O'Hanlons helden

Het land achter de heuvel

O'Hanlon laat ons kennismaken met zijn helden uit de negentiende eeuw, de tijd waarin hij zelf het liefst geboren had willen zijn. In de zevende aflevering van het eerste seizoen reist O'Hanlon de ondekkingsreiziger Nikolaj Przewalski (1839 - 1888) achterna. In de vorige aflevering bezocht O'Hanlons Przewalski's achterneef in Moskou en in deze aflevering reist O'Hanlon door hedendaags Mongolië.

Tekst en foto's: Jonathan Maas,

Op zoek naar de Yeti

Nikolaj Przewalski (1839 - 1888)

Nikolaj Przewalski (1839-1888), Russische militair die het leger haatte en liever expedities maakte dwars door Centraal-Azië, toen nog een blinde vlek op de kaart. Daarin slaagde hij en hij was de eerste westerse wetenschapper die daar het landschap, de flora en de fauna beschreef. Hij ontdekte onder meer het wilde en later naar hem vernoemde Przewalskipaard. Als reisgezel verkoos hij zestienjarige jongens, die hij liefdesbetuigingen schreef waaruit blijkt dat hij homoseksueel moet zijn geweest. Zijn einddoel was het bereiken van Tibet, maar dat is hem nooit gelukt. Liefde voor gebied waar hij zijn expedities uitvoerde, heeft hij nooit gehad: hij vond de Mongoolse steppe saai en China vies en ook voor de inwoners en hun eten had hij geen goed woord over. In de zevende aflevering van O’Hanlons helden trekken we door Mongolië, in de voetsporen van Nikolaj Przewalski. We vinden er de restanten van de nomadische cultuur die de ontdekkingsreiziger in de negentiende eeuw beschreef. Verder vooral flats, Macbooks, espressobars, hip geklede jeugd en snelwegen in aanbouw.

Ikea. Het eerste dat je ziet bij het verlaten van de Chinggis Khaan luchthaven richting het centrum van Ulaanbaatar is een billboard van het Zweedse woonwarenhuis, dat je tegenwoordig in bijna iedere uithoek van de wereld tegenkomt. Zelfs in Mongolië? – vraag je je dan verbijsterd af. Daar waar men als nomade rondtrekt met een vilten tent?

Ikea. Het eerste dat je ziet bij het verlaten van de Chinggis Khaan luchthaven richting het centrum van Ulaanbaatar is een billboard van het Zweedse woonwarenhuis, dat je tegenwoordig in bijna iedere uithoek van de wereld tegenkomt. Zelfs in Mongolië? – vraag je je dan verbijsterd af. Daar waar men als nomade rondtrekt met een vilten tent? Sjouwen de nomaden tegenwoordig door de steppe met Billy boekenkasten en Beddinge slaapbanken? Nee, de bevolking van Mongolië leeft nog te verspreid om een interessante afzetmarkt te zijn voor bedrijven als Ikea. Nog wel. Maar voor het eerst in de geschiedenis wonen er in Mongolië meer mensen in de stad dan er buiten. Het land is rijk aan grondstoffen zoals bruinkool, steenkool en aardolie en dus interessant voor internationale bedrijven en beleggers. De expats die zich in Ulaanbaatar vestigen willen uiteraard een Ikea-gemeubileerd appartement. En een hamburger van Mc Donalds of de Burger King. Nu nog niet hier te krijgen, maar dat is een kwestie van tijd. Korte tijd. Mensen kunnen zich nu melden bij een ‘mannetje’ in het centrum, wanneer ze op de website van het Zweedse meubelconcern spullen van hun gading spotten. Bij hem doe je je bestelling en vervolgens tijgt hij eens in de zoveel tijd naar China, waar hij het spul vandaan haalt. Niet alleen voor de wensen van de expats, ook de moderne Mongool omarmt het nieuwe moderne leven dat over de hele wereld uniform wordt beleefd.

mongolië

Taal: Mongools
Hoofdstad: Ulaanbaatar
Oppervlakte: 45 keer Nederland
Inwoners: 3,1 miljoen
Regeringsvorm: Republiek
Religie: overwegend Boeddhistisch
Volkslied: Bügd Nairamdakh Mongol
Munteenheid: Tugrik

gratis wifi

De weg naar het centrum van Ulaanbaatar leidt langs huizen, appartementencomplexen, Sovjetachtige flats, hijskranen en gebouwen die zich architectonisch op geen enkele manier tot elkaar verhouden, behalve dat ze toevallig naast elkaar staan. Allemaal beton. Neoklassiek meets communistisch Rusland meets de middeleeuwen – zoiets. Over de kale grond tussen al die gebouwen slingeren bovengrondse pijpleidingen, een brug in the middle of nowhere, waar geen weg naar toe leidt. We banen ons een weg door smog, als we niet vaststaan in de file tenminste. Anderhalf uur spenderen over het afleggen van vier kilometer is hier niet ongewoon, zullen we de komende anderhalve week ondervinden. Eenmaal in het centrum willen we koffie. Sterke koffie. We hebben een nachtvlucht vanuit Moskou achter de rug en we zijn brak. Bij het zien van een espressobar veren we op. De Russische jeep uit en de bar in. Behalve goede Italiaanse koffie is er gratis Wi-Fi. Jeugd in de laatste mode van de H&M en de Zara zit er met witte oordopjes in achter zilvergekleurde Macbook Pro’s aan tafel; te werken aan hun schoolopdrachten of te YouTuben. We slaan het tafereel gade en wanen ons op iedere willekeurige plek. Amsterdam. Berlijn. New York. Maar we zijn in Mongolië. Het is niet door onze jetlag dat we ons hier vervreemd voelen.

Yurts aan de rand van Ulaanbaatar.

honden en roofvogels

Wat zou Nikolaj Przewalski hier hebben aangetroffen in de jaren zeventig van de negentiende eeuw? – de ontdekkingsreiziger die centraal-Azië in kaart bracht. Ulaanbaatar heette toen Urga en de stad bestond uit twee delen: een Chinees en een Mongools deel. In het Chinese deel trof de ontdekkingsreiziger kleine huizen aan, bewoond door handelaren en ambtenaren; in het Mongoolse deel lamatempels en vilten tenten, die yurt of ger worden genoemd. Verder: een marktplein, waar behalve Chinezen ook Russen waar verkochten. Przwalski was onder de indruk van de tempels maar niet van het alledaagse straatleven. Hij vond Urga smerig. In zijn verslagen beschrijft hij hoe de Mongolen hun vuil op straat gooien en hoe bedelaars langs de kant van de weg liggen te creperen. Sommigen liggen zelfs midden op de markt, te wachten op de dood en om te worden verslonden door de honden. Op de begraafplaatsen liggen de lijken open en bloot boven de grond, ook als voedsel voor honden en roofvogels. ‘It would be difficult to picture oneself anything more revolting’, schrijft Przewalski.  

dikke mist

Niet dat de stad nu kraakhelder is. Volgens de gegevens van de Wereld Gezondheids Organisatie is Ulaanbaatar de op één na slechtste stad ter wereld wat betreft luchtvervuiling. De enige stad met een nog smeriger lucht is Ahvaz, zuidwest Iran. Het is zichtbaar: Ulaanbaatar is gehuld in een dikke mist; smog veroorzaakt door industrie, files en de kachels van gewone mensen. Tentbewoners; voormalige nomaden. Om de binnenstad van Ulaanbaatar is namelijk een ring van yurts. Hier wonen de Mongolen die de laatste jaren van het platteland naar de stad zijn getrokken, hopend op werk en inkomen. Veel van hen zijn voormalige herders van wie het vee is dood gevroren in de strenge Mongoolse winters. Daarmee is meteen hun hele levensonderhoud down the drain. In het midden van die tenten staat een kacheltje, waarin men behalve bruinkool alles wat maar branden wil stookt, of het nu plastic, een autoband of poep is. Voor het eerst in de geschiedenis van dit land wonen er meer mensen in de stad dan er buiten. Die trend is overal ter wereld gaande, maar voor Mongolië is het des te opmerkelijk omdat het land bekend staat om zijn nomadencultuur. Die cultuur ligt onder de druk. Behalve dat veel nomaden uit nood geboren naar de stad trekken, zien veel jongeren weinig fiducie meer in een leven als herder op het platteland. De keuze is simpel: met je Macbook bij de espressobar in Ulaanbaatar zitten of buiten moeten poepen naast je vilten tent bij min tien en met de gure wind langs je blote billen. Bij de meesten is de keuze snel gemaakt.

Het kind staat met zijn broek op zijn enkels in de deuropening te plassen. Welkom. Er is douche noch toilet. Iedereen moet zijn behoefte buiten in de vrieskou doen. Voordeel: de drollen bevriezen waar je bij staat.

douche noch toilet

We zijn in het Altai-gebergte; west-Mongolië, ongeveer 1600 kilometer van Ulaanbaatar vandaan, vlakbij de grens met Kazachstan. De bevolking is hier meer gericht op het buurland dan op de rest van Mongolië. Men spreekt Kazach en is islamitisch. In Russische busjes met malafide vering scheuren we door een wildernis met besneeuwde rotspartijen. Hobbelend, rammelend, met onze kop tegen het dak en onze ingewanden die flipperkast spelen. In de valleien staan yurts op een kluitje. Naast iedere tent een zonnepaneel en een satellietschotel. Wij slapen vanavond bij een herdersfamilie die in een stenen huisje woont. De 73-jarige grootvader Kapiya leeft er samen met zijn zoon, diens echtgenote en zijn kleinkind. Het kind staat met zijn broek op zijn enkels in de deuropening te plassen. Welkom. Er is douche noch toilet. Iedereen moet zijn behoefte buiten in de vrieskou doen. Voordeel: de drollen bevriezen waar je bij staat. Zich wassen doet men ‘s ochtends buiten met een keteltje water; alleen het gezicht en de handen. De rest van het lijf boent met eens per week in een teil gekookt water in de huiskamer. Om het huis loopt vee: jaks, geiten en een paard. Behalve drollen liggen er botten van beesten, lege tubes tandpasta, scherven servies, glas en stukken plastic verspreid langs het huis – een beetje zoals Ulaanbaatar er in de tijd van Przwalski uit moet hebben gezien, op de bedelaars na.

Ze eten uit de vuist of slurpen het vlees van het mes. Ik waan me in een aflevering van de Flinstones. De Nederlandse delegatie eet een paar happen uit beleefdheid en stort zich even later op het dessert: een schaal met mandarijnen. Canat moet er om lachen. ‘Jullie eten als geiten, wij als wolven’, is zijn analyse.

vos en wolf

De volgende ochtend trekken we verder. Het busje waar schrijver dezes in zit slaat af en moet worden aangeduwd. Bij het busje waar Redmond O’Hanlon in zit roken de remkabels. Dikke zwarte wolken slaan onder het voertuig vandaan. Onze gids heet Canat en hij weet de verklaring voor dit ongeluk: we kwamen zojuist een vos tegen. Een vos ontmoeten betekent pech voor je wagen, wanneer je een wolf ziet is dat juist goed nieuws. De busjes zijn gelukkig snel gefixt. We kunnen voort. Na eindeloze desolate zandvlaktes en rotspartijen doemt een dorpje op: Buyat. Iedere provincie heeft hier iets van twaalf van dit soort dorpen, waar scholen, ziekenhuizen en politiebureaus zijn en waar overheden zich hebben gevestigd. Kinderen gaan er van hun zesde tot hun zeventiende naar school; nomadenkinderen verblijven hier in kostscholen – in de winter, want in ‘s zomers helpen ze hun families met de veehouderij. Vanaf zeventien jaar is het kiezen: werken of studeren in de stad of een traditioneel herdersbestaan op het platteland. De meesten kiezen voor de stad.

flinstones

Aibek

De volgende familie waar we overnachten zijn eagle hunters. Jagen met een arend op je arm. De familie woont iets ruimer dan de familie waar de nacht hiervoor hebben gespendeerd, maar leeft net zo goed in een compleet desolaat gebied. Aan de muur in de huiskamer hangt een poster van de Blue Wolf Travel Group, ‘specialists in travel to Mongolian Altai’. Het is het bedrijf van Canat, onze gids. De woning fungeert als onderdak voor de jagersfamilie zelf en als hotel voor toeristen zoals wij. De arend is gedomesticeerd. Het beest heeft een kap op zijn kop, zodat het niks ziet en superscherp en geconcentreerd is als het ding er af gaat. Als de jagers tijdens de jacht een vos of een wolf zien, gaat de kap er af en duikt het dier op de prooi, zodat er geen ontsnappen meer is. De jager doodt de buit want als de arend het doet, blijft er van de huid niets over. Mongolen maken daar bonten jassen en mutsen van. De arend krijgt als beloning een reeds overleden haas of konijn. Nu zit de arend van de familie vast aan kettingen in een hok naast de woonkamer. In zijn hok hangt een serie kadavers aan een touwtje: zijn voer. Het vak van eagle hunten gaat van vader op zoon. De vader, Mana, is inmiddels gepensioneerd en coacht zijn zoon Aibek. Die is gekleed in een traditionele ‘del’, een lange overjas met lange mouwen en manchetten die de handen bedekken, om het middel een kleurige zijden sjerp. De jas is gevoerd met bont. Aibek draagt ruige laarzen, op zijn hoofd een muts van vossenbont met flappen tot over zijn oren. Hij is 24 jaar maar oogt ouder door een verweerd en doorgroefd gezicht. Mensen worden hier niet oud, gemiddeld een jaar of vijftig.

Mana en Aibek ontvangen ons gastvrij en de vrouwen in het huishouden zetten ons aan tafel. Geserveerd wordt een schotel met een geitenhoofd. Compleet met de horens er nog aan. De kop is gegarneerd met stukken aardappel en repen pasta. Aibek, Mana en de chauffeurs van onze busjes vallen het gerecht met blote handen en hun zakmessen aan. Ze eten uit de vuist of slurpen het vlees van het mes. Ik waan me in een aflevering van de Flinstones. De Nederlandse delegatie eet een paar happen uit beleefdheid en stort zich even later op het dessert: een schaal met mandarijnen. Canat moet er om lachen. ‘Jullie eten als geiten, wij als wolven’, is zijn analyse. We rollen onze matten uit en duiken met onze kleren aan in de slaapzak. De kolen gloeien langzaam uit, de kamer wordt bitterkoud.

De kliekjes van gisteravond worden met heet water overgegoten en als lunch gesoupeerd: geitenhoofdsoep.

toeristische attractie

De volgende ochtend voert Aibek met twee collega-jagers een ‘arendjacht-show’ voor ons op. De mannen trekken met hun arend de bergen in en sturen de oude Mana met een vossenvel het dal in. Als de camera loopt, gaat de kap van de arend zijn kop. Het dier vliegt met een noodvaart op het vossenvel af. Je kunt wachten totdat er een echte vos aan komt maar je kunt ook snel je geld verdienen en een televisieploeg tevreden stellen met beelden die een traditionele jacht suggereren. Canat weet precies wat voor beelden westerse media van Mongolië willen, hij is vaak met journalisten opgetrokken. Van die kennis profiteert de Blue Wolf Travel Group. De nomadencultuur verwordt langzaam tot toeristische attractie en Canat bouwt er zijn imperium mee op: een eigen huis en een hotel in aanbouw. Ondertussen gaat de 24-jarige Aibek toch nog zo’n drie keer per week op jacht zonder toeristen en tv-ploeg. Hij wil de traditie van zijn vader en grootvader voortzetten en heeft gekozen voor een bestaan op het platteland, als een van de weinigen van zijn generatie.

Een leven in de stad trekt hem niet. Dit bestaan geeft hem meer vrijheid en hij verafschuwt de ‘verleidingen van de grote stad’ zoals ‘roken, drinken en achter de meiden jagen’, verklaart hij. Aibek is islamitisch. Hij denkt niet dat het nomaden- en herdersbestaan op korte termijn verdwijnt. ‘Niet alle jongeren kiezen voor het stadsleven’, zegt hij. Na de show worden de leftovers van gisteravond met heet water overgegoten en als lunch gesoupeerd: geitenhoofdsoep. De staart van de geit, een groot stuk vet, wordt in plakken gesneden en van het mes gegeten. Mijn maag draait om bij de aanblik, uit beleefdheid toch maar weer een hap. Twee tellen later gaat er een handvol Norit achter aan.

Over twintig jaar zullen er nog wel nomaden leven in Mongolië, maar over vijftig jaar zal deze levensstijl een zeldzaamheid zijn, verwacht Canat. Aan de ene kant hoopt Canat dat de westerse beschaving niet te ver oprukt en het traditionele leven kapot maakt, aan de andere kant zorgen betere wegen en vliegvelden ervoor dat grotere groepen toeristen naar het gebied komen, wat meer geld voor Canat betekent.

gat in de markt

Canat, de gids

Canat ziet zijn Nederlandse reisgenoten lijden en brengt ons na een paar dagen naar Ulgiii, de stad waar hij woont. Daar wacht ons een normale maaltijd en een warm bed. Er is zelfs douche met warm water in ons hotel. De douche is elektrisch en de bedrading hangt met tyraps aan de muur. De douchekop bevindt zich pal boven het open stopcontact. Er zijn drie standen: twee met koud water en een derde met warm water - die stand heet ‘inferno’. Onnodig: als het koude water van stand 1 en 2 het stopcontact in loopt, breekt de hel vanzelf wel los. Canat laat hier in de stad een hotel bouwen. In 2013 moet het af zijn. Hij kent de wensen van de westerlingen en ziet alle pijnpunten in de bestaande infrastructuur. Alles wat Canat onderneemt, is een gat in de markt. Ulgii is een provinciestad in ontwikkeling. Er is een vliegveld, er zijn een paar appartement complexen, wat stenen huisjes en verharde wegen. Overwegend bestaat de stad uit onverharde paden en een concentratie yurts, op kavels afgebakend met stenen omheiningen zodat het vee niet weg kan lopen. Uit de schoorstenen cirkelen inktzwarte rookpluimen: uitstoot van bruinkool en koeienstront – een voordelig brandstofmelange. De geur is niet te harden. Honden zwerven over straat, een koe wandelt voorbij en her en der slingeren lege bierflesjes. De jeugd komt net terug van school en gaat modern gekleed in spijkerbroeken en trainingsjassen. Dikke wollen mutsen tegen de kou. Canats huis valt op in het straatbeeld: een stenen huis met twee verdiepingen een soort torentje aan de zijkant, aan de andere kant van het huis zit een schuur. Hij woont er samen met zijn vrouw. Tot voor kort woonde zijn bejaarde moeder bij hem in, afgelopen winter is ze op 87-jarige leeftijd overleden. Voor zijn in Ulaanbaatar studerende kinderen heeft hij een appartement in de stad geregeld.

Het huis van Canat heeft een riante woonkamer en is minimalistisch ingericht. Een zithoek met salontafel aan een zijde, vijftien meter verderop een plasmascherm. Aan de muur hangt een houten beeld van een hertenhoofd, aan het gewei bungelen sleutels met koeienbellen, eronder hangt een geweer. Op de tafel staat eten: dumplings met gehakt, rauwkostsalade, een schoteltje met augurken, stukken meloen en wit brood. Eten dat binnenblijft. Een paar meter van het huis vandaan is het kantoor van zijn toeristisch bedrijf. Canat heeft ook nog vee, die is ondergebracht bij familie omdat hij het te druk heeft met zijn business. Ulgii kent meer dan dit soort slimmeriken die het vee bij familie stallen en er zelf een andere lucratieve handel op nahouden.

per kameel

Mana en Redmond

Canat is 45, geboren en getogen in Ulaanbataar. Onderzoek naar de Mongoolse geschiedenis en cultuur voor de Academy of Science deed hem door het land reizen. Door deze reizen kwam hij op het idee om gids te worden. In 1992 begon hij schrijvers, fotografen en filmmakers door het land te leiden. Het traditionelere Ulgii was een betere plek om een toeristisch bedrijf te runnen dan Ulaanbaatar, dus vestigde hij zich twee jaar later hier. ‘In het zuiden van Mongolië leven weliswaar ook nomaden maar die vervoeren zichzelf per auto, hier in het westen per kameel,’  licht Canat toe. De nomaden verhuizen zo’n vier keer per jaar. Als het vee de omgeving heeft afgegraasd, trekt men verder. In de zomer leven de nomaden hoog in de bergen omdat daar minder muskieten zijn, ’s winters duiken ze het dal in omdat het daar warmer is. Sinds 2005 zijn de winters uitzonderlijk streng en hebben veel nomaden vee verloren.

De regering support hen niet bij tegenslag, dus zit er niet veel anders op dan naar de stad te trekken. De jeugd doet dat uit eigen beweging. Ook Canats eigen kroost. Zijn zoon van 17 en dochter van 21 studeren beiden in Ulaanbaatar; zijn zoon Finance, zijn dochter International Trade. Canat ziet zijn kinderen niet naar Ulgii terugkeren wanneer ze uitgestudeerd zijn. Over twintig jaar zullen er nog wel nomaden leven in Mongolië, maar over vijftig jaar zal deze levensstijl een zeldzaamheid zijn, verwacht Canat. Aan de ene kant hoopt Canat dat de westerse beschaving niet te ver oprukt en het traditionele leven kapot maakt, aan de andere kant zorgen betere wegen en vliegvelden ervoor dat grotere groepen toeristen naar het gebied komen, wat meer geld voor Canat betekent.

snelweg

In een rotsvlakte tussen bergen met spierwitte lakens met door zon beschenen plooien zijn twee bulldozers een 700 kilometer lange snelweg aan het leggen. Die gaat de grens van Rusland met die van China verbinden, dwars door Mongolië, voor het transport van olie. Er ligt al 500 kilometer. De weg wordt door Chinezen aangelegd. Canat houdt niet van Chinezen. ‘Overal waar ze komen, maken ze de boel kapot’, klaagt hij. ‘Ze bouwen dorpen en steden en vermoorden agrarische culturen. Net als Amerikanen. Ik vind dat er aan alles een limiet moet zitten. Wolven vreten beesten op, net zolang totdat ze vol zitten. Daarna stoppen ze met moorden. Mensen niet, die hebben nooit genoeg.’ De wereld zou beter af zijn als mensen hun beperkingen zouden kennen, denkt Canat. ‘Ik zou naar Ulaanbaatar kunnen gaan om mijn bedrijf groter te maken en meer geld te verdienen’, zegt hij. ‘Maar waarom? Mijn kleinkinderen zouden later alleen maar stedelijk leven kennen en niet meer de tradities van hun eigen cultuur. Dat zou stom zijn.’

Daarbij loopt het beest tegenwoordig rond in door mensen beheerde parken, zoals het Hustai Park, twee uur rijden van Ulaanbatar.

przewalskipaarden

Przewalski was niet onder de indruk van de Mongoolse cultuur. Hij hield wel van de flora en fauna die hij hier aantrof. Als eerste westerling documenteerde hij de lokale planten en dieren en van zijn derde reis bracht hij een bijzonder paard mee naar huis. Hij had het geschoten dier mee gekregen van een Kirgische grensbeambte. In Sint Petersburg bleek dat het een wild paard betrof. Wild, in de zin dat het niet afkomstig was van gedomesticeerde ouders. Het beest kreeg Przewalski’s naam. Al snel werd het paard een hype en wilde iedere Europese dierentuin een exemplaar. Gevolg: minder Przewalskipaarden in het wild. In 1969 werd het Przewalskipaard voor het laatst in het wild gezien. De Przewalskipaarden die er nu rondlopen komen zijn semiwild. Ze zijn afkomstig van twaalf wilde Przewalskipaarden die zich hebben voortgeplant met een gedomesticeerde draagmoeder. Daarbij loopt het beest tegenwoordig rond in edoor mensen beheerde parken, zoals het Hustai Park, twee uur rijden vanaf Ulaanbaatar. Hier genieten de paarden bescherming.

Het risico van uitsterving is te groot bij een leven in het wild. Van de 150 paarden die in een ander park in zuidwest-Mongolië leefden, hebben maar 48 de afgelopen strenge winter overleefd. Dat vertelt Usukhjargal ons –roepnaam Usukh. Hij is een 31-jarige bioloog met een vlotte babbel en hij leidt ons door het park. Ter introductie draait hij een zorgvuldig geprepareerd verhaal af en sluit af met: ‘If you have any questions, I am here to help you’. Bij de ingang van het park is een hotel met restaurant. ‘Taking picture and riding camel is only 1 dollar’ staat op de muur geadverteerd. Naast het hotel staan ger-tenten op een kluitje als een soort bungalowpark van Gran Dorado. In de gers staan comfortabele bedden met schone lakens en wollen dekens, het kacheltje wordt ’s nachts om de zoveel uur opgestookt.

boney m.

De volgende dag duiken we wederom twee Sovjetbusjes in, op zoek naar enkelen van de 219 Przewalskipaarden die in dit park van 500 vierkante kilometer rondlopen. Uit de speakers klinkt Bony M.: Ra Ra Rasputin. Al snel zien we enkele Przewalskipaarden grazen in de ochtendzon. Als we uit de bus stappen en dichterbij proberen te komen, lopen ze van ons weg. Usukh doet promotieonderzoek naar de herintroductie van het paard in het wild. Hij is in Kharkhorum geboren, een dorp 400 kilometer van Hustai Park vandaan. Zijn ouders hadden schapen, geiten, een koe en een paard. De meesten van zijn familie wonen nog steeds op het platteland en zijn arm. Usukh heeft in Ulaanbaatar gestudeerd, heeft masters gevolgd in verschillende Duitse en Zwitserse steden en heeft daar ook gewerkt. Hij is een echte selfmade man. Zijn promotieonderzoek doet hij in Ulaanbaatar en als we terugkeren naar de hoofdstad rijdt hij met ons mee. Onderweg staan we muurvast in de file. De avond valt. Neonlichten flikkeren en lichten hotels, restaurants en advertenties van Hot Massages & Sauna’s op. Bussen zijn volgepakt terwijl massa’s mensen bij haltes wachten op vervoer en smog staan te inhaleren. Is dit vooruitgang?

gefermenteerde paardenmelk

Undrak (midden), Uugie (rechts)

Voor Sugar Uugantsetseg -roepnaam Uugie- wel. Zij is een 23-jarige studente Duits; frêle, met roodgelakte nagels en gehuld in skinny jeans, gympen en een jas met een bontkraag. Ze is net als veel Mongoolse jongeren op het platteland opgegroeid, in een ger-tent met vee eromheen: schapen, geiten, koeien en honden. Voor geen goud wil ze terug naar dat leven, waar haar oudere zus Undrakh die ook Duits heeft gestudeerd in Ulaanbaatar wel voor heeft gekozen. Die runt tegenwoordig een restaurant in haar geboortedorp. Dat wil zeggen: een veredelde kantine, waar gasten op versleten banken en krakkemikkige stoeltjes luidruchtig soep slurpen naast een televisie. Uugie reist ieder weekend op en neer om zus te helpen in de bediening. Wij reizen een dag met haar mee om te zien waar ze vandaan komt. Udrakh sprokkelt met het restaurant het geld bij elkaar waarvan Uugie kan studeren. Als we Udrakh treffen, veegt ze het zweet van haar rood aangelopen voorhoofd. Ze draagt een wit schort met vlekken en heeft vuile randen onder haar nagels. De zussen begroeten elkaar innig. Dan bezoeken we oma in de ger. Daar krijgen we melkthee. Spul dat naar bemest weiland ruikt en intens smerig is. De lekkernij die er op volgt is gefermenteerde paardenmelk. Dusdanig zuur dat je tong begint te prikkelen. Ik werk het weg terwijl ik mezelf probeer voor te stellen dat het een mojito is. Uugie drinkt het met smaak. Ze combineert feilloos en met flair de tegengestelde werelden die haar hebben gevormd. Ze bewaart warme herinneringen aan de jeugd op het platteland maar ziet haar toekomst in de stad. ‘Daar doe je meer ervaringen op, ontmoet je verschillende mensen en word je meer gestimuleerd’, zegt ze. Ze heeft een vriend die medicijnen studeert en op korte termijn naar Amerika moet. Zelf wil ze graag terug naar Duitsland waar ze eerder tien maanden verbleef in het kader van haar opleiding.

andere wereld

Uugie is exemplarisch voor veel jonge Mongolen. Hongoro bijvoorbeeld, een 17-jarige studente grafische vormgeving die les krijgt in hetzelfde pand als waar Uugie Duitse les volgt, is ook op het platteland opgegroeid te midden van geiten, schapen en kamelen. Nu krijg je haar met geen tien paarden uit de stad. ‘Werk, studie en vriendje – alles bevindt zich hier’, verklaart ze. Naast haar op een bankje zit Nomin. Zij is geboren en getogen in Ulaanbaatar en moet er niet aan denken een nomaden of herdersbestaan te moeten leiden. ‘Op het platteland zijn geen toiletten en geen douches’, gruwelt ze. ‘Life is so hard there.’ Nomin studeert Internationale Betrekkingen en Engels en wil graag terug naar Amerika, waar ze eerder tien maanden als exchange student verbleef. Net als Przewalski trekt de Mongoolse jeugd er op uit, de wijde wereld in. Met als verschil dat ze vooral hun eigen carrière op het oog hebben in plaats van nieuwe werelden te willen ontdekken. Hun wereld ziet er namelijk overal hetzelfde uit. Nomin, Hongoro, en al die jonge meiden hier op de faculteit lopen er hetzelfde bij als studentes in Amsterdam of Londen: strakke spijkerbroeken, laarzen of gympen, een smartphone in de hand en een nepdesignertas aan de arm. Wanneer ze niet in gesprek zijn, hebben ze witte dopjes in hun oren, waaruit popmuziek klinkt. Ze studeren, reizen, doen buitenlandse stages en hoeven zich nergens aan te passen. Er is geen verschil tussen hun eigen leven in Ulaanbaatar en dat van hun vrienden in Amsterdam, New York of Berlijn. Afstand is geen garantie meer voor een nieuwe wereld of onontdekte cultuur. Het contrast met het leven vijftig kilometer verderop is ironisch genoeg groter. De vilten tenten, paardenmelk en bevroren drollen –dichterbij dan Amsterdam maar wel een compleet andere wereld. Eentje die langzaam verdwijnt. Misschien zelfs snel, wanneer Ikea hier oprukt. De arendjacht-show en het semiwilde Przewalskipaard zijn dan relicten uit het verleden, overblijfselen van het Mongolië van weleer.