De dubieuze rol van westerse troepen

“We zijn allen oorlogsmisdadiger geworden”, stelde Robert Fisk, journalist van het Britse blad The Independent, naar aanleiding van het bloedbad bij Mazar-I-Sharif, eind november vorig jaar (1). De opstand van de gevangenen en het neerslaan daarvan door de Noordelijke Alliantie, Amerikaanse en Britse troepen, leidde tot gruweltaferelen waarbij in een paar dagen tijd zeker 350 Talibanstrijders omkwamen, alsmede zo’n 40 bewakers en één Amerikaan. Het Pentagon haastte zich te melden dat de Amerikaanse troepen het bloedbad niet hadden kunnen voorkomen, maar aanwezige journalisten en diverse mensenrechtenorganisaties trokken die snelle conclusie in twijfel. Hoewel de exacte toedracht rondom het uitbreken en neerslaan van de muiterij hier en daar onduidelijk blijft, volgt hieronder een korte reconstructie van de gebeurtenissen.

Had het bloedbad voorkomen kunnen worden?

9 NOVEMBER: VAL VAN MAZAR-I-SHARIF

Het keerpunt in de eerste fase van de 'war on terror' is de val van Mazar-I-Sharif, een belangrijk bolwerk van de Taliban in het noorden van Afghanistan. Na de val van die stad op 9 november 2001 verliest de Taliban binnen enkele dagen ook de macht over andere grote steden in het land, waaronder Kabul.

ZATERDAG 24 NOVEMBER: AANKOMST VAN DE KUNDUZ-GEVANGENEN

Op zaterdag 24 november 2001 verovert de Noordelijke Alliantie de stad Kunduz op de Taliban. De gevangen genomen strijders zijn meest van buitenlandse afkomst. Ze worden ondergebracht in het 150 kilometer verder gelegen Qala-I-Janghi (vertaald: “huis van de oorlog”), een negentiende-eeuws fort nabij de stad Mazar-I-Sharif, dat tevens dienst doet als hoofdkwartier van de als zeer wreed bekend staande krijgsheer Rashid Dostam. De gevangenen worden in ondergrondse cellen gestopt, vlakbij het wapendepot van het fort. Dat depot is goed gevuld, want zojuist door Amerikanen bevoorraad in het kader van de tijdelijke alliantie met de krijgsheer. De troepen van Dostam zijn op dat moment elders aan het vechten, en de vier- tot zeshonderd Talibanstrijders worden bewaakt door naar schatting vijftig tot honderd soldaten van de Alliantie. Vrijwel direct na hun opsluiting is de situatie in het fort zeer gespannen. Bij het veroveren van de stad Kunduz is de strijders door Dostam een vrije aftocht beloofd en gevangenen voelen zich verraden als ze toch worden opgesloten. Bij binnenkomst zijn ze bovendien slecht gefouilleerd, twee vrachtwagens vol gevangenen kunnen ongestoord het fort binnenrijden, en al de eerste dag blazen enkele Taliban zichzelf en enkele bewakers met meegesmokkelde granaten op.

ZONDAG: OPSTAND BREEKT UIT

Soldaten van de Noordelijke Alliantie bewaken het fort, bovendien zijn enkele journalisten aanwezig, aangetrokken door het verhaal dat ruim 500 Talibanstrijders zich zouden gaan overgeven. Daarnaast bevinden zich in het fort twee agenten van de CIA. Zij willen op zondagochtend gevangenen ondervragen om mogelijke Al-Qaida strijders te identificeren. Dan gaat het mis. Tijdens het verhoor springt een Talibanstrijder op CIA agent Michael Spann en laat een granaat ontploffen. Chaos breekt uit en honderden gevangen weten binnen minuten hun bewakers te overmeesteren en een groot deel van het fort in handen te krijgen. Spann komt om en wordt het eerste dodelijke Amerikaanse slachtoffer in Afghanistan. Over de precieze aanleiding van het uitbreken van de opstand lopen de meningen uiteen; volgens The Independent worden de gevangenen furieus als ze de westerlingen zien. Volgens andere ooggetuigen waren de Taliban er zeker van dat ze toch door hun bewakers zouden worden geëxecuteerd, en besloten ze al direct bij binnenkomst dat ze zouden vechten tot ze er bij neervielen.
In de chaos weet de andere CIA agent, Dave Tylor, te ontkomen en hij vlucht naar een veilig deel van het fort. Daar leent een Duitse cameraploeg aan Tylor een satelliettelefoon en hij vraagt zijn oversten om luchtsteun. Vlak daarop breken de opstandelingen het wapendepot open en proberen zich een weg uit het fort te banen met behulp van de aangetroffen wapens. De journalisten vertrekken uit het fort en de Noordelijke Alliantie verdedigt het fort gedurende de nacht.

MAANDAG: SPECIALE EENHEDEN ARRIVEREN

Maandag verschijnen Britse en Amerikaanse commando’s in Qali-I-Jangi. Onder het oog van westerse journalisten ontstaat een hevig vuurgevecht. Vanuit de lucht worden precisiebombardementen uitgevoerd, vanaf de grond aangestuurd door de westerse commando’s. Naderhand beweert het Pentagon dat Amerikaanse soldaten geen invloed hadden op de Noordelijke Alliantie, maar volgens een aanwezige journalist van TIME wordt het neerslaan van de opstand vanaf maandag geleid door Britse en Amerikaanse special forces. Die avond en nacht worden op grote schaal bommenwerpers en helicopters ingezet. Honderden opstandelingen komen daarbij om het leven, de anderen trekken zich terug in de kelders van het fort. Een woordvoerder van generaal Dostum verzekerd de aanwezige journalisten dat er geen enkele Talibansoldaat levend uit de puinhopen tevoorschijn zal komen. Dat overgave niet zal worden geaccepteerd blijkt als enkele ontsnapte gevangen buiten het fort stante pede worden geëxecuteerd. Dinsdag gaan de gevechten door, en tegen de avond ligt het terrein bezaaid met lijken. Er zijn dan naar schatting nog honderd gevangenen levend in het fort aanwezig, ze houden zich schuil onder de grond, gehurkt zittend tussen de vele lijken.

WOENSDAG-ZATERDAG: ‘SMOKE THEM OUT’

Nadat woensdag pogingen om de gevangenen en de lijken uit de kelders te halen te gevaarlijk blijken, geven volgens Britse journalisten Amerikaanse en Britse soldaten de opdracht om de kelders in brand te steken. Er worden granaten en benzinevaten in het keldergat gegooid. Soldaten van de Noordelijke Alliantie plaatsen bovendien raketten voor de ingang van de kelder, en vuren er minstens twintig af. Als op donderdag en vrijdag nog steeds schoten worden gelost vanuit de kelder wordt besloten ze vol water te laten lopen. Zaterdag verwachten de Alliantieleden nog een stuk of vijf overlevenden aan te treffen, maar zien tot hun verbazing 86 onderkoelde en uitgehongerde gevangenen uit de kelders kruipen. Onder hen bevindt zich John Walker Lindh, de Amerikaan die zich bekeerd heeft tot Allah. De 'all-American boy' wordt de eerste Taliban-strijder met een gezicht, een Amerikaan die tegelijkertijd de vijand is en in perfect Engels zijn motieven uiteen kan zetten.

Leden van Het Rode Kruis betreden in de dagen daarna het fort en spreken hun afschuw uit over wat ze aantreffen. Veel dode gevangenen zijn ernstig verminkt. Verspreid over het terrein liggen ledematen. Eén groep gevangenen is door één kogel in hun hoofd om het leven gebracht, wat duidt op executies die door de Geneefse conventies verboden zijn. De Amerikaanse overheid stelt dat de gevangenen daar niet onder vielen, omdat ze niet onder hun hoede, maar onder die van de Noordelijke Alliantie vielen.

Bronnen: zie de links rechtsboven