel geweld structureel te verminderen en de tolerantie ervoor drastisch te verlagen. Niet dat het probleem niet langer bestaat; integendeel. Maar de oplossing zit volgens van der Hoek dus niet in internationale media-aandacht voor een Amerikaans-Indiase striptekenaar, maar in een combinatie tussen effectief regeringsbeleid en ‘grass roots’ lokaal activisme.