De media ten tijde van Irak

Achteraf is vastgesteld dat een aantal van de verhalen in de aanloop naar de oorlog in Irak niet op waarheid berusten; de bewijzen van Iraakse massavernietigingswapens waarmee Colin Powell de Veiligheidsraad toesprak, de heldhaftige bevrijding van soldaat Jessica Lynch, de menigte op het plein in Baghdad waar het standbeeld van Saddam werd omgetrokken. Het bleken zorgvuldig geregisseerde gebeurtenissen waarmee de politiek van de coalitie werd ondersteund. Maar konden de Nederlandse media weten dat de verhalen ‘spin’ waren? En zelfs als ze dat wisten, is er dan iets aan te doen?

Hoe is er omgegaan met spin en propaganda?

Communicatiewetenschapper en psycholoog Jaap van Ginneken vindt dat de kranten en tv-journaals zich te makkelijk in de val van de propaganda hebben laten lokken. “De journalistiek is naïef als het gaat om de inzet van propaganda. Er is een archaïsche voorstelling van propaganda, en men heeft te weinig in de gaten dat de PR en andere aanverwante takken van sport tegenwoordig een heel scala aan trucjes heeft om zaken op een bepaalde manier in de media te krijgen.” Volgens Van Ginneken geldt dat vooral voor zaken die de nationale veiligheid aangaan, zoals de oorlog in Irak. “Dan is tegeninformatie erg schaars, en lastig te vinden.”

Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal, vindt dat de redactie juist erg goed was voorbereid op de propaganda rond de oorlog in Irak: ” We hebben discussie gevoerd naar aanleiding van de eerste Golfoorlog. Toen hebben de media zich teveel laten meeslepen door de berichtgeving van Amerikaanse kant. Er was te weinig afstand. Eén van de voorbereidingen die we hebben genomen rond die massavernietigingswapens is dat wij satellietfoto’s van heel Irak hebben opgekocht, om zelf ook te kunnen bezien of de Amerikaanse claims aannemelijk waren. Op die manier proberen we een eigen dossier op te bouwen. Maar we zijn niet de CIA natuurlijk.”

Laroes ziet wel dat het soms erg moeilijk is verhalen op waarheid te controleren. “We proberen zoveel mogelijk een eigen positie te houden. Maar op sommige momenten, zoals met de speech van Powell in de Veiligheidsraad, is dat moeilijk. Hij komt met bewijzen, en wij kunnen dat niet zelfstandig controleren. Je bent niet ter plaatse, je kan niet zeggen of er iets anders in die buisjes zit dan Powell zegt. Wat dat betreft is de informatievoorsprong die een regering heeft in dit soort omstandigheden vrij groot. Dan moet je duidelijk maken dat het de opvatting van één van de partijen is en niet alles wat daar gezegd wordt voor eigen rekening nemen.”

Maar hoe zit dat dan met de beelden die ons over tien jaar nog op het netvlies staan, zoals het omvertrekken van de standbeeld van Saddam Hoessein in Baghdad? Achteraf bleken er veel minder mensen op het plein te zijn dan dat leek op de beelden die de wereld overgingen. Van Ginneken:”Ik heb meteen gezegd dat dat een geregisseerde gebeurtenis was. Dat kon je aan allerlei dingen zien. En het heeft heel lang geduurd voordat de details daarvan zijn doorgedrongen tot de media.” Maar voor Laroes is het geen reden om terug te komen op de uitzending ervan. “We hebben er later wel over bericht dat het geregisseerd was door de Amerikanen.” Dat het beeld wat blijft hangen van een regisseerde gebeurtenis is, maakt Laroes niet veel uit. ”In dit voorbeeld is het wel degelijk het moment geweest waarop je kan zeggen dat Baghdad gevallen is. Dan doet het er niet zoveel toe of er duizend mensen stonden, of honderdvijfentwintig. In die zin is er wel een symbool waarde.”

Maar Laroes ziet wel dat de kans groot dat hij later moet concluderen dat ook bij deze oorlog het journaal zich heeft laten gebruiken als propaganda vehikel: “Ik denk dat als je over langere tijd terugkijkt, dat ongetwijfeld het geval zal zijn. Het is ook niet te voorkomen. Je moet alleen de schade zoveel mogelijk beperken.”

Ook Van Ginneken denkt niet dat het te voorkomen is dat de media propaganda doorgeven: ”Maar te verminderen is het wel. Dan moet je er veel meer over praten. Op opleidingen, in journalistenbladen, op redacties. Je zou je vertrouwd moeten maken met een andere epistemologie, een andere kennisleer, omdat de journalistiek doordrongen is van een achterhaalde en positivistische kennisleer, waarbij het lijkt alsof harde feiten makkelijk voor het oprapen liggen. Dat is uiteindelijk niet zo, je hebt te maken met constructies en versies van gebeurtenissen.”

Maar als het dan toch gebeurt, wat dan te doen als redactie? De Amerikaanse kranten New York Times en Washington Post verontschuldigden zich achteraf voor de berichtgeving in de aanloop naar de oorlog. In uitgebreide mea culpa’s bekenden de kranten dat ze zich teveel hadden laten meeslepen door de informatie vanuit de Amerikaanse overheid. In Nederland heeft het NRC Handelsblad zich ook achteraf verantwoord voor de berichtgeving in de aanloop naar de oorlog.

Hans Laroes voelt die behoefte niet. “Wij hebben geen opiniefunctie. De argumenten van Bush hebben die kranten er mede toe gebracht een bepaald standpunt in te nemen over de oorlog, dat is wel een groot verschil tussen kranten als een televisienieuwsorganisatie. Ik vind niet dat wij standpunten hebben ingenomen op basis van uiteindelijk onbetrouwbare bronnen. Wij hebben ons beperkt tot berichtgeving, en net als met verkiezingen, weet je dat er spin op je wordt losgelaten. Het enige wat je kan doen is beschrijven dat dat zo gaat. En uitlatingen voor rekening van de bron waar ze vandaag komen laten.”

Maar Van Ginneken zou wel het NOS-journaal willen zien openen met excuses: “Het is onfatsoenlijk dat ze dat niet hebben gedaan. Ze moeten laten zien dat ze ook kwetsbaar zijn, dat ze ook maar alleen hun best doen. Het probleem van journalisten is dat zij het beeld bepalen van de journalistenstand, en daar een beetje misbruik van maken door dergelijke discussies niet met voldoende elan te voeren.”