Lubbers: Europese Unie moet meebetalen aan vredesmacht Sudan

Als hoofd van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, de UNHCR, is Ruud Lubbers nauw betrokken bij de situatie in Darfur, en het naastgelegen Tsjaad, waar veel vluchtelingen naartoe getrokken zijn.

Telefonisch interview met de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen

U bent tot vorige week in Darfur geweest. Hoe is de situatie daar nu?

Als ik nu rondga in Darfur, dan zie ik het volgende. De eerste waarneming is, dat er nu 'humanitarian access' is, in tegenstelling tot in de zomer, toen was er nog geen toegang. Daar is zeer hard aan getrokken, -dat was nog voor de tijd van Jan Pronk- door Jan Egeland, de 'emergency relief coördinator', met natuurlijk anderen, zoals de secretaris-generaal. En je kunt nu duidelijk waarnemen dat er volop toegang is. Het tweede wat je waar kunt nemen is dat er geen systematische voortgezette militaire actie is zoals die vroeger was, van bombarderen vanuit de lucht en milities de weg wijzen om de dorpen in te nemen en daar te 'cleansen'.

- Dat is nu opgehouden, zegt u?

Dat is opgehouden, hoewel er nog vele incidenten zijn. Dat heeft twee dimensies, ten eerste dat het staakt-het-vuren niet volledig wordt gerespecteerd door de beide partijen. Twee, er zijn daarnaast wellicht incidenten. Het is niet zozeer dat de twee partijen dat doen, maar dat de Janjaweed, dat zijn kleinere groepen, al of niet geïnstrueerd maar kan ook zijn op eigen initiatief, toch de mensen de schrik om het lijf jagen. De mensen met wie wij gesproken hebben, de Internally Displaced Persons, zijn doodsbang. Het geweld is nu een klein jaar aan de gang, en die herinneringen zijn zo levend, dat als iemand daar iets doet, krijgen we weer enorme schrikreacties. Een gering aantal incidenten houdt de schrik er stevig in.

- Hoe komt het nou dat de internationale gemeenschap zo moeilijk in staat is om humanitaire crises in Afrika op te lossen?

Toen ik er was in november vorig jaar ben ik niet in Darfur geweest maar ik kreeg toen wel informatie, ook van mijn eigen mensen, want we kregen toen de eerste vluchtelingen. Het waren toen nog redelijk kleine aantallen. Ik weet nog heel goed hoe ik op de deur klopte, de bel luidde, en zei: ”Dit kan absoluut niet.” Het antwoord was toen, zowel van de internationale gemeenschap als van meneer Garrang, wat toch een vrijheidsstrijder is, en van de regering: ”Dat zijn vreselijk overdreven verhalen, en wat er ook van waar is, onze prioriteit ligt bij de Noord-Zuid vrede”. Dat heeft geduurd, naar mijn schatting, van november vorig jaar tot april dit jaar, voordat de internationale gemeenschap omging, en die druk uitgeoefend heeft. Er is toch heel sterk de neiging om te zeggen: “Laten we maar even zien”, en dan is men te laat.

- Jean-Marie Guehenno (Onder-Secretaris-Generaal en hoofd Vredesoperaties van de VN, red.) zei dat er nog steeds te weinig een gevoel van urgentie is met betrekking tot Soedan. Bent u het daarmee eens?

Ik ken niet de precieze uitspraken, maar het is in ieder geval zo dat er in Soedan nog geen vrede is. Zo’n Darfur, daarvan dacht iedereen, wat is dat voor obscuur gebied, dat moet ergens in Soedan liggen. Mensen wrijven verbaast hun ogen open als ze horen dat het zo groot is als Frankrijk. Een enorm lange grens naar Tsjaad, en moeilijk te controleren, terwijl die African Union dat nu toch zou moeten doen.

- U spreekt over de betrokkenheid van de African Union. Jean-Marie Guehenno zei dat er te weinig Westerse troepen zijn in vredesoperaties. Zouden er ook meer Westerse troepen mee moeten doen?

In algemene zin, ben ik het eens met hem dat het goed zou zijn dat landen een deel van hun militaire capaciteit beschikbaar houden voor vredesmachten. Dat is een. Twee, ik ben tegelijkertijd een fan van de African Union, omdat ik met dat werk in Afrika het gevoel heb dat het heel belangrijk is dat Afrika voor de Afrikanen is. Het heeft toch grote voordelen. En ik zie dat nu ook weer met de enorme trots van de Soedanese autoriteiten. Die hebben er al moeite genoeg mee als er contingenten komen van andere Afrikaanse landen, maar het zou toch heel moeilijk zijn als daar Britse troepen binnenmarcheren. Dan moet je toch ook denken aan het vroegere koloniale complex, of het nu Fransen zijn of Britten, en daar kan je de Amerikanen rustig bijtellen. Ik geloof dat je in een moslimgemeenschap, heel voorzichtig moet zijn om Amerikaanse, of Westerse troepen in te zetten. Als het aankomt op specifieke situaties, dan mag je toch veel gewicht inzetten op alternatieven. Het is niet voor niks dat Scandinavische landen, en Nederland, makkelijker kwalificeren dan voormalige typische machtslanden als de VS of Engeland of Frankrijk. Aan de andere kant moeten we eerlijk zeggen dat bijvoorbeeld in Sierra Leone de Britten vrij effectief zijn geweest, maar dat komt omdat de Britse interventie hand in hand ging met een vrij stevige Afrikaanse troepenmacht. In Liberia ben ik nu tevreden met UNMIL, en dat zijn voornamelijk niet-westerse troepen. Ik begrijp Guehenno als hij zegt: Ik ben gefrustreerd als ik zie met welke overtuiging en gemak er NAVO troepen zijn, laten we toch een stuk daarvan vertalen in vredesmachten, en daar ben ik het zeer principieel met hem eens. Want de NAVO is altijd op zoek naar de vijand, en we weten waar de vijand is. Die is deels in het terrorisme, maar die is ook heel erg waar het fout gaat, conflicten ontstaan. In ‘failed states’ of nog niet goed gevormde staten. U heeft geen idee hoeveel ellende dat geeft. Het zou heel goed zijn dat Westerse landen, met een bepaald militair potentieel, nadrukkelijk een deel daarvan aanwenden voor het werk van Guehenno.

- Is er voldoende urgentie met betrekking tot de situatie in Soedan?

Geloof ik niet. Als ik de media volg, denk ik dat ergens die omslag gekomen is. Dat iedereen wel weet dat dat er is, en dat dat gevoel van urgentie er wel degelijk is. Vervolgens komt de vraag hoe je die bezorgdheid operationaliseert in actie.

- Wat zou u concreet nodig hebben om de vluchtelingen in Tsjaad en Darfur zo goed mogelijk te kunnen helpen?

Wat Pronk probeert te doen, de druk op de Soedanese autoriteiten, en eerlijk gezegd ook op de rebellen, door een perspectief te vinden voor als ze zich eraan houden, aan geen geweld, dat er een beloning inzit. Dat is één. Je kunt niets humanitairs doen, als je de wapens niet tot zwijgen brengt.

- En de beloning ziet u in een gedeeltelijke autonomie, van de regio?

Jazeker. Dat heb ik ook meteen gezegd. Dat is me niet door iedereen in dank afgenomen.

- Heeft u dat niet iets te vroeg gezegd?

Nee, want je kan nooit te vroeg de mensen prioritiseren. De politici zijn er vaak aan toe om te zeggen:”Nee nee, dat komt later wel”. Ineffectief. Ik was in Tsjaad, Ik sprak met mensen, het was kort voor Ramadan, dus ze vroegen wat extra dingen, suiker, zout, om een beetje redelijk Ramadan te kunnen vieren. Dus ik zei, ik ga het proberen, met het World Food Program samen. Maar, zei ik: “Wat ik belangrijk vind, is te proberen met jullie volgend jaar met jullie Ramadan weer thuis te vieren.” Maar op het moment dat je zo’n uitspraak doet, moet er een perspectief zijn. En het perspectief is er natuurlijk alleen als er een behoorlijke graad van autonomie is. Ik kan dat dus niet te vroeg vinden. Mijn ervaring is eerder dat we steeds te laat zijn. Dat is één. Dat zijn de drukmiddelen, dat is het werk daar. Daar tel ik ook de zegeningen van Jan Pronk’s kritische uitspraken in de veiligheidsraad.

Het tweede is de middelen beschikbaar stellen aan de African Union. Zijn er nog logistieke belemmeringen, zorgen dat er geld voldoende is. Dat kan hand in hand gaan met effectieve humanitaire acties op de grond, maar het is niet alleen een kwestie van voedsel en medische hulp, maar echt bescherming. Je moet met de mensen zijn, je moet die groepen van IDP’s (Internally Displaced Persons, red.) organiseren, daarvoor heb je middelen nodig. Als we voldoende middelen hebben, kom je ook aan die mensen .Voornamelijk van UNHCR durf ik dat wel te zeggen, we hebben een heel netwerk van tal van jongere mensen, NGO’s, die beschikbaar zijn om te gaan. Die moeten niet allemaal als een wilde rond gaan hollen, moeten in georganiseerd verband gaan, maar dat kan ik juist, als hoofd van die vluchtelingenorganisatie, met die ervaring, behoorlijk doen.

- De druk is er. Verwacht u dat de middelen snel ter beschikking komen om de African Union aan het werk te zetten?

Ik denk wel dat dat moet, en als die er niet komen, zou ik het de Europese Unie willen aanraden. Kijk eens naar die ontwikkelingspot, want ieder jaar is er moeite om het geld op te maken voor allerlei ontwikkelingsafspraken, en het niet bestede geld kan je dan maar beter besteden aan vrede en ontwikkeling daar in Darfur.

- Is dit een openlijk verzoek aan de Europese Unie?

Nou ja, vaak denken we in blokjes, dan denken we dat het niet kan, en aan het eind van het jaar hoor je allerlei onbestede middelen, omdat het allemaal in blokjes is. Ik vind dus dat het moet kunnen, en bureaucratische belemmeringen moeten worden weggenomen.