kijk live

Eén hand kan niet klapt en andere verhalen uit de zwarte klas

Kees Beekmans schreef een boek met verhalen over zijn ervaringen als docent aan een VMBO en een praktijkschool, en kreeg hiervoor de E. du Perronprijs 2004. Hieronder vindt u enkele verhalen uit deze bundel.

Lees enkele verhalen uit het boek van Kees Beekmans

Senad

De theaterles, één uur per week gedurende de basiscursus Nederlands, was het uur van Senad – het enige waarin hij ongestraft zichzelf kon zijn. Waar de meeste leerlingen tijdens de eerste les braaf de bewegingen van een voetballer of een zwemmer nabootsten, daar ging Senad slechts ietwat door de knieën toen het zýjn beurt was een geliefd tijdverdrijf uit te beelden. In die houding keek hij de rest
van de klas afwachtend aan.
Niemand raadde, of dorst te raden, wat dat voor hobby was. ‘Nou Senad, Senad was het toch hè,’ zei theaterdocente Patchouli, ‘wat is dat, wat doe jij graag?’
‘Poepen,’ riep Senad. Een en ander veroorzaakte hilariteit – en toch, toch kwam het op mij niet banaal over. Natuurlijk, Senad had willen provoceren, maar dan alleen door een gewoonlijk verzwegen waarheid nu eens uit te spreken.
De zeventienjarige Senad, alleen in naam moslim, was afkomstig van en gevlucht uit Bijeljina, een kleine, overwegend Servische stad in het noordoosten van Bosnië. Hij ging, met zijn Levi’s 501 en houthakkershemd, westers gekleed. Met zijn lange zwarte haar, dat hem als een half gesloten gordijn voor de ogen hing, met zijn
passie voor muziek en bovenal met zijn dat-niet-zo-belangrijk-houding waar het schoolse zaken betrof, vertegenwoordigde hij het type van de hippie.
In de derde week, de derde theaterles, speelde de 26-jarige Patchouli zelf mee, ze speelde een liftster. Gestrand ergens op het platteland, azend op een ritje naar de grote stad, sprak ze Senad aan, die op zijn stoel in de kring zat. ‘Oo´o´o´o´o´o´ mene´e´e´e´e´r! Wat een mooie auto heeft u! En ik hoor dat u naar de stad gaat... Mag
ik niet met u meerijden?’
Het was de soort situatie die het beste in Senad losmaakte. Hij trok een verveeld gezicht en liet zijn blik schaamteloos – de ranzige intentie droop ervan af – de lichaamsvormen van de nu aan zijn genade overgeleverde Patchouli aftasten. Toen zei hij: ‘Ja, ik wel mooie auto, maar auto niet benzien, jammer.’ Daar moest Patchouli zich nu maar weer uit zien te redden. Bij geen van de andere leerlingen, zo kort hier op school vaak maar al te bereid te behagen, zou ze op een dergelijke manier voor het blok
zijn gezet. Aardig is dat Patchouli geloof ik niet besefte dat Senad hier onderhandelde, zo ongeveer als de tipgever die pas iets gehoord, gezien heeft als men hem daarvoor beloont. Ze droop althans af en probeerde het nu bij een ander.
Tijdens de theaterlessen wordt de klas doorgaans in tweeën gedeeld en wordt met beide groepjes leerlingen in verschillende lokalen een eenvoudig stukje ingestudeerd, wat zo’n twintig minuten in beslag neemt. Vervolgens worden de stukjes opgevoerd. Theaterles 5 had als thema trouwen, wat aansloot op de teksten die in de vijfde
week van de cursus Nederlands gelezen werden. Senad kreeg de rol van een in zorgen verkerende moeder toegewezen, de Marokkaanse Mohammed de rol van echtgenoot. Een lastige tegenspeler, deze Mohammed. Een stevige knaap met grijze ogen en een gouden hart. Een jongen vol vuur maar in zijn enthousiasme nogal eens onbehouwen.
Om zich op zijn rol voor te bereiden vroeg Senad Vesna, ook uit Bosnië, om haar lippenstift, maakte hij vlechtjes in zijn lange haar en knoopte hij bij wijze van jurk een theedoek om zijn middel. Al hield ik zeker de Marokkanen nog niet in staat tot een dergelijke travestie, er was niemand die er aanstoot aan nam. Integendeel,
Senads creatie bracht een grote vrolijkheid teweeg.
‘O mijn man, mijn man, waar onze dochter, waar onze dochter nu?’ zette Senad jammerend in, met een zachte maar schrille stem. Wij toeschouwers – de halve klas en ik – hoorden die stem voor het eerst en begonnen te lachen. Senad negeerde onze reacties. Het gelach prikkelde vermoedelijk wel de temperamentvolle Mohammed.
Zoon Abdellatif, ook uit Marokko, kwam thuis.
‘WAAR JOUW ZUS! ’ schreeuwde Mohammed, buiten zinnen van woede, nog voordat Abdellatif, een bescheiden jongen, iets had kunnen zeggen.
‘Zij nog in disco,’ antwoordde Abdellatif zacht.
‘WAAAT! WAT JIJ ZEGT! JIJ HIER TERUG ALLEEN ZONDER JOUW ZUS! JIJ
HALEN JOUW ZUS! ’ Ruw greep Mohammed de tengere Abdellatif bij de schouders – ‘Maar zij niet komen,’ sputterde deze nog tegen – en wierp hem de deur uit.
De arme Abdellatif maakte nu een wat verbouwereerde indruk. Mohammed had hem van het toneel verwijderd terwijl zijn rol daar nog niet uitgespeeld was. Wat moest hij nu? Gelukkig hield Senad het verloop van het stuk beter in de gaten. Met hetzelfde klagerige stemmetje als van zoëven zei hij: ‘Waarom zoon, waarom jouw zus
niet komen? Is huis niet goed?’ Hij begon zacht te snikken.
‘JA!’ sprong Mohammed zijn vrouw bij, zich realiserend dat hij iets vergeten was. Hij greep Abdellatif bij de arm en sleurde hem terug het huis in. ‘WAAROM JOUW ZUS NIET KOMEN! ZEG JIJ! ZEG!’
Abdellatif werd heen en weer geslingerd.
‘Zij ziet man in discotheek. Gaat trouwen.’
‘WAAT JIJ ZEGT! WAAT JIJ ZEGT’, schreeuwde Mohammed, buiten zichzelf.
‘Gaat trouwen,’ herhaalde Abdellatif maar.
Senad begon opnieuw te jammeren, eerst zacht maar allengs luider. Mohammed had hem tot nog toe weinig ruimte gegeven. Nu, nu het stuk vast dreigde te lopen, eiste hij die ruimte al improviserend op. Als een door verdriet verscheurde volksvrouw hief hij zijn handen ten hemel en liet een hysterisch gehuil horen. ‘Mijn man, Mohammed, waar ben jij, waar ben jij?’ Hij stond op, zette een paar wankele passen en viel Mohammed om de hals. ‘Wat nu gebeurt... wij dit niet... wij dit niet...’
Wij genoten van zijn spel. Verdiend, dat was ongetwijfeld het woord waarnaar hij zocht, maar hij kende het nog niet. Op dat moment kwam dochter Aura, uit Chili, thuis.
‘WAT IK HOOR! WAT IK HOOR! ’, stoof Mohammed op.
Zoals gezegd was de theaterles het uur van Senad.Misschien was het vooral zijn onwil om aan verwachtingen te voldoen dat hem tijdens de theaterlessen het ongekroonde koningsschap bezorgde. Tijdens de overige lessen, de lessen Frans, de lessen wiskunde, pakte die tegendraadsheid wat minder voordelig voor hem uit. Senad dééd eigenlijk niets. En dus heette het aan het eind van het jaar dat voor deze jongen
‘ander onderwijs geschikter’ was.Wat dan wel,dat wist niemand,maar Senad verliet, keurig verpakt in dat beschaafde predikaat, de school.

De o zo kleine Hasan

Zelfs voor een brugklasser is hij nog klein, de o zo kleine Hasan. We oefenen het beginrijm. In het boek staan de voorbeelden: ‘Melk Moet’ en ‘Fijn dat ik Fiets’. En ook een over haring: ‘Hollandse Nieuwe. Zilver uit Zee’. Hasan moet het nu zelf proberen, met Fanta en King. Aandachtig staart hij naar de plaatjes in het boek, een van een fles Fanta en een van een rol pepermunt. Wat daarbij te bedenken? Onbewust kauwt hij op zijn pen.
Zodra hij iets opgeschreven heeft komt Hasan mij dat laten zien. Hij vergeet daarbij dat hij eerst zijn vinger moet opsteken en aan mij moet vragen of hij naar mij toe mag komen – zonder deze regel wordt het in deze brugklas erg snel erg onoverzichtelijk. Dus als het arme jochie in zijn enthousiasme naar mij toekomt, moet ik beginnen
met hem terecht te wijzen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: ‘Ik heb geen vinger gezien Hasan.’
Ach! Hasan was het helemaal vergeten! Bij wijze van excuus lacht hij mij toe, loopt twee passen terug naar zijn bank en gaat met opstoken vinger half op zijn stoel zitten, als het ware startklaar. Ik knik ernstig en Hasan komt even gretig als zoëven met zijn schrift naar mij toe. Sommige leerlingen uit deze klas zouden gaan mokken en
vinden dat ik kinderachtig ben – eerst weer iemand laten zitten en zijn vinger laten opsteken – maar Hasan ziet dat gelukkig anders.
Hij is blij de kans te krijgen het goed te maken, die nog o zo kleine jongen. ‘Is dit goed meester?’ Vol verwachting toont hij mij zijn werk. Hij hoopt op een compliment.
‘Fijn Fanta!’, lees ik. Kennelijk heeft Hasan goed gekeken naar het Fijn dat ik Fiets. En voor de pepermunt heeft hij verzonnen: King dat vint iedereen leker.

‘Fijn Fanta,’ zeg ik, ‘dat is heel goed Hasan.’ Onmiddellijk begint Hasan te glimmen van trots en even kijkt hij om zich heen om te zien of ook andere leerlingen dit gehoord hebben. ‘ ‘‘King dat vindt iedereen lekker’’, dat lijkt mij heel waar Hasan, maar waar zit het beginrijm?’
‘Huh?’ Met wijdopen ogen kijkt Hasan mij aan. Even is hij met stomheid geslagen, dan lacht hij verontschuldigend, verzoenend, en zegt: ‘O ja, ik was het vergeten meester.’ Snel loopt hij terug naar zijn bank.
Een paar minuten later steekt hij zijn vinger weer op. Dit keer heeft hij geschreven: King heel leker. ‘Hasan,’ zeg ik, ‘lekker moet met twee k’s he`?’
‘O ja meester.’ Ernstig gezicht.
‘Enne,’ vraag ik voorzichtig, zo achteloos mogelijk, ‘wijs mij nu dat beginrijm eens aan.’
‘Hier meester.’ Hasan wijst op de l van heel en op de l van leker.
‘Natuurlijk!’ roep ik. ‘Wat dom dat ik dat niet had gezien! Dat had je goed verstopt vriend!’ Hasan lacht gevleid mee – inderdaad, dat had hij goed verstopt – maar houdt verder wijselijk zijn mond.
‘Maar luister Hasan,’ zeg ik, ‘nu ik zie dat jij dit zo goed kan, met dat beginrijm, wil ik het nog iets moeilijker voor je maken. Probeer nu eens de woorden met dezelfde letter te laten beginnen, ja? Zoek woorden die met dezelfde letter beginnen, zoals je al bij Fijn en Fanta had gedaan, die woorden beginnen allebei met een F. Probeer dat
nu ook eens met de pepermunt.’ Omdat ik niet zeker ben dat hij het
begrepen heeft, leg ik hem het nog een keer uit, met een ander voorbeeld
dan Fijn en Fanta. Het enige wat ik niet zeg is dat hij nu dus naar een woord met een K moet zoeken, hij moet immers iets met King doen. Dat stapje wil ik hem toch echt zelf laten maken.

Hasan keert weer terug naar zijn bank, verguld met deze nog moeilijkere opdracht.
Als hij zich ten derde male aan mijn tafel vervoegt, luidt de slagzin: King leker de lekkerste. En maak ik Hasan in plaats van hem voor de derde keer terug te sturen een groot compliment: al die k’s en al die l’en, het is geweldig. Als de jongen terugloopt naar zijn bank laat hij zijn schrift ongevraagd aan enkele klasgenoten zien. Deze les kan
voor Hasan niet meer stuk.
En zo verlopen de meeste lessen terwijl de dag nadert, voor het gevoel steeds sneller, dat ik Hasan een harde slag moet toebrengen. Af en toe incasseert hij al een flinke tik, als hij zijn proefwerken terugkrijgt. Maar hij heeft zo het vermogen zijn zware onvoldoendes weg te redeneren. Hij was ziek, hij had de dag tevoren niet kunnen
leren, hij had hoofdpijn tijdens de repetitie, of het was een moeilijk hoofdstuk, het volgende gaat hij beter doen, let maar op meester.
Het jongetje is een geboren optimist.
Mijn collega’s en ik zullen de geboren optimist, die mij eens toevertrouwd heeft dat hij later ‘architecteur’ wil worden, aan het eind van het jaar naar een ander school moeten sturen, naar het lager beroepsonderwijs, want MAVO is voor Hasan te hoog gegrepen. Het hele jaar hebben wij hem op een aardige en soms zelfs nog vleiende manier op zijn falen kunnen wijzen. Maar de boodschap aan het eind van het jaar, dat nu snel in zicht komt, zal hard aankomen, hoe wij die ook verpakken. En erger nog: Hasan zal dankzij onze vleiende manier van corrigeren niets van die beslissing begrijpen.

De Bush hij wil pitrol pakken

De Marokkaanse Fouad, een nog kleine jongen van dertien jaar, houdt er in mijn ogen een zeer afgewogen standpunt met betrekking tot de oorlog op na:
‘Ik vind Bush is een slechte man omdat hij doet raar en hij wil pitrol van Irak pakken en hij vermoord veel mensen in Irak en saddam is ook niet goed want ieder oorlog vermoord hij alle codistaan mensen met de vuur’
.
Van Fouad heb ik nooit last. Fouad laat graag zien dat hij zijn best doet en ik moet oppassen dat ik Fouad, die natuurlijk ook wel eens kletst, niet te hard aanpak. Als ik mijn stem jegens hem verhef, springen onmiddellijk de tranen in zijn ogen en heb ik onmiddellijk spijt, want dat was nu ook weer niet de bedoeling.
Fouad is ruim een jaar in Nederland en zit in de eerste klas. Hij is moslim, net als de meeste van zijn medeleerlingen, en het kan geen kwaad eens een les aan de oorlog te besteden. Het moet overigens gezegd dat in het gebouw waar ik werk, met louter leerlingen die hier pas zijn en met een overgrote meerderheid aan moslims, we geen last hebben van de oorlog. Op de maandag na de aanval op Irak kon een groepje opgeschoten jongens het niet nalaten ‘Oorlog!
Oorlog!’ door de gangen te scanderen, maar dat was alleen toen ze net binnenkwamen. Toen de eerste les begon was het voorbij. Sindsdien is het alsof in ons gebouw in De Pijp de oorlog in Irak niet bestaat.
Hij bestaat natuurlijk wel. En iedere leerling heeft er zo zijn eigen mening over – een politieke mening maar ook een meer persoonlijke mening. Dit bijvoorbeeld, deze redenering, vind ik typisch Fouad, die gevoelig is voor onrecht:

‘Bush zegt dat de mensen in Irak zijn niet vrij en dat is niet waar
omdat zijn eegelijk tegenwoordig niet vrij, want ze zijn elke dag
bang voor de raketen en dat is niet een redden voor oorlog.’

Maar dat politieke idee van de olie – de pitrol – heeft hij natuurlijk niet van zichzelf. Ik vind het onthullend dat bijna al mijn islamitische leerlingen in hun opstel met die olie op de proppen komen. Dit is wat Abdelila schrijft:
‘Ik vind deze oorlog niet leuk. Bush hij wil deze oorlog om de
petrol om te pakken.’

Abdelila komt ook uit Marokko. Hij is een jaar ouder dan Fouad en een stuk groter, een vriendelijke jongen, goedwillend en bescheiden. Maar sinds kort zit Abdelila naast Ghais, die uit Afghanistan komt,
en van diens kwajongsachtige brutaliteit gaat kennelijk een grote aantrekkingskracht uit:
‘De Bush is een aap man.’ schrijft Abdelila ook nog. Voor Ghais had Abdelila dat niet durven
schrijven. Zelfs nu, als hij mij zijn blaadje overhandigt, kijkt hij mij nog onzeker lachend aan, of ik dat wel pik, dat aap man. Dat buurman Ghais in deze de kwade genius is, is niet moeilijk te bewijzen.

Ghais schrijft:
‘Ik vind Bush is een cloothzak man. Ik vind hij kankar flikker.’

Ghais doet graag stoer, en hij durft zich ook uit te spreken, maar hij stelt toch prijs op een goede band met mij, zijn leraar. En daarmee wordt Ghais een leuke jongen, met pit. Als hij zou merken dat ik het niet goed vond dat hij zich in dergelijke bewoordingen uitdrukte, zou hij dat ook niet doen. Omdat hij weet dat hij van mij alles
mag schrijven, doet hij zijn best buurman Abdelila en misschien ook nog wat andere klasgenoten te imponeren.
Ook Ghais denkt dat Bush oil van Irak wil hebben, maar hij denkt dat Bush misschien nog wel meer wil:

‘Bush wil dat Irak mensen drink wijn, geen biden, misschein in
Irak ook slecht kleren draagt de meisjes.’

Dat het Bush om olie te doen is en misschien ook wel om een kruistocht tegen de islam: afgaande op deze opstellen moeten het de pijlers onder de islamistische berichtgeving (van de televisiezender Al-
Jazeera) zijn. Want waar anders dan thuis halen jongens als Fouad en Abdelila en Ghais hun stelligheid vandaan? Ghais vond overigens de Amerikaanse bombardementen op Afghanistan wél een goed
idee, want: ‘Ik vind taliban is een dom mensen.’

In de lijn der verwachting uiten de meisjes zich wat minder agressief en tonen meer oog voor de ellende van het volk. Rafika uit Marokko,een lief en verlegen meisje van veertien jaar, dat geen hoofddoek
draagt maar zich wel wat ouderwets kleedt, schrijft:
‘In Irak is veel mensen sterven en sommige mensen zijn ziek van kanker. Veel mensen zijn bang voor de raket. Ik vind Bush slecht man en veel mensen in Amreka en andere landen ook vinden buch helemaal niet goed en ze willen niet oorlog maken ze wil buch stop met oorlog.’

Rafika vindt Saddam ook een slechte man en ondertekent met NO WAR.