Sociologisch onderzoek met de camera

Voor de derde uitzending van de reeks Maakbaar Nederland ging Alexander Oey naar de Bijlmermeer. Daar volgde hij gedurende een etmaal een zestal (illegale, semi-legale, legale) migranten die zich proberen staande te houden in de Bijlmer.

Door Kees Sluys, VPRO gids

Interview met de maker over Bijlmer: the Rough Guide

Alexander Oey heeft wel vaker dit soort dingen gedaan. ‘Sociologisch onderzoek met een camera, zo zou je het kunnen noemen. Dat interesseert me in hoge mate. Ik kwam op het onderwerp toen ik voor een eerdere Tegenlicht-film (Nederland in analyse, uitgezonden eind oktober 2002 – red.) in de Bijlmer filmde en daar in de flat Kraaiennest terechtkwam. Die ondergrondse markt in de parkeergarage, al die culturen bij elkaar, die moskee in een grote garagebox. Daar was echt een totaal andere wereld ontstaan. Als “gewone” Amsterdammer kom je daar nooit, dat zijn zulke gescheiden werelden… Toen we over Maakbaar Nederland aan het nadenken waren dacht ik: daar in de Bijlmer is van maakbaarheid juist totaal geen sprake. Al functioneert het wel op een of andere manier.’

In de film volgt Oey een etmaal lang diverse personen in hun dagelijkse bezigheden. Het is half vijf in de nacht en nog donker wanneer Gifty’s dag begint. Deze Ghanese vrouw drijft een illegale crèche. Dagelijks haalt ze in de vroege ochtend kinderen van diverse adressen op. Binnenkort gaat de crèche 24 uur open, omdat veel ouders in ploegendiensten werken. Kameroenees Emmanuel Kum geeft adviezen aan illegale nieuwkomers. Mensen komen bij hem langs om te horen hoe ze hun weg moeten vinden in de Nederlandse samenleving. De Ghanese snorder is een illegale taxichauffeur die het gat vult dat legale taxichauffeurs achterlaten: die durven, zeker ’s nachts, de Bijlmer niet in. Hadji Joenoes Gaffar, de Surinaamse leider van de moskee, beschouwt zijn godshuis als een toevluchtsoord voor diegenen die buiten het systeem vallen. Iedereen, moslim of niet, heeft bij het offerfeest recht op vlees: ‘Als ze maar arm zijn.’ Beeldend kunstenaar Valentine Efiong uit Nigeria biedt al een aantal jaren mensen onderdak in zijn atelier. En de Nigeriaanse voetballer Mike, die even bij Rapid Wien heeft gespeeld, aast op een contract bij een Nederlandse club. Met een aantal lotgenoten traint hij regelmatig op een grasveld tussen de flats in.

Hoe lang heb je in de Bijlmer rondgelopen?
‘Van half december tot half februari ongeveer. We wilden zo dicht mogelijk bij illegalen en het ondergrondse circuit terecht komen, kijken hoe die informele samenleving functioneert. Na veel gedoe zijn we in contact gekomen met een zestal mensen die er wel het belang van inzagen om op de televisie te komen en die hun zaak aan de orde wilden stellen. Heel duidelijk voorbeeld is Mike. Die dacht: als ik op televisie kom, krijg ik misschien de kans om een keer voor te spelen bij Sparta of mvv.’
Iedereen had zo zijn eigen motieven?
‘Ik denk niet dat er iemand in de film zit die het voor de lol doet. Maar de leider van de moskee – niet de imam – vond het bijvoorbeeld heel belangrijk om een beter beeld van de islam te laten zien. Dus die heeft die hele moskee voor ons opengesteld, we konden overal terecht.’
Maar zo’n taxichauffeur?

‘Die snorders, voornamelijk Nigerianen en Ghanezen, zijn bijna allemaal illegaal, dus dat lukte helemaal niet. Op een gegeven moment heb ik met Valentine, de kunstenaar, een taxi genomen. Binnen een minuut hadden we er een te pakken. Valentine kon de man ervan overtuigen dat hij echt niet in beeld zou komen.’

En Emmanuel?

‘Bij hem speelt eigenbelang weer minder een rol. Hij begrijpt alleen niet hoe er hier met illegalen wordt omgegaan. Meerdere malen per week krijgt hij mensen over de vloer die zeggen: ik ben uitgeprocedeerd, ze hebben me gewoon op een taxi gezet en gezegd: bekijk het maar, je moet binnen 24 uur het land uit. Zonder dat er verder enige controle op wordt uitgeoefend. Hij begreep niet wat voor beleid daar achter zit. Het wordt trouwens steeds drukker op zijn spreekuur.’

Komen er ook mensen afkomstig uit Campus Vught?

‘Ja. Want in de Bijlmer heb je – dat zegt Emmanuel ook – 99 procent kans dat je opgevangen wordt. Er woont altijd wel iemand van jouw bevolkingsgroep en je kunt altijd wel een paar nachten bij iemand slapen, en je krijgt altijd wel een schoonmaakbaantje. Je moet er heel erg achteraan zitten, maar uiteindelijk lukt het. Allemaal hebben ze een mobieltje en iedereen krijgt altijd wel weer een nummer waar ze terecht kunnen; zo scharrelen ze zich een weg door die Bijlmer.
Bovendien: Amsterdam vinden ze zakelijk, koud, onpersoonlijk, maar de Bijlmer is warm. Het is er altijd leuk, gezellig, de mensen groeten elkaar, het is een gemeenschap, niet zo’n wijk waar niemand elkaar kent.’

Dus het functioneert wel op een of andere manier?

‘Zeker. Nou ja, ze overleven wel, maar het blijft toch heel lastig. Ik ben in zo’n illegaal restaurant geweest. Dat is in een woning gevestigd, gewoon een huiskamer. Maar in een kamertje ernaast waren denk ik wel vier mensen ondergebracht. En er zat geloof ik ook een illegaal bordeel in dat huis. Dus, echt leuk is het niet om zo te leven. Er moet wel iets verbeteren om die mensen een leefbaar bestaan te bieden.’

Wat moet er dan gebeuren?

‘Je hoeft geen steunpunt voor Kameroenezen, Ghanezen of Nigerianen, dat regelen ze allemaal zelf. Maar de regels moeten een beetje soepeler worden. De overheid moet de mensen niet zo op hun nek zitten. Met iets minder strakke horeca-regels zouden die illegale restauranthouders bijvoorbeeld makkelijker kunnen bestaan, en hoeven ze meer zo in de marge te opereren.’
Zou een minder strikt beleid ten opzichte van illegalen sowieso goed zijn?
‘Ik denk het wel. Misschien moet het probleem meer als een economisch fenomeen worden bekeken. Ik hoor weinig discussie over het feit dat die mensen in de toekomst hard nodig zullen zijn. Terwijl de maatschappij vergrijst is er binnenkort geen schoonmaker of verpleegster meer te krijgen. Af en toe een paar verpleegsters uit Zuid-Afrika halen is natuurlijk geen politiek voeren. Misschien wéten ze in Den Haag wel hoe het moet, maar het ligt gewoon niet lekker. Wie wil dat er op hem gestemd wordt zegt niet: gooi de grenzen maar open.
Maar ik denk dat als je de grenzen openstelt de mensen ook weer veel sneller teruggaan naar hun eigen land. Of veel meer heen en weer reizen: even wat geld verdienen en terug. Op een gegeven moment zie je trouwens dat er aan elke immigratiestroom een einde komt. Mensen zien zelf dat er verzadiging in de markt ontstaat. Dat geven ze door aan elkaar en dan krijgt een ander land weer meer toestroom. Dat reguleert zich redelijk goed. Als er hier geen werk meer is, buigt die stroom gewoon om.’