De geschiedenis van de WAO

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is er 1 woord wat de politiek steevast nachtmerries bezorgd: De WAO. Maar waar komen al die kopzorgen vandaan?

Van ongevallenwet tot Pemba

De WAO werd in 1967 ingevoerd. Tot die tijd bestonden er twee wetten voor mensen die om gezondheidsredenen niet meer aan het arbeidsproces konden meedoen, de ongevallenwet en de invaliditeitswet. Deze wetten voldeden niet meer omdat werknemers er alleen gebruik van konden maken als ze in werktijd arbeidsongeschikt waren geworden. Bovendien waren de uitkeringen laag; het was vrijwel ondoenlijk er mee in het levensonderhoud te voorzien.

De nieuwe WAO, ingevoerd door de toenmalige minister van Sociale Zaken Veldkamp, houdt in dat een ieder die langer dan een jaar arbeidsongeschikt is, tot zijn 65ste een uitkering krijgt van 80 procent van het laatstverdiende loon. Dat is een stuk hoger dan daarvoor, maar Veldkamp gaat ervan uit dat het aantal WAO’ers niet hoger zal zijn dan de aantallen werknemers die daarvoor gebruik maakten van de twee oude arbeidsongeschiktheidsregelingen.

De WAO blijkt echter iets te aantrekkelijk. Het aantal WAO’ers loopt op van een kleine 200.000 in 1970 tot 600.000 in 1980. De uitkeringen voor deze groep leggen een grote druk op de overheidsuitgaven, zeker als Nederland begin jaren tachtig getroffen wordt door een recessie.

Na jarenlang gesteggel komt er in 1987 een herziening van het stelsel van de sociale zekerheid, waar de WAO onderdeel van uitmaakt. De belangrijkste wijziging is dat de uitkering teruggeschroefd wordt van 80 naar 70 procent. Daarnaast gold er tot 1987 de regel dat iemand die gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en gedeeltelijk werkloos, toch een volledige WAO-uitkering ontving. In de herziening werd gesloten dat voor het werkloze deel van de arbeidstijd een uitkering diende te worden aangevraagd.

Ondanks dit aantrekken van de teugels bleef het aantal WAO’ers stijgen. De toenmalige premier Lubbers denkt hard over een oplossing, maar belooft alvast af te treden als het aantal WAO’ers de miljoen overschrijdt. Er wordt zelfs een parlementaire enquêtecommissie ingesteld die moet uitzoeken hoe er wordt omgegaan met het sociale zekerheidsstelsel.

Deze commissie komt tot de conclusie dat werkgevers de ruimhartige WAO-wetgeving nogal eens aanwenden om van werknemers af te komen. Het blijkt eenvoudiger te zijn een werknemer te laten afvloeien via de WAO, dan deze te ontslaan. De commissie bevestigd hiermee wat kabinet en kamer al wisten; om het misbruik van de WAO tegen te gaan, heeft de Eerste Kamer in 1992 al een wet aangenomen die werkgevers moet aanzetten het ziekteverzuim tegen te gaan. Ook worden er premies uitgeloofd voor bedrijven die arbeidsongeschikten in dienst nemen. Maar ook aan de werknemerskant verandert er het één en ander. Vanaf 1993 wordt een herkeuring na het eerste jaar WAO verplicht, en de WAO-uitkeringen worden nog maar voor vijf jaar toegekend. Daarna moet er opnieuw een aanvraag worden ingediend.

Maar de parlementaire enquêtecommissie concludeert ook dat de uitvoering van de wet te wensen overlaat. De structuur wordt danig aangepast; waarbij een landelijke instelling (de LISV) de uitvoering overneemt van de bedrijfsverenigingen. Daarnaast komt er een College van toezicht Sociale Verzekeringen), die in de gaten houdt hoe de toekenning van uitkeringen verloopt.

De serie wijzigingen lijkt resultaat op te leveren. Het aantal arbeidsongeschikten daalt iets in de loop van de jaren negentig, en de dreiging van het miljoen WAO’ers is afgewend. Maar het kabinet Kok wil deze trend doorzetten, door de invoering van de wet PEMBA. Deze wetgeving zorgt ervoor dat de WAO-premie geheel bij de werkgever komt te liggen. De werkgever betaalt meer als er veel werknemers van het bedrijf in de WAO terecht komen.

Maar ondanks deze maatregelen begint eind jaren negentig het aantal WAO’ers weer te stijgen. Onderzoek wijst uit dat de keuringen niet zorgvuldig genoeg worden uitgevoerd. Het kabinet stuurt in 1999 een set maatregelen naar de kamer die de instroom moeten verkleinen, en de uitstroom moeten vergroten. Zo moet er vaker herkeurd worden, en moeten arbeidsongeschikten actiever worden om weer aan het werk te komen. Ook moet er na 13 weken een reïntegratieplan worden opgesteld om zieke werknemers zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen.

Ook het huidige kabinet heeft nieuwe maatregelen in petto. Zo wil de regering het in 2002 uitgebrachte advies van de SER volgen. Dit advies houdt in dat de ziekteperiode verlengt wordt van één naar twee jaar. Daarnaast zullen alleen volledig arbeidsongeschikten nog in aanmerking komen voor een WAO-uitkering. Werknemers die tussen de 35 en 80 procent arbeidsongschikt zijn, zullen via een reïntegratieproject zo snel mogelijk weer terug aan het werk moeten.

De verlenging van de ziekteperiode van één naar twee jaar is inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu bij de Eerste Kamer. Er is haast bij; de nieuwe regel zou 1 januari 2004 in moeten gaan.