En nu Europa in

Maarten van Bracht

De verfilming door de VPRO van de historische bestseller In Europa is uitgedraaid op een crossmediaal megaproject. Alleen al de documentaireserie beslaat 35 delen. Per aflevering staat een locatie en een jaartal centraal. De onderneming wordt gedragen en toegelicht door Geert Mak en filmmaker Roel van Broekhoven.

Maarten van Bracht,

Dit artikel verscheen in 2007 in VPRO Gids #45 (10 november t/m 16 november).

Het onderhoud vindt plaats in de pronkkamer van Geert Maks uitgeverij Atlas, uitgerust met fraaie schouw en weelderige plafondschildering. De schrijver is stipt op tijd, de filmmaker laat op zich wachten; hij probeert hardnekkig per auto tot de hoofdstad door te dringen.

Dat biedt gelegenheid om de cellofaantjes van een stapel In Europa-scheurkalenders voor het jaar 2008 af te stropen. Toch is het pas begin oktober. ‘Ja,’ pretoogt Mak, ‘die scheurkalenders, dat is een krankzinnig hoekje van de boekenmarkt. Je moet alles binnen twee, drie maanden verkopen, na half januari wacht de pulpfabriek.’

Het betreft een bundeling van reisimpressies die in 1999 dagelijks op de voorpagina van NRC Handelsblad verschenen. Want zo is het begonnen: Mak reisde een jaar door Europa om in miniatuurtjes de balans van de 20ste eeuw op te maken. Dat ontaardde in zijn vuistdikke bestseller In Europa. Reizen door de twintigste eeuw (2004), die nu in 35 delen van 35 minuten is verfilmd.

Geert Mak: ‘Het idee stamt uit 1994, toen ik Travels with Charley van Steinbeck las. Die was per camper door de States getrokken, ‘in search of America’. Een Duitse journalist zei me laatst dat hij bij In Europa steeds aan dat boek moest denken – hij is de eerste die het geraden heeft. Op zo’n manier reizen leidt tot een bepaalde manier van kijken, je bent “spion des konings”, dat wil zeggen een spion van de koning-lezer. Een oervorm van journalistiek; je peilt de stemming. Hoe ligt het continent er aan het eind van de eeuw bij? Aan een boek dacht ik toen nog niet.’

Stukjes van 220 woorden, was dat geen keurslijf?
‘Het is een sport! Elke dag op de voorpagina, het mooiste wat er is voor een journalist. Eerst was ik bloednerveus, na een maand had ik de vorm te pakken en na een half jaar wilde ik niks anders meer. Ik besefte ook dat het een boek moest worden, maar dat is toch wat anders, iets van de lange adem. Dus van die stukjes heb ik later hooguit een enkele alinea gebruikt – leuk trouwens om ze nu als kalender terug te zien. Maar ik had veel meer materiaal dan ik in die stukjes kwijt kon, en dacht dat er wel behoefte was aan een geschiedenisachtig boek over Europa. Toen ben ik weer gaan schrijven, lezen en reizen.’

Sloeg de paniek niet toe toen In Europa enorm dik dreigde te worden?
‘Nee, geen moment. Ik werd een machientje dat maar doorrolde. Wel kreeg ik tijdens de reis de ziekte van Lyme, een infectieziekte waardoor ik nauwelijks kon lopen, heel pijnlijk. Toen heb ik in Nederland nog een maand aan het infuus gelegen. Het werd een kwestie van doorzetten, en onderweg zocht ik verlichting. In Nederland massages, in Finland baden, in Frankrijk kruiden, in Oostenrijk Holzhacker Franz, een soort balsem. Daarna kon ik op volle kracht door. Overigens heeft de krant me steeds gesteund. Het heeft ze heel wat geld gekost, al reisde ik niet duur en zat ik niet in chique hotels.’

In Europa verscheen in 2004. Hoe valt het onverwacht grote succes te verklaren?
‘Ik dacht toen alleen maar: De eeuw van mijn vader uit 1999 is een succes, ik kan me nu wel een dik boek over Europa permitteren dat minder goed loopt. Het succes heeft me overrompeld, ook het feit dat het boek echt gelezen werd. Ik hoorde van kamperende vrienden dat je die zomer op sommige campings tent na tent mannen dat boek zag lezen – ja, vooral mannen. Er was dus behoefte aan, ook een gevolg van het feit dat het geschiedenisonderwijs de laatste decennia slecht was georganiseerd. De meesten hebben hapsnap-onderwijs gehad. Er zijn veel jonge lezers die de gaten in hun kennis willen opvullen. En verder heb ik goed gelet op compositie en leesbaarheid.’

En dan ook nog een verfilming. Was Mak moeilijk over te halen?
Roel van Broekhoven
, documentairemaker en eindredacteur van In Europa: ‘Helemaal niet, integendeel. Toen ik In Europa las dacht ik: wat een filmisch boek, deze manier van werken lijkt op wat ik bij VPRO-buitenlandrubriek Diogenes gewend was. Dus je gaat uit van mensen, ook zogenaamd gewone mensen, wat hen overkomt en hoe ze daar mee omgaan. En dat staat model voor wat veel anderen ook is overkomen. Geschiedenis terugbrengen tot menselijke proporties; je moet verhalen vertellen. In Europa is ook veel universeler dan alleen maar een geschiedenisboek. Ik ken Geert trouwens al van toen wij samen bij de VPRO radio werkten.’

Aha, dat gaf natuurlijk de doorslag?
GM: ‘Dat niet, maar het is prettig als je elkaar al kent en vertrouwt. Maar de geschiedenis van het boek ligt wel deels bij de VPRO radio. Daar leerde ik namelijk documentaires maken: je moet ergens heen, er bovenop zitten met je microfoon. Je leert hoe je moet componeren. De opbouw van In Europa is als van een documentaire, ik denk dat Roel dat herkend heeft. Bij mij zijn het twee dingen: de radiotechniek en het korte bericht van het dagblad. Op een krantenredactie leer je compact te schrijven, bij radio namens de luisteraar kijken en dat beschrijven.’

RvB: ‘Wat dat betreft denk ik dat onze smaken overeenkomen. We zijn verder geen hartsvrienden, maar bleven elkaar na de radio regelmatig zien.’

GM: ‘En ik zag natuurlijk wat Roel maakte. Ik dacht: als ik het één iemand kan toevertrouwen, is het Roel. Hij heeft genoeg geschreven om te weten wat mijn problemen zijn, en ik weet door het radiomaken wel ongeveer welke de zijne zijn. Scheelt een hoop fricties.’

Krijgt u niet genoeg van steeds maar dat onderwerp Europa?
GM: ‘Maar Europa is geen kortstondig itempje, het is het belangrijkste proces dat we momenteel doormaken! Ik voorspel dat de Europese eenwording later prominent in de geschiedenisboeken staat, en niet die zogenaamde tsunami van moslims. “Europa” is een zeer ingrijpend proces, bepalend voor hoe regeringen met elkaar omgaan: niet meer op basis van machtsexpansie, maar samenwerking. De Europese Unie lijkt suf, maar historisch gezien is het een ongekende doorbraak in de Europese verhoudingen. Mogelijk loopt het EU-proces de komende jaren vast, maar deze nieuwe, supranationale manier van omgaan tussen de naties is een verworvenheid. En de rest van de wereld kijkt met grote interesse toe: het kan wel eens dé sleutel zijn voor de aanpak van mondiale vraagstukken als het wereldklimaat.’

Hoe verfilm je In Europa?
RvB: ‘Het was wel even zoeken naar de vorm. Eerst zouden het twaalf afleveringen worden; het gaat om twaalf hoofdstukken en twaalf maanden. Dat bleek niet haalbaar. Toen wilden we vier films van anderhalf uur, maar hoe moet je die eeuw in vier blokken van 25 jaar persen? Kwamen we toch terug op het uitgangspunt, de techniek van het verzamelen van mensen met verhalen. Kleine verhalen met een weidse strekking. Toen werd het 35 keer 35, want zo lang duurt een televisieseizoen tegenwoordig. En elke film is een jaartal: 1900, 1906, 1914, enzovoort.’

Geert Mak moest in beeld?
RvB: ‘Daar was hij niet happig op. Geen Attenborough die de kijker meetroont naar de volgende scène. Maar als verteller, in voice-over, is Geert nadrukkelijk aanwezig. Niet gebruikelijk in de VPRO-documentaireschool, dus dat is misschien even wennen. En aan het begin van elke aflevering is Geert een minuut in beeld met een historische inleiding: waar waren we gebleven, hoe nu verder.’

GM: ‘Als dagbladjournalist moet je jezelf niet opvoeren, maar hier ontkom je er niet aan. Je bent nu eenmaal een verbindende lijn in het geheel, zowel in het boek als in de film. Anders hangen die documentaires als los zand aan elkaar.’

De film volgt het boek helemaal?
RvB: ‘Dezelfde locaties, maar er zitten veel nieuwe personen in. Geert werkt in het boek veel met schrijvers die al lang dood zijn – het zit vol met citaten, brieven, dagboeken – maar op film wordt dat snel saai dus daar moesten levende personen voor in de plaats komen die een verhaal konden vertellen. Dat was vaak lastig en lang zoeken.’

GM: ‘Maar het is echt een aanvulling op het boek geworden, zowel visueel als inhoudelijk. Andersom ook: na de televisieserie geeft het boek meer verdieping, analyse. Ik had nooit gedacht dat ook dit project zo uit de klauw zou lopen, maar ik vind het fantastisch.’

Op schema?
RvB: ‘Nee, we liggen hopeloos achter, maar dat schijnt zo te horen bij dit soort producties. Na aflevering 18 ofwel 1944 moet het allemaal een stuk sneller kunnen.’

U komt in het boek steeds weer terug in Duitsland.
GM: ‘Duitsland is de motor van de 20ste eeuw. Zoals Frankrijk dat was van de 18de en Engeland van de 19de eeuw. Mijn route leek op een soort krakeling, maar het centrale punt was Berlijn. In mijn hotel daar had ik een eigen kastje met boeken, een soort voorpost. Duitsland was begin vorige eeuw economisch heel sterk en vernieuwend, maar ook een jong en instabiel land. Het moest zijn balans nog vinden in Europa. Bismarck was nog wel verstandig, maar onder Wilhelm II begon de ellende. Enfin, je zou kunnen zeggen dat die onrust, met hulp van Amerika, uiteindelijk is gedempt in de Europese Unie.’

Waarom worden hier zo weinig historische overzichtswerken geschreven?
GM: ‘Toch begint het hier wel te komen. Bijvoorbeeld het boek van Auke van der Woud over de 19de eeuw, een magistraal overzichtswerk [Een nieuwe wereld, inmiddels winnaar van de Historisch Nieuwsblad/Volkskrantprijs, red.]. We hadden natuurlijk Huizinga. En Loe de Jong, bijvoorbeeld Voorspel, over de periode 1900-1940. Dat leest als een trein. Het gaat denk ik om twee dingen: je moet je van een beroepsgroep niet te veel aantrekken – zelf ben ik afkomstig uit de journalistiek en heb me nooit zo op Nederlandse geschiedschrijving gericht, wel op de angelsaksische. Mijn voorbeelden zijn John Lukacs, Eric Hobsbawm, die veel over Europa schrijven.

'Ten tweede: voor een overzichtswerk moet je de tijd hebben. Maar de academische druk is hier hoog, en publieksgeschiedenis heeft een lage prioriteit. Het zijn haast allemaal gepensioneerde hoogleraren die zulke boeken schrijven. Maar nu we hebben Arie van Deursen, Piet de Rooy, noem maar op.

'Als buitenstaander in de geschiedschrijving houd ik me steeds voor: als ik iets niet weet, weet vermoedelijk negentig procent van de lezers het niet. Ik houd mezelf als norm aan, en een paar vrienden en familieleden. Zit je alleen maar in die historische beroepsgroep, dan weet je vaak niet wat de mensen bezig houdt en wat ze wel en niet weten.’

De publieke omroep heeft het buitenland afgeschaft.
RvB: ‘Er wordt wel gesproken over een buitenlandprogramma, maar er is geen geld voor. Een buitenlandrubriek is te duur, heet het, en wordt altijd minder bekeken.’

GM: ‘Voor buitenland kijk ik veel naar de Belg. De publieke omroep hier schiet in dit opzicht tekort. Maar er is nog zoiets als een publieke zaak, het is een kwestie van beschaving! En niet alleen van consumenten en kiezers tellen. Voor een publieke omroep hoort succes wat anders te zijn dan voor een commerciële. Maar ik denk dat het tij aan het keren is. Of we nu veel of weinig kijkers trekken, het moedige van de vpro is dat ze met In Europa het riscico durven nemen.’

RvB: ‘Zonder Geert Mak en het succes van zijn boek zou een voorstel om een dergelijke serie te maken kansloos zijn geweest.’