Experiment campus Vught

November 2002 ging in Vught een geruchtmakend experiment van start. Alleenstaande minderjarige asielzoekers (Ama’s) zouden voortaan in een besloten inrichting worden ondergebracht. Doel: terugkeer naar het moederland.

door Kees Sluys, VPRO gids

Interview met maker Sarah Vos en bedenker Henk Duijst

Wie de krantenberichten van de afgelopen maanden over de Ama-campus in Vught nog eens tot zich neemt, ontkomt niet aan de indruk dat het daar een rare boel is. Koppen als ‘Vrijheidsontneming’, ‘Te streng regime’, ‘Oneigenlijke drilmethoden’, ‘Ama’s behandeld als misdadigers’ suggereren dat de nieuwe aanpak van alleenstaande minderjarige asielzoekers van geen kant deugt. En als er dan ook nog berichten verschijnen volgens welke Ama’s ‘gedwongen worden om naar oorlogsfilms te kijken’ houdt het natuurlijk helemaal op. Althans voor Groen Links-leidster Femke Halsema, die deze – voor een weldenkend mens al te bizarre – beschuldiging onmiddellijk aangreep om Kamervragen te stellen.

Sarah Vos, maakster van de tweedelige documentaire over Campus Vught, heeft zich regelmatig aan dit soort berichten gestoord. Tijdens de periode dat ze mocht filmen kreeg zij een unieke gelegenheid om te zien hoe het er werkelijk aan toeging en haar ervaringen waren anders. ‘Al gaat het natuurlijk wel om tieners. Dat is een lastige doelgroep. Het liep helemaal uit de hand. Die coaches raakten echt overspannen, ik had met ze te doen, die jongeren halen echt het bloed onder je nagels vandaan. Dat kan niemand aan.’

Maar voordat we Vos verder aan het woord laten, laten we ons eerst uit de eerste hand informeren over het hoe en waarom van Campus Vught. Henk Duijst, tot voor kort in dienst van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (coa) dat opdracht kreeg om een nieuw opvangmodel te bedenken, was er vanaf het allereerste moment bij.

‘Ongeveer twee jaar geleden kwam er een Ama-nota uit, onder regie van staatssecretaris Kalsbeek. Het coa werd verzocht het nieuwe Ama-beleid te vertalen in een ander opvangmodel dan we gewend waren. Tot dan toe kwamen Ama’s (15 t/m 17 jaar) vrijwel allemaal zonder een goed argument (zoals gevaar voor eigen leven, politieke omstandigheden etc.) het land binnen. Maar in de praktijk werden ze vrijwel nooit uitgezet.

Volgens het nieuwe vreemdelingenbeleid moesten Ama’s uiterlijk op hun achttiende, maar liever eerder, Nederland weer verlaten. Met een projectteam van acht, negen man zijn we vervolgens ruim een jaar bezig geweest om dat nieuwe beleid vorm te geven. Uitgangspunt was dat vanaf de eerste dag duidelijk moest worden gewerkt aan de terugkeer. Het nieuwe beleid moest afschrikken, mocht althans “geen wervend effect” hebben.

We hebben geprobeerd die opdracht zo rechtstreeks mogelijk te vertalen naar een opvangvariant. Dan kun je je drie modellen voorstellen: een open model, een be-sloten, en een ge-sloten model. Als coa hebben we meteen gezegd: een ge-sloten model gaan wij niet doen. Dat konden we moeilijk rijmen met de opdracht die het coa zichzelf heeft gegeven en waarin het welzijn voor asielzoekers centraal staat. Een be-sloten model was volgens ons het beste en dat hebben we het Campus-model genoemd.
Staatssecretaris Kalsbeek ging akkoord. Maar we hebben toen wel meteen aangegeven dat dit project ook voor ons volledig nieuw was.’

‘De gedachte was dat we de Ama’s ook iets wilden meegeven voor de terugkeer. Bijvoorbeeld een opleiding tot kok, tot monteur, etcetera. Zo kwamen we van het een op het ander en zijn we letterlijk aan die campus (oorspronkelijk een kazerne) gaan bouwen. Met een keuken, verschillende werkplaatsen etcetera, maar ook een sportzaal en een voetbalveld.
We wilden er een gemeenschap van maken waar je met en voor elkaar actief kunt zijn. Veel elementen komen uit het Engelse kostschoolmodel, dat een lange traditie heeft in het opvangen in internaatsvorm van jongeren. Maar ook hebben we elementen uit de Glenn Mills-school (heropvoeding van jeugddelinquenten) overgenomen en hebben we geput uit onze eigen hulpverlenerservaring. Zo hebben we geprobeerd een goede mix te maken.’

‘Als je iets heel nieuws gaat doen met een onbekende doelgroep is het vrij normaal dat je in eerste instantie vasthoudt aan strakke, heldere huisregels. Daarom hebben we het systeem van de rookie-fase en seniorfase ingesteld. In de rookie-fase is de hele dag gevuld. Van opstaan tot slapen gaan wordt er aan allerlei leeractiviteiten gedaan, zoals Engelse taal, maar ook basale vakken als rekenen, wereldoriëntatie. Maar er kon ook met de handen worden gewerkt: lastechniek, motorvoertuigentechniek, keukenopleiding, sport. En we vonden het logisch dat de jongeren zelf het terrein en de gebouwen schoonhielden.
Zo lieten we ze in de eerste acht tot twaalf weken wennen aan de Ama-cultuur en -structuur in de campus. Dat was inderdaad een vrij strikt regime. Maar in de seniorfase heb je veel meer vrijheid. Je ligt dan niet meer op een slaapzaal, maar op een 2- of 3-persoonskamer. Je maakt bijvoorbeeld zelf uit hoe laat je opstaat, als je maar op tijd aanwezig bent bij de leeractiviteiten. En je mag in bepaalde omstandigheden naar buiten. Er was ook een eigen clubhuis voor de seniors, waar de rookies niet mochten komen. Een grote ruimte, waar de jongeren zelf hun invulling konden geven aan de inrichting en de sfeer. Met een bar waar ze zelf achter stonden en dingen verkochten.’

‘De uitvoering van het nieuwe Ama-beleid lag in handen van een task force onder regie van het ministerie van Justitie. Verder maakten daarvan deel uit de Immigratie- en Naturalisatiedienst (ind), het coa, het Openbaar Ministerie en het Nidos, de voogdijvereniging die er in een later stadium bijkwam. Elke instelling werkte mee vanuit haar eigen rol, taken en verantwoordelijkheden. En dat gaf problemen, bijvoorbeeld met het Nidos, dat de uitgangspunten van het project officieel wel, maar in de praktijk niet onderschreef. Daar werd eigenlijk alleen maar gedacht aan het belang van de jongeren.’

Sarah Vos begon twee maanden na de opening van Campus Vught te filmen. Zij was hogelijk geïnteresseerd in de nieuwe aanpak.
‘Nee, niet uit uit een soort verontwaardiging van wat hebben ze nu weer voor geks bedacht. Ik ben volkomen neutraal. Die jongeren moeten terug, dat is een fait accompli. Maar hoe organiseer je dat?
Toen ik er voor het eerst binnenkwam zag het er heel aangenaam uit. Een perfecte sportzaal, een schooltje, lieve juffen, sympathieke coaches die de jongeren begeleidden. Het beeld dat in de buitenwereld gecreëerd werd door de pers (het is een gevangenis, ze moeten gevangeniskleding aan) komt niet overeen met de werkelijkheid. Daarvoor hoef je er maar een uur geweest te zijn. Ik vond de pers echt te tendentieus.
Dat de jongeren het programma te zwaar vonden kon ik me wel voorstellen. Zeven dagen lang van ’s ochtens vroeg tot ’s avonds laat, dat houdt niemand vol, dus daar moest nodig wat aan veranderd worden. En ze wilden graag naar buiten, de stad in, Den Bosch. Maar dat mocht niet zomaar.
Eigenlijk begon er een soort staking vanaf het moment dat wij er zaten. Maar omdat de hele methodiek uitging van goed gedrag en beloning voor goed gedrag, was er niet nagedacht over de vraag wat er moest gebeuren als de boel plat zou komen te liggen. Aan sancties had men nooit gedacht. En de meeste sancties die ze later probeerden te bedenken waren juridisch niet haalbaar. Het coa heeft zó’n lastige taak daar, dat wil je gewoon niet weten.’

De opstand begon nadat een aantal jongeren die waren uitgekozen om senior te worden (iets wat gevierd zou worden) hun nieuwe status weigerden. Vos: ‘Het werd steeds grimmiger, wij vroegen ons af: hoe krijgen ze die jongeren weer in het gareel? Het werd echt een thriller.

Het is zo heftig, al die botsingen van die jongens met die coa -medewerkers. Soms heerste er ook complete verwarring aan de kant van de uitvoerders over wat wel en niet was toegestaan. En dat had onder meer te maken met de opstelling van de voogdijvereniging. Die vonden het programma voor de jongeren ook te zwaar, en hadden moeite met de beslotenheid. Dus zij gingen een beetje mee in het protest van de jongeren, tegen de bedoeling van de campus in. Dat heeft ook problemen veroorzaakt: de partijen lagen elkaar in de weg. Daar gaat de film ook over. Soms hadden we met de jongeren te doen, maar op andere momenten zou je ze wel een pak slaag willen geven. Een corrigerende tik kan niet meer in deze tijd, zegt een politie-agent in de film. Je moet ze de hele tijd met fluwelen handschoenen blijven benaderen. En die jongeren zijn zó slim.
Toen de boel steeds meer misliep gingen ze zich als groep opstellen, ze wilden niet meer per persoon praten, maar alleen met de hele groep. Een van de woordvoerders was zo hyperintelligent, sprak vloeiend Frans en Engels, dat je bijna zou denken dat ’ie al een paar jaar rechtenstudie achter de rug had. Hij zat in maand in de campus en gedroeg zich als een tiran tegenover de coa, ook tegenover ons trouwens.’

‘Ik heb heel veel respect voor het coa, hoe open die mensen zich hebben opgesteld! Door het vertrouwen dat zij ons hebben gegeven zijn we heel dichtbij kunnen komen, en dat is echt uitzonderlijk. Ze hebben ons carte blanche gegeven.

Wat hun belang daarbij is? Zij hebben de bijna onmogelijke missie om die door de politiek geformuleerde taak uit te voeren en denken: laat het maar eens zien. Want niemand staat er bij stil hoe ongelooflijk gecompliceerd het is. En mijn benadering beviel ze ook wel. Ik wilde gewoon observeren en een neutrale positie innemen. We zijn overal bij geweest, hebben geen interviews gedaan, maar puur geregistreerd.’

Nog even terug naar Duijst. Is het project mislukt?
‘Op het moment dat je iets heel nieuws gaat doen, met een mix van coa-medewerkers, mensen van de voogdij-instelling Nidos en anderen, heb je nog geen ingespeeld team. Eigenlijk moet zoiets een jaar de tijd krijgen om te groeien tot een volwaardig model. Verder had het model meer steun nodig. Niet alleen politieke steun, maar ook vanuit het Nidos. Het is uitermate belangrijk dat mensen in de campus één taal spreken en bereid zijn er een succes van te maken.

Ik vind het heel moeilijk om nu al te constateren dat het experiment een sof is. Het is erg lastig om die structuur en cultuur in die campus echt van de grond te krijgen. Jongeren hebben toch heel veel eigen keuzes gemaakt, door gewoon te vertrekken, over het hek te klimmen, allerlei acties te ontketenen, tot stakingen aan toe.

Daaruit zou je kunnen opmaken dat het niet is gelukt. Maar ik zei al eerder: zo’n model heeft tijd nodig. Je kunt niet verwachten dat als je iets heel nieuws gaat doen met een relatief onervaren ploeg vanaf dag één geweldige resultaten gaat boeken.
Nee, ik vind het nog te vroeg om terug te kijken.’