De wachtkamer van de Europese Unie

De berichten van vluchtelingen die Europa proberen te bereiken, halen regelmatig het nieuws. Sommigen sterven tijdens de oversteek in de Middellandse zee, opeengepakt in kleine of ondeugdelijke boten. Anderen redden het tot in Italië of Spanje, vervolgen hun leven als illegaal of vragen asiel aan in een EU-land. En weer anderen komen niet aan de oversteek toe en stranden in Noord-Afrikaanse landen als Libië, Marokko, Algerije en Tunesië. Naar schatting proberen ongeveer 100.000 vluchtelingen per jaar via Afrika Europa te bereiken.

EU wil vluchtelingen buiten eigen grenzen beoordelen

De Europese Unie zit al jaren in de maag met deze grote stromen vluchtelingen. In de opbouw van een gezamenlijk asielbeleid voor alle EU-landen is gekozen voor een strategie waarin de EU de deur steeds meer gesloten houdt. In het Schengen-akkoord van 1985 werd al besloten dat ter compensatie van het opengooien van de binnengrenzen de buitengrenzen van de Europese Unie beter moesten worden afgegrendeld.

Hoewel er sinds die tijd veel is geïnvesteerd in grensbewaking, zijn de EU-ministers allerminst tevreden. En dus is de aandacht verplaatst naar het opvangen van vluchtelingen buiten de EU. De Engelse premier Blair lanceerde in 2003 een omstreden plan, waarin de opvang van vluchtelingen uit Afrika plaats zou moeten vinden in zogenaamde Transit Processing Centers in Noord-Afrikaanse landen als Marokko. Daar zouden dan asielprocedures plaats kunnen vinden, zodat de vluchteling een beslissing zou kunnen vernemen zonder ooit een stap in de EU te hebben gezet. Het plan stuitte op veel kritiek, niet alleen van binnen de EU. Een aantal Noord-Afrikaanse landen waar dergelijke centra zouden moeten verrijzen, wezen het plan af. Diederik Kramers van het UNHCR: ”Wij zijn een voorstander van opvang in de regio, maar in dit geval was het erg onduidelijk wat de bedoeling was.”

Na aanvankelijk te zijn weggelegd, werd het idee van de Transit Processing Centers in gewijzigde vorm boven tafel gehaald door de Duitse minister Schily en de Italiaanse minister van Europese Zaken Buttiglione in de zomer van 2004. In de gewijzigde versie zouden de Transit Centers niet alleen ingezet kunnen worden voor de vluchtelingen die de Noord-Afrikaanse landen bereikten, maar ook vluchtelingen die tijdens de overtocht over de Middellandse Zee gepakt worden, konden ernaartoe gestuurd worden.

Ondertussen ondernemen EU-lidstaten zelf ook actie om de stroom vluchtelingen in te dammen. Zo heeft Italië een samenwerkingsovereenkomst met Libië afgesloten. De twee landen zullen patrouilleren boven zee, en boven Libisch grondgebied, om vluchtelingen op te sporen. De overeenkomst is sterk bekritiseerd omdat Libië geen asielprocedures kent, en ook de Geneefse conventie met betrekking tot vluchtelingen niet heeft ondertekend.

Alhoewel de plannen van Blair en Schilly nog lang niet zijn aangenomen, is het duidelijk dat de EU in de vorming van een gezamenlijk asielbeleid vooral kijkt naar de externe dimensie. Zo is er door de Europese Unie en Nederland geld vrijgemaakt om onderzoek te doen naar de situatie van vluchtelingen in de Noord-Afrikaanse landen. Diederik Kramers van de UNHCR: ”Er komt een onderzoek om te kijken hoe de bescherming van vluchtelingen in deze landen verbeterd kan worden.”

Dit onderzoek kan meer data verschaffen over de voor- en nadelen van de voorgestelde centra in de Maghreb landen. En in de tussentijd kan het onderzoek de UNHCR helpen meer toegang geven tot de vluchtelingen die gestrand zijn in Noord Afrika. Diederik Kramers: ”Er zijn nog geen resultaten, maar dat is zeker mogelijk.”