Tegenlicht

Jong in... België (Wallonië)

Tegenlicht vroeg een tweetal jonge makers met Waalse roots op zoek te gaan naar de antwoorden van jongeren zelf. Verkeert Wallonië in staat van ontbinding of loopt het juist voorop?

In het tweeluik Jong in… Wallonië neemt regisseur Eve Duchemin ons mee naar het westelijk deel van Wallonië, Charleroi, waar de werkloze Colin met zijn moeder in een groot vervallen huis woont en zijn dagen slijt met het schrijven van rapteksten samen met zijn vrienden. 

Regisseur Sonia Pastecchia gaat terug naar haar geboortestreek bij Luik. Zij is dochter van Italiaanse migranten die ooit in groten getale geronseld  werden om in de mijnen van Wallonië te komen werken. Samen met kinderen uit het Luik van nu schetst Pastecchia een beeld van hun toekomst.

Nog geen eeuw geleden zochten straatarme Vlamingen werk in het welvarende Wallonië. Honderdduizenden economische vluchtelingen uit Vlaanderen bouwden in het door de industrie florerende Wallonië een nieuw leven op. Nu is Wallonië een achtergestelde regio die de aansluiting bij de moderne tijd lijkt te missen. Het welvarende Vlaanderen beschouwt Wallonië meer en meer als rem op de eigen economische ontwikkeling en de roep om afsplitsing groeit.

De jeugdwerkeloosheid in Wallonië, met name in de oude mijnstreken rond Charleroi, Luik en de Borinage, ligt rond de dertig procent en inmiddels groeit er een derde generatie werkelozen op. Hoe worden jongeren in Wallonië beïnvloed door deze omstandigheden en hoe zien zij hun toekomst? Tegenlicht vroeg een tweetal jonge makers met Waalse roots op zoek te gaan naar de antwoorden van jongeren zelf. Verkeert Wallonië in staat van ontbinding of loopt het juist voorop?

AVANT QUE LES MURS TOMBENT (Voordat de muren vallen)
De drieëntwintigjarige rapper Colin woont in Charleroi. Deze postindustriële stad in Wallonië wordt geteisterd door werkloosheid. Colin woont in een huis dat eigenlijk onbewoonbaar is, waar de plafonds naar beneden komen en zonder warm water of verwarming. Daar brengt hij zijn dagen door met zijn vrienden; met teksten schrijven, hun raps voor de microfoon op te nemen en naar elkaars muziek te luisteren. Om de woede die ze meedragen ‘eruit te gooien’, zoals ze zelf zeggen. Het is voor hen de enige manier om zich te uiten en om hun boosheid en verdriet, hoe onhandig ook, onder woorden te brengen. Maar het is ook hun manier om iets tastbaars te creëren. Want terwijl om hen heen alles op instorten staat kunnen ze in hun studio, die ze eigenhandig gebouwd hebben, hun muziek opnemen en daarmee iets achterlaten. Uiteindelijk geven zij op het podium met hun teksten aan al diegenen over wie niet of niet meer gesproken wordt een stem.

LA SALADE LIÉGEOISE (Luikse salade)
Sonia Pastecchia: ‘Vroeger op school zaten we in de klas met twintig Italiaanse kinderen, een Marokkaan en maar vier Belgen. Wij buitenlanders spraken twee talen: thuis die van onze ouders, en buiten die van het gastland. Ik wist altijd wel dat men in het noorden van België een andere taal sprak, maar op een dag zag ik dat ook echt: de stad waar mijn suiker vandaan kwam had namelijk een heel andere naam dan die op de verpakking stond: Tienen in plaats van Tirlemont. Er bestond niet alleen een andere taal, maar ook andere steden, dubbelgangers van steden die ik kende: Namen-Namur, Bergen-Mons, Borkworm-Waremmes. Luik-Liège, waar ik geboren ben, is daar ook een van. Inmiddels zijn we dertig jaar verder en worden we gedwongen opnieuw na te denken over het concept van één natie. Ik besluit de kinderen van mijn vrienden van toen op te zoeken, met de rare vraag in mijn achterhoofd: uit wat voor materiaal zijn zij eigenlijk samengesteld?’

Regie: Eve Duchemin/Sonia Pastecchia
Research: Henneke Hagen
Productie: Nicoline Tania
Eindredactie: Jos de Putter/Doke Romeijn