"Als je filmt ga je er nooit vanuit dat de mensen die je filmt, dood kunnen gaan".

De Poolse documentairemakers Mariusz Pilis en Marcin Mamon reisden rond in Tsjetsjenië, Afghanistan, Qatar en Pakistan in hun zoektocht naar het gedachtegoed achter de fundamentalistische Islam. Nu Maruisz Pilis terug is, en de film gemonteerd en klaar voor uitzending, kijkt hij terug op deze tocht.

Interview met documentairemaker Mariusz Pilis

We zijn eigenlijk al in 1995 begonnen aan deze film. Toen reisden Marcin en ik naar Tsjetsenië, naar aanleiding van een boek van een Poolse soldaat die in de negentiende eeuw gevangen genomen was door de Russen, en die naar Tsjetsjenië was gestuurd. In dat boek schreef hij over wie de Tsjetsjenen waren en waar ze voor vochten. En wij wilden zien of het overeenkwam met nu.

Uiteindelijk hebben we meerdere reizen gemaakt naar Tsjetsjenië, en we hebben daar zoveel mensen gesproken. Er wonen maar anderhalf miljoen mensen, en we konden uiteindelijk iedereen ontmoeten. Presidenten, oud-presidenten, commandanten. Ze begrepen wel dat wij niet uit waren op korte sensatieverhalen, maar dat we echt wilden weten hoe het zat. Dat we de waarheid wilden achterhalen. En tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog waren ze bereidwillig omdat ze toen dachten dat het Westen hulp zou bieden. Later, toen die hulp uitbleef, werd het wel moeilijker, maar toen kenden we al veel mensen. Dat wij uit Polen komen, en eenzelfde achtergrond hebben met betrekking tot de Sovjet-Unie, maakte ook dat er iets van een verbond was, dat zij ons begrepen. Het is nu wel moeilijker; de jonge generatie is opgegroeid na de val van de Sovjet-Unie, en die zijn veel geslotener. En veel van de mensen die we kenden zijn ëen gewelddadige dood gestorven. Dat maakt het ook moeilijker.

In Tsjetsjenië hebben we Yandarbiev enkele malen ontmoet. Hij is de oud-president van Tsjetsjenië. Toen we twee jaar geleden het idee kregen om een film te maken over de religie en de achterliggende gedachten achter de strijd van de Tsjetsjenen, vroegen we hem om hulp. Hij was toen al door de VN aangemerkt als terrorist, vanwege zijn contacten met de Taliban. Hij vond dat zelf erg onterecht, hij vond dat hij onschuldig was. Hij wilde naar de rechter stappen, maar hij kon geen advocaat vinden die hem wilde verdedigen. Hij was heel open voor de camera, omdat deze film voor hem de enige manier was om zijn verhaal te vertellen aan de wereld.

Als je filmt, ga je er nooit vanuit dat de mensen die je filmt, dood kunnen gaan. We waren dan ook geschokt toen we hoorden dat Yandarbiev gedood was door Russische geheime agenten. We besloten al snel dat we de film af wilden maken, en ook naar Afghanistan wilden gaan. Maar dat was moeilijk geworden. Toen Yanderbiev nog leefde, rekenden we erop dat hij ons zou steunen. Toen hij gestorven was, probeerden we de mensen te vinden waarvan hij gezegd had dat die ons konden helpen. We konden ze niet vinden. Wij begrijpen die wereld daar niet, deze wereld van mensen die ons bevechten. Ze zijn overal in Afghanistan, maar ze verstoppen zich. Natuurlijk is het gevaarlijk, maar als je een verhaal wilt vertellen, moet je daar niet teveel over nadenken. We zijn uiteindelijk toch maar gegaan.

Op een gegeven moment waren we dichtbij Osama Bin Laden, en Mullah Omar. Ik had mezelf al vaak afgevraagd wat ik hen zou vragen als ik de kans kreeg. En ik kon niets bedenken. Ik weet het nog steeds niet. Deze film gaat over iets groters dan Osama Bin Laden of Mullah Omar. Als ik de mogelijkheid zou hebben om ze te spreken, zou ik het niet doen, geloof ik.

The Smell of Paradise gaat over religie, vergiffenis, over de dingen die heilig zijn en die acceptabel zijn voor God, en die acceptabel zouden moeten zijn voor de mensheid. Het gaat om een universele waarheid.

Deze wereld van hen, die vecht tegen ons, tegen onze Westerse wereld, tegen de wereld die langzaam niet meer in God gelooft. We kunnen dat niet laten zien door de christelijke wereld in beeld te brengen. Voor het publiek is het duidelijker te zien via de moslimwereld. Omdat zij aan de frontlinie staan van dat gevecht. Zij hebben duidelijke overtuigingen in hoe de wereld hoort te werken, en daarom besloten we te werken met de islam.

Mijn fascinatie met die wereld heeft natuurlijk te maken met het feit dat ik zelf gelovig ben. Ook al ben ik katholiek en zij moslim, dat maakt niets uit. Wij proberen ook te begrijpen waarom we op aarde zijn, waar we zijn. Zij snappen wat het is om in God te geloven, wat het is om te geloven. Zij proberen ook te zien wat de waarheid is, alleen hebben zij de Koran, en wij de Bijbel. Maar ik weet niet of het feit dat ik gelovig ben, het makkelijker heeft gemaakt het te begrijpen. Het is genoeg om mens te zijn, en het verschil tussen goed en kwaad te zien, dus om die wereld daar te begrijpen, zou het niet uit moeten maken of je gelovig bent of niet. Maar misschien is het iets makkelijker, omdat als je gelovig bent, het verschil tussen goed en kwaad groter is. Ik snap wat hier slecht is, en wat daar slecht is. Ik bekijk het misschien wel vanuit een katholiek gezichtspunt, omdat ik zie dat we in gesprek moeten gaan met elkaar, omdat we allemaal in deze wereld leven.