De Dominotheorie

Als we Amerikaanse neoconservatieven zoals William Kristol moeten geloven, hebben de omwentelingen in Libanon alles te maken met het grote Amerikaanse democratiseringsproject in Irak.

 Volgens de ijzeren logica van de dominotheorie heeft de omwenteling in Irak nu al gevolgen voor de politieke constellatie in andere landen. Kijk maar, zeggen de neocons, in Egypte zijn voor het eerst vrije presidentsverkiezingen gehouden en in Libanon is het oude systeem ingestort. Schuilt er waarheid in de dominotheorie?

De term dateert van de Koude Oorlog. President Eisenhower sprak in 1954 voor het eerst over de dominotheorie om interventies in Azië te rechtvaardigen: als de Verenigde Staten Indochina in handen van het communisme zouden laten vallen, zouden andere staten als dominostenen volgen. Conservatieve lobbyisten als Paul Wolfowitz en Richard Perle haalden het idee eind jaren negentig weer uit de kast om het te gebruiken in hun lobby voor een nieuwe Amerikaanse strategie waarbij dictatoriale regimes de duimschroeven aangedraaid worden door ‘pre-emptive strikes’ en diplomatieke druk. De neocons zijn machtig achter de schermen in het Witte Huis, maar er zijn ook tegengeluiden te horen. Toen Bush de theorie in 2003 officieel omarmde bekritiseerde een intern rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken het idee van de mogelijkheid van een democratiseringsgolf. Het rapport spreekt van grote sociaal-economische terugval bij een Amerikaanse invasie van Irak en van het gevaar van een anti-amerikaanse reactie.

Voor- en tegenstanders van de dominotheorie twisten sindsdien over de interpretatie van gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Voorstanders zeggen: in Egypte zijn voor het eerst democratische presidentsverkiezingen gehouden, in Afghanistan en Irak kan de bevolking stemmen en in Libanon en Syrië zijn enorme verschuivingen gaande: kijk bijvoorbeeld naar Syrië, waar de oppositie deze week de ‘Damascus declaration’ opstelde met een vreedzame ‘regime change’ als doel.

Tegenstanders wijzen op de twijfelachtige percentages waarmee Mubarak zijn presidentschap in Egypte veiligstelde, op de heersende anarchie in Irak en op de specifieke nationale omstandigheden waarbinnen de Libanese revolutie vorm kreeg. Bovendien is er het voorbeeld van Iran, waar de bevolking in de presidentsverkiezingen de aartsconservatieve Ahmadinezhad boven hervormingsgezinde kandidaten verkoos.

Het is nog te vroeg om de dominotheorie op zijn geldigheid te beoordelen. Of Irak werkelijk ‘als eerste Arabische democratie een grote schaduw gaat werpen over landen als Syrië en Iran, en uiteindelijk over de hele Arabische wereld’, zoals Wolfowitz in zijn hoedanigheid als staatssecretaris van Defensie zei, is nog niet te zeggen. Duidelijk is wel dat – zeker ook in Irak – het islamitische extremisme als tegenreactie ook aan kracht wint. Zolang niet duidelijk is naar welke kant de eerste steen (Irak) gevallen is, blijft het potje domino onbeslist.