Dwars door Afrika

aflevering 5: een spoor van chinezen

Veertig jaar geleden legden de Chinezen een treinspoor aan door Zambia. Bram Vermeulen reist per trein door het Afrikaanse land om te ontdekken hoe de relatie tussen die landen nu is.

Elmar Veerman,

----------------------------------------------
Dwars door Afrika (5): Een spoor van Chinezen
Zondag 5 oktober, 20.15 uur op Nederland 2

----------------------------------------------

Deze oude trein rijdt al zo'n veertig jaar over het spoor in Zambia. Monteurs hebben een tolk nodig om instructies op de onderdelen te lezen.

Zambia en China zijn oude vrienden. Toen het Afrikaanse land in 1964 onafhankelijk werd, stonden de Aziaten als eerste in de rij om de helpende hand te bieden. Communistisch China, zelf nog straatarm, nam het voortouw bij de bouw van een spoorlijn die dwars door Zambia en buurland Tanzania liep, naar de havenstad Dar es Salaam. Natuurlijk was dat niet alleen uit goedertierenheid; de Chinezen zagen handelsmogelijkheden in het gebied.

Ruim veertig jaar later blijkt dat de spoorlijn op een grandioze mislukking is uitgelopen die China veel geld heeft gekost – daarover kun je meer lezen in dit verhaal van Sean van der Steen, met prachtige foto’s. Maar de Chinese aanwezigheid in Zambia is intussen niet meer weg te denken, merkt Bram. Overal langs de treinroute komt hij ze tegen. Chinezen runnen bijvoorbeeld een kopermijn, fokken op grote schaal kippen en hebben grote fabrieken.

Die economische activiteit levert Zambianen werk op, onder Chinese bazen. Daar is niet iedereen blij mee. Bram bezoekt een dorp waar een explosievenfabriek ontploft is. De Chinese eigenaren hadden het niet zo nauw genomen met de veiligheidsvoorschriften. Het incident is illustratief voor de werkwijze van Chinezen in Afrika: zorg voor de werknemers is ondergeschikt aan de winst. Ook in een kopermijn blijkt dat de arbeidsomstandigheden verre van ideaal zijn, en dat werknemers openlijk klagen over hun lage salaris.

Werk in een mijn is altijd zwaar, maar voor een Chinees bedrijf blijkt dat nog een graadje erger te zijn.

De opzichter van de mijn beklaagt zich op zijn beurt over de arbeiders: hij vindt Zambianen maar onhandig en lui. ‘We trainen al vele jaren Zambiaanse arbeiders. Er is een groot verloop onder het personeel. Ze gaan naar andere bedrijven zodra ze vaardigheden hebben verworven.’

Het zijn trouwens niet alleen Zambianen die met de arbeidsomstandigheden in hun maag zitten. Chinees personeel, dat letterlijk niet mag klagen, doet tegen Bram toch een boekje open. Het leven op een afgesloten compound, ver van familie en vrienden, bestaat bijna geheel uit werk en verplichte culturele activiteiten. Van integratie is geen sprake.

Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Ondernemende Zambianen vertrekken naar China en komen soms steenrijk terug. Een man die met een Chinese partner een textielbedrijf begon, leidt Bram rond door zijn grote huis. Zambianen kunnen in eigen land niet op tegen de Chinese concurrentie, zegt hij, en daar zou de overheid iets aan moeten veranderen. Het zou volgens hem veel helpen als buitenlandse ondernemers net als in China verplicht zouden worden een Zambiaanse partner in de arm te nemen.

De vicepresident van het land erkent dat er problemen zijn. Chinese boeren verdringen de Zambianen, er wordt gesjoemeld met werkvergunningen, alle winst verdwijnt naar China. Werken is alles wat de Chinezen doen, zeven dagen per week, en ze eisen hetzelfde van hun Zambiaanse personeel. De oude communistische vriend heeft feitelijk kapitalisme in zijn puurste vorm in het land geïntroduceerd.