Interview met de maker Hans Fels

Vijfentwintig jaar geleden ontmoette Hans Fels Rassoul Labuchin, schrijver, poëet en cineast in Haïti. Ze raakten bevriend en maakten samen een film: Anita. Onder de diverse dictaturen werd Labuchin drie maal gearresteerd en verbannen, maar Aristide maakte hem burgemeester van Port-au-Prince. Met de nieuwe problemen in Haïti is ook Labuchin niet meer welkom in zijn land. Hans Fels zocht hem op en maakte voor Tegenlicht een portret.
Door Pam van der Veen

Menseneter Haïti

Voor je verjaardag
Voor je verjaardag geef ik je een blauwe taart
In de vorm van een hart op een blad van allerlei kleuren
De engelen in de hemel zullen ‘m versieren met sterren
Een halve maan en zonnestralen
Tekenaars en voodoopriesters
Ze zou vragen in welke geest ik geloof
Welke geest in mijn gedachten ronddanst
Deze taart zou je naast je droom verstoppen
Vergeet nooit dat ik van je hou
Vergeet niet dat de liefde uit mijn hart
Een paradijs is om nooit te vergeten

Rassoul Labuchin, schrijver/dichter/cineast/politicus

Hans Fels: ‘In 1979 werkte ik voor de Novib, voor een project dat Derde Wereld Cinema heette. Het idee was om regisseurs uit de derde wereld te helpen met het verfilmen van hun scenario. Normaal gesproken zouden ze daar de kans niet voor krijgen, maar met geld uit Nederland kon zo’n film echt gerealiseerd worden. Producent Rolf Orthel en ik hadden op die manier al een speelfilm gedraaid in Columbia en waren op zoek naar geschikte scenario’s in Bolivia en Martinique. Maar in Haïti ontmoette ik Rassoul Labuchin, in het beroemde hotel Oloffson, waar Graham Greene zijn The Comedians laat afspelen. Rassoul vertelde me een waanzinnig verhaal, over dromen, goden en voodoosessies. Dat was zijn scenario. Ik begreep er helemaal niets van. Toch vond ik het veel aardiger dan alle andere fel-realistische scenario’s die ik had gezien, dus heb ik Novib geadviseerd om deze film, Anita, te maken. In 1980 is dat uiteindelijk ook gebeurd, waarmee het de eerste Haïtiaans-Creoolse speelfilm was. De première in Port-au-Prince had heel wat voeten in de aarde, want Baby Doc was aan de macht en die zag er een ongewenste politieke lading in. Al tijdens het draaien was onze Haïtiaanse productieassistent opgepakt door de Tonton Macoutes, omdat hij ze het filmmateriaal niet wilde geven. Ze hebben hem in de gevangenis gezet en verschrikkelijk geslagen. We hebben hem wel kunnen loskopen, maar hij is daarna aan zijn verwondingen bezweken. Waarom het regime zo tegen die film was, hebben wij als Europeanen nooit helemaal begrepen. Er bleken allerlei signalen in te zitten, zoals bijvoorbeeld de manier waarop de actrices hun haren knoopten, die wij niet konden doorgronden. Verwijzingen die een politiek aanklacht in zich zouden dragen. Ook het verhaal, over het dienstmeisje Anita dat bij een arm gezin werkt, werd opgevat als een parallel met de geschiedenis van Haïti. Een land waarin de armen de nog armeren slaan en uitbuiten. Anita is dan ook meteen door Baby Doc verboden. En Rassoul werd gearresteerd. Het project heeft hem ongelofelijk veel moeilijkheden opgeleverd. Hij is er drie keer om gevangen gezet en drie keer om in ballingschap gegaan. Hij werd het slachtoffer van zijn eigen film. Anderzijds heeft die hem ook tot een nationale held gemaakt. Nu Anita niet meer verboden is, wordt de film nog steeds vrijwel elke maand uitgezonden.’

‘Rassoul en ik zijn in de loop der jaren vrienden geworden. Toen hij als balling in een voorstad van Parijs woonde, heb ik hem regelmatig opgezocht. Met een tas boodschappen en wat geld, zodat hij weer even verder kon. Ook nam ik hem wel eens meer naar Nederland. We praatten veel, hij is een dichter, die droomde van een grootse toekomst voor zijn land. Hij zag Haïti als het middelpunt van de wereld en weet er enorm veel van. Op een dag zaten we bij bodega Keijzer in Amsterdam. We keken uit over het Museumplein, waar reproducties waren opgesteld, die de geschiedenis van Nederland lieten zien. “Ooit ga ik dat ook doen in Port-au-Prince, op het Camp de Mars, het grote plein voor het paleis,” zei Rassoul.
Toen brak er een tijd aan waarin ik de ene dag niet wist hoe het de volgende dag met hem zou gaan. Baby Doc was inmiddels weg, er volgden periodes met andere dictators, en Rassoul was óf raadgever van de minister van Cultuur, óf hij was in ballingschap. Óf hij was directeur van het muziektheater, óf hij zat weggedoken onder een struik. We hebben het over Haïti en Haïti is een mangeur des hommes. Er hoeft maar een nieuwe staatsgreep te zijn, of je valt weer in ongenade.
Maar toen Aristide aan de macht kwam, leek opeens alles ten goede te keren voor Rassoul. Zeker na Arisitides terugkeer als president, toen hij met hulp van de Amerikaanse regering werd herkozen. In 2000 is Rassoul burgemeester van Port-au-Prince geworden. En toen de recente problemen in Haïti begonnen, ben ik erheen gereisd om te zien hoe het met hem ging. Op de heen weg werd de toestand steeds gevaarlijker, maar bij mijn aankomst wilde Rassoul mij maar één ding laten zien. Een grote verrassing, kondigde hij aan. Hij nam me mee naar het kerkhof, waar hij de geschiedenis van Haïti op een muur had laten schilderen. Hij had zijn droom in vervulling doen gaan. En daar gaat eigenlijk mijn hele film over: over een poëet die politicus werd, een naïeve romanticus die zijn hand in het wespennest van het Haïtiaanse gezag heeft gestoken.’

‘Ondanks de explosieve situatie, bleef Rassoul zijn enorme vertrouwen in Arisitide houden. Hij zag hem echt als de vertegenwoordiger van de masse populair. Het land werd om ons heen opgegeten, op een gegeven moment konden we Port-au-Prince niet meer uit, maar hij geloofde nog steeds dat het goed zou komen. Ik zei tegen hem: “De volgende keer dat ik je zie, is het weer in ballingschap, in land X of Y.”
Maar hij bleef onwrikbaar optimistisch. Pas toen hij belegerd werd door de rebellen, begon hij bang te worden. Ik had Haïti inmiddels verlaten, maar belde hem elke dag. Heel angstige telefoongesprekken waren dat, waarin ik op de achtergrond geweerschoten, geschreeuw en gebonk op de poort hoorde. Rassouls vrouw en twee kleine kinderen waren al gevlucht en ergens ondergedoken. Zelf kwam hij in handen van de rebellen maar werd – onder druk van de Fransen en de Amerikanen – na een paar dagen toch weer vrijgelaten. Nu is hij in veiligheid gebracht en zal hij een Franse escorte naar het vliegveld krijgen, zodat hij naar New York kan vertrekken. De volgende keer dat ik hem zie, zal dus toch weer in het buitenland zijn. De Haïtiaanse diaspora is dan ook enorm. Het land werd tweehonderd jaar geleden de eerste zwarte republiek, maar sindsdien volgde de ene hypocriete dictator na het andere corrupte regime. Dat geweld, die wreedheid zit in de ziel van de Haïtianen, zegt Rassoul. Het komt uit de slaventijd, waarin de bevolking niets anders zag of leerde dan slechtheid en onderdrukking, naar boven likken en naar beneden trappen. Dat is ook wat de nieuwe eerste minister van Haïti, die onlangs benoemd is, zegt: “Het probleem is niet Aristide geweest, het probleem is Haïti.”’

Dit artikel verscheen eerder in de VPRO gids.