De funeste zelfoverschatting van de regering Bush

“Iedereen die dacht dat deze oorlog een goed idee was, zat ernaast en zou dat moeten erkennen. Zij die nog steeds denken dat het een goed idee is, zouden therapie moeten krijgen”, meent Bob Herbert van The New York Times. Drie jaar na de succesvolle overname van Irak zit de regering Bush met een levensgroot probleem: de verantwoordelijkheid over een land waarin alle basisvoorzieningen voor een stabiele politiek lijken te ontbreken. Blijven betekent een bezettingsleger in stand houden in een situatie die steeds minder steun geniet van de Amerikaanse bevolking. Terugtrekken zal naar alle waarschijnlijkheid een bloedige burgeroorlog tot gevolg hebben.

Hoe Irak het neoconservatieve denken doet wankelen

Na de val van de muur zag een steeds groter wordende groep neoconservatieve intellectuelen bevestigd dat democratie en het liberale gedachtegoed uiteindelijk zouden overwinnen. Francis Fukuyama beschreef dit proces als het einde van de geschiedenis: uiteindelijk zou de hele wereld van absolute regimes verlost zijn en op basis van democratie en vrije markt, vreedzaam samenleven. De neoconservatieven hielden er een duidelijk wereldbeeld op na: de VS als lichtend voorbeeld van een supermacht op basis van democratie en vrije markt, die de duistere Umwelt zou overtuigen van al het goeds dat het eigen systeem te brengen had. Dat deze groepering veel kritiek had op de regering Clinton, is dan ook niet zo vreemd. Hij heulde te veel met internationale organisaties als de Verenigde Naties die te bureaucratisch en traag waren om de verlichte boodschap op een juiste manier door de wereld te verspreiden.

Het optimisme was dan ook groot toen de regering Bush aantrad. Eindelijk werd een duidelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de duistere krachten in de wereld. Er werd ferm en daadkrachtig opgetreden na de aanslagen op het World Trade Centre en van de mening van internationale organisaties werd weinig aangetrokken. De overname van Irak leek weer een bevestiging te worden van het neoconservatieve gedachtegoed. Het kwaad werd snel en gemakkelijk overwonnen en de toekomst van het zo geteisterde land zag er democratisch en rooskleurig uit. Natuurlijk was er wat tegenstand, maar de Irakezen zouden snel overtuigd zijn van hun redding. Optimisme of zelfoverschatting?

De eerste grote tegenvaller was dat de basis voor de inval - de serieuze dreiging van massavernietigingswapens die Irak in bezit zou hebben - na de overname ongegrond bleek. Maar dat maakte voor de meerderheid van de Amerikaanse bevolking weinig uit. Want de dictator was gevangen en de democratische boodschap werd verspreid.

Maar het optimisme houdt geen stand. In drie jaar tijd lijkt Irak geen stap dichterbij het democratische ideaal, en het tegenhouden van een burgeroorlog door het Amerikaanse leger blijft slachtoffers aan Amerikaanse zijde kosten. Het vertrouwen in de Amerikaanse president is sinds Richard Nixon niet zo laag geweest. Bijna 60 procent verklaart nu dat het een slecht plan was een oorlog te beginnen, blijkens een peiling van Gallup. Ook ongeveer 60 procent gelooft niet dat het goed afloopt met Irak. Slechts één op de drie Amerikanen meent dat Bush een helder plan heeft voor het winnen of beëindigen van de oorlog.

Schoorvoetend sluiten de neoconservatieve intellectuelen zich aan bij de Amerikaanse meerderheid in de overtuiging dat het misschien toch niet zo’n goed idee was om Irak binnen te vallen. En ineens blijkt het eens zo uniform gedragen wereldbeeld toch voor meerdere interpretaties vatbaar. Zo wijdt Francis Fukuyama de Irakese mislukking aan het gebrekkig doorvoeren van één van de conservatieve overtuigingen: namelijk dat sociale veranderingen niet van bovenaf en ineens zijn op te leggen, maar dat die van onderop moeten komen. Democratische instituties kunnen alleen met geduld en tijd worden opgezet. Het neoconservatieve ideaal was te militair geworden. De sceptische houding tegenover het revolutiedenken die al in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een belangrijk onderdeel van het conservatieve- en anticommunistische gedachtegoed vormde, was vervangen door een te optimistisch beeld dat met militair ingrijpen de wereld van het kwaad verlost zou kunnen worden.

Peter de Bruijn schrijft hierover in de Volkskrant: “Neoconservatieven zijn meestal graag bereid toe te geven dat er in de uitvoering van hun ideeën in Irak grote fouten zijn gemaakt, zoals de te kleine, ineffectieve bezettingsmacht en de schendingen van mensenrechten door Amerikaanse soldaten. Fukuyama legt de verantwoordelijkheid neer waar hij hoort: bij de neoconservatieve agenda zelf. Hij wil dat er een einde komt aan de heetgebakerde, contraproductieve retoriek over de ‘oorlog tegen terreur’. De Verenigde Staten moeten zich opnieuw richten op het smeden van allianties, werken aan economische groei in arme landen, dieper nadenken over het opbouwen van democratische instituties, en minstens even veel aandacht besteden aan `soft power’ - de kracht van ideeën en argumenten - als aan het militaire harde spul.”

Met dit beeld maakt Fukuyama zich los van de neoconservatieve stroming en spreekt hij zich uit voor een nieuw beleid. Fukuyama: “Het herstellen van Amerika’s geloofwaardigheid is niet een kwestie van betere public relations. Het vereist een nieuw team en nieuw beleid.”

Bronnen:
Peter de Bruijn, ‘Goedenacht, vrienden’, NRC Handelsblad 31-03-2006
Arie Elshout, ‘De leunstoeldeserteur’, Volkskrant 03-04-2006
Jan Tromp, ‘Oorlog Irak raakte in drie jaar in diskrediet’, Volkskrant 18-03-2006
Francis Fukuyama, ‘Europeans should beware of wishing for US failure in Irak’, The Guardian, 21-03-2006
(zie ook de links in het rechtermenu)