Eddo Rosenthal: 'Ik ben ook heel somber'

Coen Verbraak ,

Op zijn 24ste vertrok Eddo Rosenthal (60) naar Israël. Voor een half jaar. ‘Na tien jaar riep ik nog steeds: ik zit hier maar tijdelijk.’Hij bleef er. En zal er niet meer weggaan. Ook niet nu hij is gestopt als Journaal-correspondent, en hij weinig hoop heeft voor de toekomst van het land. ‘Israël gaat aan zichzelf ten onder.’

Hij verkeert nog in een mistig niemandsland. Sinds 1 mei is Eddo Rosenthal (60) geen correspondent meer. 36 jaar zat hij in Jeruzalem, aanvankelijk voor onder meer de Volkskrant, de laatste jaren exclusief voor het NOS Journaal.’Ik heb mij altijd laten leven door het nieuws. Vanaf nu moet ik zelf mijn dagindeling gaan bepalen. Dat gaat vast nog moeilijk worden.’

Altijd was hij freelancer. Zeven dagen per week, 24 uur per dag beschikbaar voor zijn opdrachtgever. Nooit kon hij kaartjes kopen voor een toneelvoorstelling van over een paar dagen; elke afspraak met vrienden was onder voorbehoud. Want je wist maar nooit. Altijd doorgewerkt, nooit een sabbatical gehad. Dat begon Rosenthal te voelen. ‘De batterij raakte sneller leeg. Bij de laatste Libanon-oorlog had ik sterk het gevoel: dit is één oorlog te veel.’
Maar vanavond zitten we goed, constateert de correspondent tevreden. Stralend geniet hij van het uitzicht dat de restauranttafel biedt op de Munt, in het hart van Amsterdam.‘Wat is Amsterdam toch mooi, hè’, zegt hij herhaaldelijk. Soms heeft hij het er met zijn Israëlische vrouw over om terug te gaan naar Nederland. Maar ja, in Israël wonen zijn kinderen (twee zoons van in de dertig en een dochter van 18) en zijn kleinkinderen. ‘Mijn verleden ligt hier, mijn sociale leven daar.’
Hij had niet bijster veel verwachtingen toen hij in 1971 naar Israël ging. Hij had net zijn kandidaats economie gehaald en ging met zijn toenmalige vrouw op vakantie. Eerst voor een half jaar, toen voor een jaar. ‘Na tien jaar riep ik nog steeds:‘Ik zit hier maar tijdelijk.’ Uiteindelijk besefte ik dat dat niet geloofwaardig meer was.’

Is Israël echt het Mekka voor een buitenlandse correspondent?

‘Israël is voor een journalist een fantastische werkplek. Er gebeurt veel en de belangstelling vanuit Nederland is groot. En het is vrij makkelijk om aan je informatie te komen, behalve bij onderwerpen die onder militaire censuur vallen.’

Telt een Nederlandse correspondent daar mee?

‘Nee. Volstrekt niet.’

Terwijl wij altijd denken dat Israël veel belang hecht aan Nederland.

‘Dat is ook zo. Maar Israël telt op Amerika na de meeste buitenlandse correspondenten ter wereld. Die willen allemaal dezelfde mensen spreken. En voor die mensen is CNN aantrekkelijker dan de NOS.’

Voormalig Midden-Oosten-correspondent Joris Luyendijk betoogde onlangs dat het nieuws vanuit het Midden-Oosten bijna altijd gemanipuleerd is.

‘Ik vind dat hij generaliseert. Als journalist kan ik heel goed de betrouwbaarheid van mijn bronnen onderscheiden. Bij de laatste Libanon-oorlog bleek zelfs overduidelijk dat het propaganda-apparaat van Israël totaal niet werkte. Luyendijk zegt dat het opvallend is dat we alleen dat ene kruispunt in Ramallah zien waar stenen gegooid worden en al die andere kruispunten waar het rustig is niet. Wat een merkwaardige opvatting over journalistiek. Je laat toch ook niet alle Amerikaanse universiteiten zien waar géén bloedbad is aangericht? Hij kraakt op een wonderlijke manier zijn eigen beroep af.’

Al valt er heus op de verslaggeving vanuit het Midden Oosten af te dingen, erkent Rosenthal. ‘Het grote euvel van veel correspondenten is dat ze de taal van het land waar ze werken onvoldoende beheersen. Dat leidt snel tot gebrekkige, foutieve berichtgeving.’

Spreekt u zelf Arabisch?

‘Nee. Wel Hebreeuws.’

Dat betekent dus dat u de Arabische nieuwsbronnen niet kunt volgen.

‘Ja. Dat is een groot handicap. Daarom moet ik gebruikmaken van een tolk. De meeste correspondenten spreken trouwens noch Hebreeuws noch Arabisch. Daardoor hoor je bij de persbureaus eigenlijk alleen vrij primitieve slogan-achtige quotes.’

Waarom hebt u geen Arabisch geleerd?

‘Hebreeuws heeft me al zo verschrikkelijk veel moeite gekost, daar kon niet nog een taal bij. En het vreemde is: toen ik eenmaal Hebreeuws sprak, was ik de beheersing van het Frans kwijt. In Parijs kwam er opeens Hebreeuws uit mijn mond. Blijkbaar was de ene taal voor de andere in de plaats gekomen.’

Op welk moment begon uw ziel in Israël te wortelen?

‘Ik denk dat mijn ziel daar nooit geworteld is. Ik heb ook nooit afstand gedaan van mijn Nederlandse paspoort. Ik voel me een joodse Nederlander.’

Wat is dat voor gevoel?

‘Het belangrijkste van mijn leven is toch wat er gebeurd is tijdens de Holocaust. Ik ben van na de oorlog, maar het is desondanks het meest ingrijpende in mijn bestaan.’
Praten over de oorlog doet nog altijd pijn. Herhaalde malen stokt Rosenthals stem midden in een zin, en gaat zijn servet naar zijn ogen. ‘Sorry, hoor’, zegt hij dan. Hij kan gewoon niet anders. De oorlog heeft hij dan zelf wel niet meegemaakt. ‘Maar ik ken heel veel mensen die er kapot door zijn gegaan.
’Rosenthal groeide op in Amsterdam- Zuid, als oudste van twee kinderen. De belangrijkste dag in het jaar was 4 mei. Dan nam zijn moeder hem en zijn zusje mee naar het monument op de Apollolaan, om bloemen te leggen.‘We begrepen als kinderen niet goed wat we daar deden, maar wel dat het iets heel serieus was. Pas later besefte ik waarom wij geen opa’s en oma’s hadden. Mijn ouders hebben beiden hun familie verloren.’

Zijn vader was voor de oorlog inkoper bij een warenhuis in Berlijn, maar vluchtte in 1939 naar Nederland. Zijn moeder overleefde de oorlog door onder te duiken.‘In Hilversum hebben de ouders van mijn moeder nog hun hele inboedel over de heg in bewaring gegeven bij de buren. Na de oorlog kwam ze aan de deur om de spullen weer terug te vragen. Tevergeefs. ‘Dat hadden we toch cadeau gekregen?’ Dat heeft haar nog meer getraumatiseerd.’

Het enige dat zijn ouders nog hadden was het tafelservies en het zilveren familiebestek. ‘Pas jaren later realiseerde ik me dat ik mijn hele jeugd heb gegeten met messen en vorken waarop de initialen gegraveerd waren van vermoorde mensen.’

‘Mijn moeder is getrouwd met de oom van de jongen op wie ze voor de oorlog verliefd was. Ze - mijn moeder en die jongen - waren allebei pianist. Hij is opgepakt, ze heeft hem nooit meer teruggezien. Na de oorlog wilde ze geen piano meer spelen. Pianospelen had voor haar niks meer met geluk of plezier te maken. Toen de oorlog was afgelopen, is ze de oom van die jongen tegengekomen. Hij was tien jaar ouder dan zij. Dat kwam vaak voor: mensen trouwden met de enige die ze terugvonden.’

Durfden uw ouders na de oorlog nog jood te zijn?

‘Ja. Mijn moeder was daar extreem in. Ze wilde nadrukkelijk laten zien dat Hitler niet gewonnen had. We zaten op joodse scholen, eigenlijk volkomen afgeschermd van de niet-joodse wereld. In die zin was ‘Israël’ daar een natuurlijke voortzetting van.’

Ischa Meijer heeft ooit gezegd dat die joodse scholen, vol beschadigde leerlingen en leraren, vooral een grote verzameling trauma’s waren.

‘Ik weet wel dat niet-joodse leraren vaak zeiden: ’Jullie zijn verreweg de moeilijkste leerlingen van Amsterdam.’ Er werd nooit gepraat over wat er gebeurd was. Dat was taboe, omdat het allemaal te dichtbij was. Mijn familieleden hebben waarschijnlijk in dezelfde treinen gezeten als de familie van mijn klasgenoten. Dat is een macaber besef. Een paar jaar geleden ben ik nog eens door de buurt gereden waar ik geboren ben. Dat was een intens lugubere ervaring. Ik kon alleen maar denken: daar, op die zolderkamer, heeft iemand ondergedoken gezeten. En daar heeft een gezin gewoond dat in Auschwitz vermoord is. Gekoppeld aan het wanhopige gevoel: wie weet dat nu nog?’

In Israël hebben veel mensen heel lang totaal niet begrepen wat er in de oorlog gebeurd was. Jonge Israëli’s hadden echt waanideeën over de Jodenvervolging. ‘Wat laf van de Joden dat ze zich willoos door die Duitsers hebben laten afslachten. Dat zou ons Israëli’s niet overkomen zijn. Wij zouden de wapens hebben opgenomen.’
‘Het heeft tientallen jaren geduurd voordat overlevers over hun ervaringen durfden te praten. Ze werden gezien als schlemielen. Mijn vrouw werkt in het onderwijs. Ik ging in de jaren tachtig een keer mee naar een feest van haar werk. Daar kwam ik naast een man te zitten. Binnen tien minuten raakte ik met hem in gesprek over iets wat niemand van de andere aanwezigen wist: hij had in Bergen-Belsen gezeten. Daar had hij nooit over durven praten, omdat hij zich ervoor geneerde. Inmiddels is het niet meer zo extreem, maar oorlogsslachtoffers worden in Israël nog steeds slecht behandeld. Een kwart van de Holocaustoverlevenden leeft onder de armoedegrens. Het geld dat de overheid aan hen moest besteden is voor de opbouw van het land gebruikt.

Het bewustzijn over de oorlog is in Israël veranderd. Tienduizenden Israëlische jongeren per jaar gaan nu op Holocaustreis naar Polen, gesubsidieerd door de Israëlische overheid. Rosenthals dochter is net naar Auschwitz geweest.‘Ik zei nog tegen haar: gelukkig heb jij een retourtje.’

Zelf gruwt hij van het idee zo’n reis te maken.‘Ik moet er niet aan denken. Ik ben ook nooit in het Anne Frankhuis geweest. Daar krijg ik de rillingen van. Ik heb het ook helemaal niet nodig; mijn eigen moeder is net zo ondergedoken geweest als Anne Frank.’

Het werk in Israël viel hem vaak zwaar. Toen tijdens de Golfoorlog in 1991 Saddam Hoessein scudraketten op Israël afvuurde, werd Rosenthal achtervolgd door zijn achtergrond. ‘Ik zag een heel volk naar school en werk gaan met een kartonnen doos, met daarin een gasmasker. Het idee dat er misschien weer gas tegen Joden gebruikt zou gaan worden greep me naar de keel.’ Mijn dochter was toen 2. Ze sliep in een speciaal plastic tentje, in een geïsoleerde kamer. Dat vertelde ik in het Journaal, pratend door mijn gasmasker. Niet eens in beeld, gewoon aan de telefoon. Ik kom nog steeds mensen tegen die zeggen: ‘Ik heb je met een gasmasker op tv gezien.’Terwijl ik alleen te horen was.’

‘Het heeft zes weken geduurd. Op een gegeven moment hád ik het niet meer. Ik was het einde nabij. Joden met een gasmasker in Israël... ik kon het gewoon niet verwerken’
Hij zwijgt, zegt dan met trillende stem: ‘En nu zal ik je iets vertellen waarover ik jarenlang niet heb kunnen praten zonder in huilen uit te barsten. Nadat Israël in oktober 1982 Libanon was binnengevallen, kon je daar als journalist onder leiding van het leger een kijkje nemen. We werden naar Sidon gebracht, naar het Israëlisch hoofdkwartier. Daar stond een rij Palestijnen die langs een tafeltje moesten lopen. Van de Israëli’s kregen ze allemaal een stempel op hun onderarm.’ Hij herhaalt het, nu met tranen in zijn ogen. ‘Een stempel op hun arm... begrijp je? Wat dat betreft hebben ze in Israël gewoon een bord voor hun kop. Ik was er drie dagen kapot van, heb er gewoon niet over kunnen berichten.’

Binnenkort moet uw dochter in dienst. Net als eerder uw beide zoons. U moet uw hart vasthouden.

‘Dat is vreselijk, maar helaas onvermijdelijk. Ik heb ze wel altijd ingeprent dat ‘het vaderland’ zeker niet boven alles gaat. In Israël moeten ze zweren dat ze zo nodig voor het vaderland hun leven geven. Ik heb altijd gezegd dat ik dat onzin vind. Mijn kinderen delen die mening gelukkig. In feite erg on-Israëlisch. Maar ik zie het als heel positief.’

Hij is regelmatig echt bang geweest tijdens zijn werk. In mei 1998 werd Rosenthal aan zijn kin geraakt door een rubberkogel van de Israëlische oproerpolitie. Hij was gaan kijken bij rellen in Oost-Jeruzalem toen er opeens een Israëlische agent zijn geweer op de omstanders richtte. ‘Ik voelde de dreiging, wilde net weglopen toen ik een schot hoorde. Toen ik me omdraaide, hoorde ik opnieuw een schot. Opeens voelde ik overal bloed. Luid toeterend ben ik in mijn eigen auto naar het ziekenhuis gereden. Het bleek gelukkig een schampschot, maar het had een paar centimeter gescheeld of er was een slagader geraakt.’

Daarna kreeg hij last van angststoornissen. ‘Ik begon te lopen als een oud mannetje, durfde in de bioscoop alleen nog aan het gangpad te zitten. Ik ben toen wekenlang behandeld door een psychiater, vanwege een posttraumatische stress-stoornis.’
Een jaar eerder liep hij met zijn dochter van 8 door het centrum van Jeruzalem. Op straat werd hij staande gehouden voor een enquête. ‘Een van de vragen was: Hoe bang bent u voor aanslagen? Ik antwoordde naar alle eerlijkheid: ‘Vrij bang.’ We liepen daarna door, gingen de hoek om en op dat moment hoorde ik achter me een verschrikkelijke knal. Daarna weer één, en nóg één. Op de plek waar we net gestaan hadden was een zelfmoordaanslag gepleegd.

‘Direct daarna ging mijn mobiel. Hilversum.’Er zijn in Jeruzalem drie zelfmoordaanslagen gepleegd.’ ‘Weet ik’, zei ik, ‘maar ik loop hier met mijn dochter van 8.’ Waarop zij zeiden; ‘Breng eerst haar naar huis.’Zo zijn ze wel, hoor.’
‘Ik heb mijn dochter jarenlang verboden met de bus te reizen. Met andere ouders hebben we alternatief vervoer geregeld. Als je in Israël woont, krijg je onvermijdelijk een tik van de molen.’

Omdat je altijd onder druk leeft?

‘Zeker. Israëli’s zijn een zenuwachtig volk. Ze zijn neurotisch en onbeschoft. Dat is het gevolg van die continue spanning. Niet alleen door de aanslagen, maar ook omdat ze al zo veel oorlogen hebben meegemaakt. Iedereen kent wel iemand die is omgekomen. Israëli’s leven bij de dag. Dat zie je ook aan hoe ze geld uitgeven. Wat je hebt, geef je uit. Want je weet maar nooit hoe het morgen met je gaat.’

U maakte zelf ook vaak de indruk dat het nieuws, zacht gezegd, zwaar op u drukte.

‘Die perioden heb ik zeker gehad. Bij de oorlog in Libanon, vorig jaar zomer, zat ik dicht tegen de grens aan. Ik was er niet meer tegen opgewassen. Ik sliep slecht, ik had bijna geen energie meer. Daardoor functioneerde ik in de kruisgesprekken met Hilversum minder goed dan ik gewild had. Het werd me allemaal te veel.’
U schreef vorig jaar op de opiniepagina van Trouw een diepsomber stuk over Israël.
‘Niet eerder had ik zo sterk het gevoel correspondent te zijn in een land dat is gedoemd om uiteindelijk te verdwijnen.’
‘Ik bén ook heel somber. Ik denk dat Israël naar de knoppen gaat. Niet alleen door de dreiging van buitenaf. In Israël wonen ruim een miljoen Arabieren. Zij worden al bijna zestig jaar door de overheid gediscrimineerd. Als dat niet verandert, betekent dat het einde van het land. Want die mensen zullen in opstand komen. En terecht. In Nederland heeft iedere Nederlander in principe dezelfde rechten. Veel Israëlische politici zeggen: Israël is een land voor Joodse staatsburgers. Die gaan dus voor. Dat is een rampzalige gedachte. Israël dreigt aan zichzelf ten onder te gaan.’

Uw RTL-collega Conny Mus heeft meermalen gezegd: ‘Joodse correspondenten moet je niet in Israël neerzetten. Die zijn te betrokken.’

Afgemeten:‘Ik wil het niet over Conny Mus hebben. Dan wordt het te persoonlijk.’

Maar Mus is wel persoonlijk over u. ‘Die correspondent die de NOS daar heeft leest vanuit zijn huiskamer teksten in bij beelden van persbureaus.’
‘Hij is persoonlijk over al zijn joodse collega’s. Alléén zijn joodse collega’s.’

Wat zit daar achter?

‘Geen idee. Ik ken hem niet goed. Het is voor mij een raadsel waarom hij zich zo uitlaat. Hij valt nooit de inhoud van het werk van zijn joodse collega’s aan, hij kijkt alleen naar hun afkomst. Bovendien verhult hij altijd dat hij lange tijd met een Israëlische vrouw is geweest, en daarna een joodse vrouw heeft getrouwd met wie hij een kind heeft. Blijkbaar mag je wel een joodse partner hebben, zolang je zelf maar niet joods bent. Heel kwalijk.

‘Ik maak onderscheid tussen goede en slechte journalisten, tussen integere en niet-integere verslaggevers. Hij maakt onderscheid tussen goede journalisten en joodse journalisten.’

U vindt het antisemitisch?

‘In elk geval zijn het irrationele ideeën. Onzindelijk, onfatsoenlijk en immoreel.’

Misschien bent u wel te betrokken.

‘Dan zou een katholieke correspondent dus nooit het Vaticaan kunnen verslaan. Je bent óf een goede journalist óf niet. Wie niet goed is, wordt vervangen. Je zit er niet alleen omdat je het zelf wilt, maar ook omdat je werkgever je daar wil hebben.’

Mus heeft ook inhoudelijke kritiek. Hij zegt: ‘Ik ga eropuit, Eddo doet bijna alles vanuit zijn huis.’

‘Dat is de keuze van het Journaal. De lijn van het Journaal is: liever een goede analyse van iemand die het nieuws volgt. Die beelden krijgen ze toch al binnen. Ik ben van de duiding, minder van de reportages.’

Maar dan denken mensen dus wel: hij durft niet.

‘Dat denken kijkers helemaal niet. Conny Mus misbruikt dat. Het maakt me werkelijk woedend als iemand met valse beschuldigingen mijn integriteit in twijfel trekt.’
Hij komt nog elk jaar even naar Nederland, vaak tijdens de correspondentendagen van de NOS. Nederland is drastisch veranderd, heeft Rosenthal gemerkt. Een paar jaar geleden verbaasde hij zich er nog over dat niemand van zijn Journaal-collega’s in Hilversum het gevaar van het moslimradicalisme zag. ‘Echt een beetje naïef. Ze waren allemaal verbijsterd toen Theo van Gogh werd vermoord. Terwijl ik al heel lang weet dat er onder radicale moslims types als Mohammed B. rondlopen.’

De laatste tijd valt hem vooral op hoe ‘verbijsterend intolerant’ Nederland is geworden.
‘Ik heb met stijgende verbazing dat rare gedoe gevolgd over mevrouw Verdonk die gekwetst was omdat een imam haar geen hand wilde geven. Ik woon in een land met ruim een miljoen moslims. Denk je nou werkelijk dat iemand zich daar druk om zou maken? Ik vind het zelfs een ultieme uiting van intolerantie als je zoiets niet accepteert. Ik zag diezelfde imam laatst bij Pauw & Witteman. Ik was sprakeloos over de bijna koloniale manier waarop die interviewers hem ondervroegen. Met een superioriteit van ‘wij blanke Nederlanders zetten de toon. Waarom past u zich niet aan? Waarom betaalt u geen belasting?’ Hij bleef volharden dat hij dat wel deed, maar dat werd duidelijk niet geloofd. Ik was verbijsterd, zag dezelfde arrogantie waarmee Israëli’s de Palestijnen bejegenen. En dat zijn dan zogenaamd dé interviewers van Nederland. Hoe kán dat nou? Ik vroeg het ook aan mijn vrouw: ‘Zie ik het nou fout? ‘Nee’, zei ze,‘ik denk er net zo over.’

Zijn werk heeft iets merkwaardigs, geeft Rosenthal toe. Hij is in sommige perioden vrijwel dagelijks op televisie. En toch weten zijn buren in Israël amper wat hij doet. ‘In Israël ben ik even bekend als jij.’ In Nederland daarentegen wordt hij op straat regelmatig herkend.
‘Laatst zei iemand in Amsterdam tegen me: ‘Weet u wel dat wij onze zoon naar u hebben vernoemd?’ Glunderend: ‘Dat is toch fantastisch?’ Zijn vader werd in zijn joodse bejaardenhuis regelmatig aangesproken op het werk van zijn zoon. In tijden van slecht nieuws over Israël keken zijn medebewoners hem kwaad aan. ‘Die mensen zien niet het verschil tussen een journalist en een propagandist. Maar mijn vader nam het altijd voor me op.’
Zijn vader stierf precies vier jaar geleden, op 5 mei. Bevrijdingsdag. ‘Hij zou het fantastisch hebben gevonden mij vandaag in de krant te zien staan’, zegt Rosenthal. Op een paar dagen na is hij honderd jaar geworden. Alsof hij het gemis aan jaren van zijn eigen ouders heeft willen compenseren.

Hij is gestorven aan uitdroging. Rosenthal is er nog altijd verontwaardigd over.‘In het bejaardenhuis wilden ze hem gewoon laten doodgaan. Daar heb ik me heftig tegen verzet. Ik heb hem naar het ziekenhuis laten brengen. Daar luidde de diagnose: totale uitdroging. Daardoor werkten zijn nieren niet meer. Daarna heeft hij nog twee weken geleefd. Hij praatte al een jaar niet meer. In het ziekenhuis werd hij wakker en sprak hij opeens twee woorden. ‘Familien’, in het Duits. Dus hij herkende ons wel degelijk. En hij zei: ‘Volgehouden.
Hij begreep zijn situatie dus heel goed. Het was altijd mijn vaders devies: ‘Volhouden! Na de nazi’s zal niemand mij er ooit nog onder krijgen.’

‘Als hij niet was uitgedroogd, had hij zijn honderdste verjaardag gehaald.’
‘Hij was zijn hele leven het koningshuis innig dankbaar. Hij heeft altijd geroepen dat hij dankzij het koningshuis de oorlog overleefd had en dat hij dankzij datzelfde koningshuis liefdevol in Nederland was opgevangen. En wat denk je: op zijn 100ste verjaardag kwam er een felicitatie binnen. Van Beatrix! Blijkbaar hadden ze ‘m nog niet uit de administratie gehaald. En ik dacht: pa, wat had je dit fantastisch gevonden. Hij zou het de ultieme bezegeling van zijn leven gevonden hebben.’

BIOGRAFIE
1947 Geboren in Amsterdam
1966-1971 Studie economie in Amsterdam, richt tijdens studie jongerenkatern NIW op
1971 Vertrek naar Israël
1971 Freelancer voor onder andere Het Vrije Volk, Haagse Post en IKON
1974-1997 Freelance correspondent de Volkskrant
1976-2007 Freelance correspondent NOS Journaal en Met het oog op morgen

Bron: Volkskrant Magazine, jaargang 9, nr.368