O'Hanlons helden

De vader van Stalin

O'Hanlon laat ons kennismaken met zijn helden uit de negentiende eeuw, de tijd waarin hij zelf het liefst geboren had willen zijn. In de zesde aflevering van het eerste seizoen reist O'Hanlon de ondekkingsreiziger Nikolaj Przewalski (1839 - 1888) achterna. Przewalski was een Russisch militair die het leger haatte en liever expedities dwars door Centraal-Azië maakte. Als eerste westerse wetenschapper beschreef hij het landschap, de flora en de fauna van die uitgestrekte regio en ontdekte onder meer het naar hem vernoemde przewalskipaard.

Tekst en foto's: Jonathan Maas,

De vader van Stalin

Nikolaj Przewalski (1839 - 1888)

Nikolaj Przewalski is 68 en woont in een grauwe flat in Moskou. Hij is een broodmagere man met een vriendelijk gezicht, scherp aftastende blik en ingevallen, benige wangen. Zijn hoekige schouders gaan gehuld in een overhemd, gestoken in een hoog opgetrokken spijkerboek. Hij is de achterneef van Przewalski, de ontdekkingsreiziger uit de negentiende eeuw die toevallig ook Nikolaj heet. Deze Przewalski leefde van 1839 tot 1888 en bracht als eerste westerse mens Centraal-Azië in kaart, niet alleen topografisch maar ook de flora en fauna die je er aantreft. Het wilde paard dat zich er ophield, kreeg zijn naam: het Przewalskipaard, in ons deel van Europa waarschijnlijk bekender dan zijn ontdekker. De achterneef eert de ontdekkingsreiziger met een speciaal voor hem ingerichte kamer, waar landkaarten aan de muur hangen die de gebieden aangeven waar Przewalski zijn expedities uitvoerde. Daarnaast foto’s van het reislustige familielid. Het valt onmiddellijk op: dat gezicht, dat kennen we. Beetje vierkant, gezet, boertig en plomp. Een onderkin en een snor. Koele blik. Sprekend Stalin, leider van de voormalige Sovjet-Unie. Maar die man aan de muur is niet Stalin, het is Przewalski.

Ludmilla Konstantinove, O'Hanlon, Nikolaj Przewalski

mountainbike

De mare luidt dat de twee aan elkaar verwant zijn; Stalin zou de kleinzoon zijn geweest van de Przewalski uit de negentiende eeuw. Dat zou achterneef Nikolaj Przewalski uit Moskou familie maken van de nazaten van Jozef Stalin. Achterneef Nikolaj hoeft niet zo nodig op expeditie. Wel gaat hij een paar keer per week op de mountainbike naar de universiteit, waar hij doceert als biochemicus. Zo blijft hij in conditie en in shape – er komt geen grammetje bij. Laatst hield hij een lezing voor een groep geneticastudenten, vertelt hij in de keuken, waar hij samen met zijn vrouw Ludmila Konstantinova koffie en thee met zoetigheid en soep met brood voor ons staat klaar te maken. Zijn vrouw is een jaar jonger en ook biochemicus. Ze is zorgvuldig gecoiffeerd, vers geverfd, draagt een donkerbruin broekpak en heeft een nylon sjaal om haar nek geslagen. Na zijn lezing was er een vragenronde, vervolgt Nikolaj. Hij verbaasde zich erover dat geen van de geneticastudenten begon over misschien wel het meest opzienbarende dna-gerucht in Rusland: dat de man die voor hen stond familie was van Josef Stalin. Dus deed hij het zelf; hij liet de studenten weten verwonderd te zijn dat niemand hiernaar vroeg. De reactie van de studenten: ‘wie is Stalin?’ Geen van de jonge Russen in de klas wist wie de voormalige leider van hun land was, de man die de geschiedenis veranderde en hun opa’s en oma’s de dood in joeg; de naam kwam niet eens bekend voor. Ludmila Konstantinova vindt het eigenlijk wel vermakelijk. ‘Het is maar beter dat jonge mensen niet meer weten wie hij is,’ vindt ze. ‘Zo’n sympathieke man was het niet.’

Tegenwoordig, zo lijkt het, weten we steeds minder van de wereld. Russische studenten kennen hun klassieken niet meer; ze zijn onwetend over de mannen die hun land en het wereldtoneel hebben veranderd. Onze kennis wordt oppervlakkig.

oppervlakkig

De anekdote is ook exemplarisch. Nikolaj Przewalski, de ontdekkingsreiziger, was leergierig. Hij studeerde veel en wilde méér weten, het liefst door zijn neus uit de boeken te halen en op stap te gaan. Hij ging op pad, op zoek naar het nog onbekende en onontdekte. Tegenwoordig, zo lijkt het, weten we steeds minder van de wereld. Russische studenten kennen hun klassieken niet meer; ze zijn onwetend over de mannen die hun land en het wereldtoneel hebben veranderd. Onze kennis wordt oppervlakkig, gebaseerd op de algoritmes van Google waarbij alleen populaire informatie, dat wat we eigenlijk al kennen, boven drijft boven en blijft circuleren. Ondertussen is reizen stukken makkelijker geworden dan in de tijd van Przewalski; de moderne mens legt gemiddeld grotere afstanden af dan de ontdekkingsreizigers uit de negentiende eeuw, hij vliegt van hot naar her. Maar niet om nieuwe werelden te ontdekken, om zich te laten verrassen of om avonturen te beleven. In tegenstelling tot Przewalski zoeken we het liefst naar het bekende.

Iemand die dit kan weten is Rashid Velemeev, eigenaar van een onlinereisbureau, die we in Sint-Petersburg hebben ontmoet en ons vergezelt op onze reis naar Moskou. We wachten met de filmcrew op de nachttrein. Het is half 12 ’s avonds als de trein naar Moskou, die daar zo’n acht uur over doet, het station komt binnenrijden. Het personeel houdt als Russische soldaten halt bij de coupés, streng in het gelid, in lange jassen en hoge petten in dezelfde kleur als het treinstel: donkerrood. Onder de uniforms aftands schoeisel, op een vrouwelijk personeelslid na, zij draagt stilettohakken. De filmcrew haalt herinneringen op aan smerige treintoestellen uit sovjettijden waar je met z’n zessen of achten in stapelbedden in een coupé lag en de slaap niet kon vatten omdat tot het ochtendgloren luidruchtig werd gekaart – tijden om naar terug te verlangen. Nu is de Russische trein kraakhelder, de coupés zijn luxe en ruim van opzet met aan weerszijde banken die je tot comfortabel bed kunt ombouwen. Op de tafels tussen de banken staan zoete broodjes naast pakken vruchtensap en flesjes water, theeglazen in koperen houders met daarop afgebeeld de bruggen en grachten van Sint-Petersburg. Voor de ramen hangen mosterdgele gordijnen. Reizigers stappen met koffers de trein in, anderen zijn zich al aan het uitkleden in hun coupé, een gezette man zit in zijn onderbroek de krant te lezen. Als de trein zich in beweging zet, galmt op het perron een oud Russisch lied uit de krakende speakers. Nieuw nationalisme speciaal voor de klant, zegt regisseur Roel van Broekhoven. ‘In sovjettijden sloegen ze je nog de trein in. Deze nieuwe show is omdat er toch iets aan klantvriendelijkheid moest worden gedaan.’

In het café in de trein is op de televisie een kerstshow aan de gang, al leven we begin oktober. Een hysterische Berlinda Carlisle-lookalike – Berlinda Carlisle is een eendagsvlieg uit de jaren tachtig; Rusland oogt op veel plekken als drie decennia terug – hangt er de lokale Linda de Mol uit. Een groepje Russen posteert zich voor de tv, gaat aan de wodka en zit er drie uur later nog steeds, lichtelijk aangeschoten. Nagenoeg alle reizigers zijn inmiddels in diepe slaap. Zo niet Rashid Velemeev, die staat in zijn eentje te roken in een halletje tussen de coupés. In alle rust, met zijn eigen gedachten terwijl de trein in hypnotiserende cadans over het spoor dendert.

reisbureau

Rashid Velemeev is net terug van een zakelijke conferentie in Amsterdam, waar het ging over het gebruik van sociale media in de reisbranche. Hij is er kritisch over, vindt sociale media maar een ‘zeepbel’. ‘Wanneer je in het echte leven mensen op Facebook-achtige wijze zou volgen, zou dat erg eng en bedreigend zijn,’ zegt hij. ‘Ik houd meer van fysieke omgang.’ Toch ziet hij kansen voor zijn reisbureau. Het is zijn ambitie de virtuele wereld waarin mensen achter hun scherm zitten te verbinden met de fysieke wereld van het reizen. Hoe? ‘Mensen zouden goede reisideeën kunnen pitchen op een site, bezoekers van de site kunnen die ideeën liken en er donaties voor doen om de reis in het echt mogelijk te maken,’ legt Rashid uit. ‘We maken er een maandelijkse wedstrijd van, degene met het winnende idee krijgt de door hemzelf gesuggereerde reis aangeboden met de vergaarde donaties. Vervolgens moet de reiziger een recensie over de trip schrijven.’ Idealistisch, of vooral een gat in de markt? Reizen is tenslotte een miljoenenindustrie geworden, het heeft weinig meer van doen met de romantiek van het negentiende-eeuwse ontdekkingsreizen. Ook Rashid wil geld verdienen door de klant te geven wat hij wil. ‘Er is een paradigmaverschuiving ten opzichte van het reizen van vroeger. In de negentiende eeuw waren er witte vlekken op de kaart, gebieden die ontdekt moesten worden. Dat bracht risico’s met zich mee. Tegenwoordig valt er weinig meer te ontdekken, mensen hebben een overvloed aan mogelijkheden wanneer ze willen reizen. Ironisch genoeg zoeken ze daarbinnen juist naar het bekende. Bij Rusland denken mensen aan rode kaviaar, wodka en matroesjka’s. Dat beeld willen ze bevestigd zien wanneer ze in Rusland zijn. Een beetje avontuur kan, zolang de risico’s beperkt zijn. Mensen willen het bijzondere maar kiezen het veilige.’

Rashid vertelt dat het hem een leuk idee lijkt zijn toeristische klanten bij aankomst in een land te blinddoeken en ze vervolgens een totaal andere kant van het land te laten zien. Zakelijk geen goed idee, weet hij zelf. Geen hond die dat wil. ‘We leven in een wereld van agressieve marketing, die dicteert wat je moet willen en waarnaar je moet verlangen. Mensen zijn totaal afgestompt. Ik moet als ondernemer mee in die marketing om financieel te overleven. Ik ben onderdeel geworden van die wereld. Toch hoop ik dat er een niche bestaat waarin het mogelijk is om geld te verdienen met authenticiteit. En dat er achter een Facebook-like iets echts en waardevols kan bestaan. Ik blijf ernaar zoeken.’

legertrucs

Theater van het Russische Leger

Zeg je Rusland, dan zeg je communisme, althans degenen die nog weten wat dat is en wie Stalin was. De reiziger die het communistische Rusland van weleer wil zien en zijn verwachtingen bevestigd wil hebben, komt in Moskou aan zijn trekken. Eenmaal aangekomen in de hoofdstad zetten we koers naar het Theater van het Russische Leger. Een gewoon theater waar nu gewone, klassieke stukken worden opgevoerd, maar in de tijd van Stalin werd gebruikt voor propaganda, met stukken die de oorlog verheerlijkten. Het theater moest groot genoeg zijn om levensechte legertrucs het podium op te krijgen.

Nou, groot is het. Het theater is immens en doet eerder denken aan een parlementsgebouw dan aan een plaats waar kunst wordt opgevoerd. Bij binnenkomst geen vriendelijke, charmante dame die je kaartje controleert, maar een militante Russische versie van wijlen Sugar Lee Hooper, eentje voor wie je het beste bang kunt zijn: een stevig uit de kluiten gewassen vrouw met kort grijs haar, dikke onderkin en borsten die tot haar schoot reiken. Ze is getooid in een figuratief, paars gewaad en haar gezicht staat in de don’t mess with me-modus. Ondanks de vrolijke lambada waarmee haar telefoon rinkelt, blaft ze mensen af door de hoorn.
Zo imposant als het theatergebouw van buiten is, zo groezelig en vervallen is het binnen. Kozijnen zijn compleet afgebrokkeld, verf bladdert van de muur en er zitten scheuren in de muren.

opa stalin

Alexander Vasilivitsj Burdonsky

Het wachten is op Alexander Vasilivitsj Burdonsky, kleinzoon van Jozef Stalin. Hij is theaterregisseur, vandaag jarig en als klap op de vuurpijl gaat zijn nieuwe stuk vandaag in première, een bewerking van De meeuw van Tsjechov. Burdonsky en de achterneef van Przewalski hebben een paar jaar geleden een dna-test laten uitvoeren om een einde te kunnen maken aan de speculaties: zijn de twee befaamde Russische families genetisch verwant of niet? Het bleek niet zo te zijn. Over Przewalski gaat ook het gerucht dat hij homoseksueel was, en Burdonsky lijkt, ironisch genoeg, de mannenliefde te hebben uitgevonden. Als een diva begroet hij ons, leidt ons door het theater en poseert voor de camera. Met veel melodrama geeft hij aan dat alleen zijn linkerkant in beeld mag. Zijn dunne benen en zware bovenlijf zijn gehuld in existentialistisch zwart, zijn haar is met veel vet naar achter gekamd. Hij steekt de ene sigaret na de andere op en rookt met losse, hangende pols. Hij begint over zijn jeugd te vertellen, als kleinzoon van een massamoordenaar (onder het regime van Stalin kwamen 20 tot 40 miljoen mensen om). Burdonsky heeft opa Stalin nauwelijks meegemaakt, kent hem in ieder geval niet intiemer dan enige andere Rus uit die tijd. Hij stond met zijn ouders langs de kant als Stalin toespraken hield op het Rode Plein, meer zat er niet in. Een intieme band was niet mogelijk met de man die veel te druk was met het bouwen aan zijn imperium. Kinderen en kleinkinderen lieten hem koud, Burdonsky’s vader was zelfs bang voor zijn eigen vader.

Na Stalins dood werd de situatie voor het gezin grimmig. Burdonsky’s ouders scheidden, zijn vader moest voor acht jaar de gevangenis in omdat hij officier was geweest in het leger van Stalin. Het was vooral zaak je koest te houden. Familie zijn van Stalin was geen pre, hij had beter de genen van Przewalski kunnen dragen. Burdonsky heeft veel bewondering voor Przewalski en heeft veel over hem gelezen. ‘Hij was bezeten van het verkennen van de wereld en ging er totaal voor. Hij wilde iets ontdekken en dat met mensen delen.’

‘De rijkdom aan dieren grenst aan het ongelofelijke. Ondanks het ongunstige klimaat, ondanks het feit dat deze streken door de natuur stiefmoederlijk behandeld zijn, leven hier massa’s dieren die slechts doordat ze van weidegrond naar weidegrond zwerven hun armzalig leven kunnen slijten. Koude noch stormen, voedsel- noch watergebrek schijnt hun vermenigvuldiging te verhinderen.’

the great game

Het verhaal van Przewalski begint op 13 april 1839, wanneer hij het levenslicht ziet als oudste zoon van ouders die tot de lagere Russische adel behoren en een landgoed bezitten in de buurt van Smolensk. Przewalski gaat naar het gymnasium, haat leren maar haalt toch goede cijfers dankzij zijn fotografisch geheugen. Na de dood van zijn vader trouwt zijn moeder opnieuw, maar met zijn stiefvader kan Przewalski niet overweg, wel met zijn oom Pavel, die bij het samengestelde gezin in huis woont. Pavel brengt Przewalski de liefde voor dieren en het jagen bij. Na zijn schooltijd gaat Przewalski het leger in en komt op verschillende standplaatsen terecht. Aan de voet van de Karpaten besluit hij in 1860 ontdekkingsreiziger te worden. Aan de Academie van de Generale Staf kan hij geschiedenis en natuurwetenschappen gaan studeren, leert over geografie, landmeetkunde, navigatie en astronomie – kennis die van pas komt bij het ontdekkingsreizen. In 1867 begint hij aan zijn eerste expeditie, het verkennen van het gebied rond de rivier Ussuri en het Chankameer, tot aan de grens met China. Net als bij latere expedities in Centraal-Azië, krijgt hij het benodigde geld voor zijn reis van commissies en autoriteiten die willen dat hij onbekend gebied in kaart brengt voor militaire doeleinden; ze willen van hem informatie over de grenzen van omringende landen, de inheemse bevolking en de routes over land en water aldaar. Op de achtergrond speelt namelijk The Great Game, een periode waarin de Russen en de Britten elkaar beconcurreren om politieke, economische en militaire invloed over Centraal-Azië. Przewalski wordt daarin ongewild een schakel, maar hij heeft meer interesse in het ontdekken van de plaatselijke flora en fauna. In 1879 schrijft hij, reizend door Mongolië:

De rijkdom aan dieren grenst aan het ongelofelijke. Ondanks het ongunstige klimaat, ondanks het feit dat deze streken door de natuur stiefmoederlijk behandeld zijn, leven hier massa’s dieren die slechts doordat ze van weidegrond naar weidegrond zwerven hun armzalig leven kunnen slijten. Koude noch stormen, voedsel- noch watergebrek schijnt hun vermenigvuldiging te verhinderen.

Het is Przewalski’s derde expeditie in Centraal-Azië. Hij reist met zijn gevolg, bij voorkeur zestienjarige jongens aan wie hij liefdesbrieven schrijft, zo blijkt later, op kamelen door de eenvormige steppe van Mongolië. Het is tijdens deze reis dat hij het wilde paard ontdekt dat nu zijn naam draagt. Przewalski is een man van de natuur. Hij heeft niet veel op met mensen; de Chinezen en de Mongolen komen er niet best af in zijn reisverslagen. Hij noemt ze lui, vies en onbetrouwbaar, en dit zijn nog maar enkele van de weinig vleiende kwalificaties waarmee hij hen beschrijft. Voor planten en dieren toont hij meer liefde. Over het wilde paard schrijft hij:

Het zijn montere diertjes, heel schuw, met scherpe reukzin, oog en gehoor. Ze verblijven bij voorkeur in de wildste streken en zijn moeilijk te besluipen. Gedurende mijn verblijf aldaar kwam ik slechts twee kudden tegen. Mijn metgezel en ik schoten op de kudden, maar zonder resultaat.

Het lijkt curieus: genieten van de plaatselijke fauna en die het liefste neerschieten. Toch is dat heel normaal voor een Rus. Op de dag dat het jachtseizoen wordt geopend rijden we het dorp Sloboda binnen, onder de rook van Smolensk,

Przewalski’s geboorteplaats. In Sloboda heeft Przewalski de meeste tijd doorgebracht wanneer hij niet op reis was. Hier staat zijn huis, na de Tweede Wereldoorlog herbouwd en tegenwoordig museum. Het dorp draagt tegenwoordig zelfs zijn naam: Przewalski. Het is zaterdag 15 oktober, iets boven nul, waterkoud en er waait een snerpende wind. Vanaf vandaag tot en met 15 januari mag worden geschoten op elanden,  de rest van het wild mag tot 1 maart worden afgeschoten. Behalve wolven, die mag je het hele jaar door schieten. Met een legertruc hobbelen we over een Veluwe-achtig landschap, in een bescheiden konvooi van twee wagens vol met jagers. Aan de horizon doemen grote pijpen en rookpluimen op: industrie. Na twintig minuten houdt de truc stil en worden we het bos in gestuurd. Het begint zachtjes te sneeuwen. De instructies van de jagers, grote ruige kerels in legerkleding en met dikke wollen mutsen en petten op, luiden: mond dicht, stil staan en geen geluid maken. Misschien een voor de hand liggend bevel, maar moeilijk uitvoerbaar wanneer je een halve dag in de kille wind moet wachten op wild dat niet komt. Oersaai en stervenskoud; de dubbele laag thermokleding helpt niet tegen tandengeklapper.

Het is doodstil, op bladergeritsel door de wind, hondengejank en schreeuwende, drijvende jagers na. De jachtopziener Valentin Konstantinovich heeft er geen problemen mee om een halve dag roerloos en stil tussen de bomen te staan, in opperste concentratie en met stoïcijnse blik, het geweer in de aanslag – business as usual voor de jagers hier. Valentin zegt dat hij en zijn jagersvrienden een op de drie keer zonder buit huiswaarts keren. Hebben ze beet, dan wordt het getroffen dier dezelfde dag verorberd bij kampvuur in het bos. De jagers waren vandaag positief gestemd omdat ze vanochtend vroeg verse sporen van wolven hadden ontdekt, en dus zijn er tassen met boodschappen meegebracht voor la grande bouffe met de Nederlandse pers.

Nu blijft het bij een maaltijd met paprika, kaas, uien en eieren; anders slechts het bijgerecht bij de ingewanden van de geschoten buit. Naar gebruik worden namelijk het hart en de lever meteen uit het dier gesneden en gegrild, van de rest van het beest maakt men thuis gehakt. De jagers zijn zwaar teleurgesteld dat er vandaag niets is geschoten en het verdriet wordt met grote hoeveelheid wodka verdronken. Op paarse plastic klapstoeltjes zitten ze om het vuur, midden in het bos. De jagers met hoge functies in het maatschappelijk leven, nu of vroeger, praten met ons. De een is ex-burgemeester van Smolensk, de ander heeft voor Economische zaken gewerkt, een volgende is schrijver. Voor de jagers die lager op de maatschappelijke lader staan is er geen plastic stoeltje en wanneer ze zich tot ons richten wordt deze conversatiepoging bruut geïnterrumpeerd; dit voorrecht is voorbehouden aan de elite. De jagers zijn bekend met Przewalski, hij staat voor hen symbool voor de man van het vrije leven, met liefde voor de natuur. Mannen zoals zijzelf dus.

‘Death is the regeneration of new life’ schreef hij rond 1860, toen zijn expedities nog moesten beginnen. ‘The death of the individual is an unimportant event in the life of the species of that type.’

museum

De natuur en de jacht – dat was het helemaal voor Przewalski. ‘Death is the regeneration of new life’ schreef hij rond 1860, toen zijn expedities nog moesten beginnen. ‘The death of the individual is an unimportant event in the life of the species of that type.’ Vervolgens schoot hij weer op een vogel of een hert. Of Przewalski hier met zijn pennenroerselen refereert aan het leven van dieren of aan leven in het algemeen, dat van mensen incluis, is niet helemaal duidelijk. De relativering van de waarde van leven ligt in ieder geval gevoelig voor de 57-jarige Vladimir Petrov en waarschijnlijk voor meer Russen in het dorp Przewalski/Sloboda, waar Petrov woont. Het is net als Petrovs leven doortrokken van oorlog; de nazi’s hebben het in de Tweede Wereldoorlog kapotgeschoten en platgebombardeerd, ook van het huis van Przewalski was niets meer over. Na de oorlog begon de wederopbouw en ontstond, uit een gevoel van trots dat de Russen de oorlog hadden gewonnen, belangstelling voor de eigen cultuur en geschiedenis. De dorpsbewoners herbouwden het huis van hun oude held Przewalski tot een museum, en de familie van de ontdekkingsreiziger schonk spullen uit de privéverzameling.

Kennelijk wordt het pronkstuk van het dorp goed onderhouden want het landgoed ligt er opvallend mooi bij, idyllisch tussen bomen en een plas, maar met de vers geverfde pastelroze buitenkant oogt het een beetje à la Walt Disney. Het steekt nogal af tegen de rest van het dorp, vervallen houten huizen waar de verf van afbladdert, totaal ingestorte huizen en lege panden van voormalige winkels of stations. Aan elk huis hangt een tv-schotel. De Sovjetstraat is de hoofdweg van het dorp. Een man zit eenzaam op een bankje, een groepje jongens met bomberjacks, kort haar en lange matten in de nek wandelt voorbij. Een visser fietst langs, aan zijn stuur een emmer met de vangst van de dag. Uit een oude rode Lada pompt een harde beat. De huizen hebben allemaal een tuin, die behalve voor het verbouwen van groenten en fruit vooral wordt gebruikt als opslagplaats voor vergane fietsen, motoren en ander schroot. In een van de tuinen staat een legertruc, in een andere zijn twee vrouwen met hoofddoek op aan het planten. Een man in legerkleding, met verweerd gezicht en twee gouden tanden, staat er bij te kijken en rookt een sigaret: Vladimir Petrov.

‘De omgang met diverse volken en het zien van verschillende culturen heeft me geleerd respectvol en beschaafd met iedereen om te gaan. Het heeft me vooral bescheidenheid geleerd.'

Vladimir Petrov

omsk

Oorlog heeft Petrovs leven gevormd. Het begon al vroeg. Zijn opa en oma heeft hij nooit gekend, die zijn gestorven in de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader werd als tiener van school geplukt om aan het front te vechten, zijn moeder moest in de Oeral in de defensiefabriek de geweren maken waarmee haar latere echtgenoot moest schieten. Ze overleefden de oorlog, al kwam Petrovs vader er invalide uit terug. Vader was afkomstig uit dit dorp, hij en zijn broer waren de enigen van de 28 mannen die naar het front moesten die uit de oorlog terugkeerden. De familie werd van hekserij beticht. In de jaren tachtig vocht Petrov zelf in Afghanistan. Hij wil er niet over praten, vindt oorlog ‘verschrikkelijk’. Maar het waren, net als bij Przewalski, militaire doeleinden die hem in staat stelden te reizen en wat van de wereld te zien. Na zijn studie aan het radiotechnisch instituut in Minsk kwam hij in 1977 als ingenieur voor Defensie te werken. Hij vroeg een standplaats in Omsk, het zuidwesten van Siberië. ‘De wereld zien was een van mijn dromen. Ik wilde in ieder geval mijn eigen land goed bereizen, want in het Rusland van destijds mocht je niet naar het buitenland als je voor Defensie werkte, je kon over de grens alleen naar bevriende republieken zoals Hongarije. Daar heb ik voor moeten tekenen. De rit naar Omsk ging per trein. Zo heb ik een vierde van Rusland vanuit het raam gezien. Daarna heb ik nog veel reizen in Rusland kunnen maken. De kruising tussen het Europese deel en het Aziatische deel heeft diepe indruk op me gemaakt en de zuidelijke Oeral is onvoorstelbaar mooi.’ Inmiddels mag Petrov vrij reizen, hij zou nu overal naar toe kunnen. Maar zijn moeder is ziek, hij moet voor haar zorgen. Petrov is blij met de reizen die hij heeft kunnen maken. Wat het hem heeft opgeleverd? ‘De omgang met diverse volken en het zien van verschillende culturen heeft me geleerd respectvol en beschaafd met iedereen om te gaan. Het heeft me vooral bescheidenheid geleerd.’