De tweeslachtige positie van de CIA

De Central Intelligence Agency (CIA) - de Amerikaanse centrale inlichtingendienst - werd in 1947 onder president Truman opgericht nadat de Japanners een verrassingsaanval op Pearl Harbour hadden uitgevoerd.

Onder het mom van 'dit mag nooit meer gebeuren' krijgt de CIA de taak om alle Amerikaanse inlichtingendiensten te coördineren. Daarnaast gaat de centrale inlichtingendienst analyses leveren aan de nationale Veiligheidsraad waarop deze het nationale veiligheidsbeleid kan baseren. In eerste instantie mag de CIA alleen in het buitenland spioneren, maar later gaat ze steeds meer spionage-activiteiten binnen de Verenigde Staten ontwikkelen. Ook intervenieert de organisatie vaker rechtstreeks in buitenlandse politieke ontwikkelingen.

Sinds haar oprichting heeft de Amerikaanse centrale inlichtingendienst meer bevoegdheden gekregen en is de organisatie een machtig orgaan in de VS geworden. De gebeurtenissen op 11 september 2001 betekenden echter een grote deuk in het imago van de CIA. De dienst - oorspronkelijk opgericht om verrassingsaanvallen te voorkomen - kon de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon niet tegenhouden.

Na 11 september breidt Bush de inlichtingendienst flink uit. In het kader van de war on terror worden onder leiding van Bush bovendien diverse wetten ingesteld die het makkelijker maken om terreurverdachten in het geheim af te luisteren. In de aanloop naar de Irak-oorlog wordt de invloed van de CIA onder leiding van George Tenet echter gemarginaliseerd als ze volledig buitenspel wordt gezet door vice-president Dick Cheney.

Hoe onafhankelijk is de CIA? Formeel fungeert de Amerikaanse centrale inlichtingendienst als het enige orgaan in de VS waar de Amerikaanse president onpartijdige en ongekleurde informatie moet kunnen krijgen. Ze verzamelt en analyseert informatie waarbij objectiviteit voorop staat. In praktijk oefenen politici sterke invloed uit op de onderwerpkeuzes van de dienst en laat de CIA zich op haar beurt in haar analyses leiden door gebeurtenissen in de politiek. Hierdoor bevindt de CIA zich in een nogal tweeslachtige positie en komt het 'compromisloos streven naar de waarheid' door politieke belangen nogal eens in het gedrang.

Zo was de CIA tijdens de Vietnam oorlog op de hoogte van het feit dat er twee keer zoveel vijandelijke strijders waren als dat het Amerikaanse leger beweerde, maar meldde ze dit - uit politiek oogpunt - niet. Na 11 september doet zich een soortgelijke situatie voor. Aan de vooravond van de Irak oorlog stelt de CIA zich achter het standpunt dat Saddam Hoessein in het bezit is van massavernietigingwapens terwijl ze niet lang daarvoor nog het tegenovergestelde had beweerd. In de documentaire Schimmenspel na 9/11 wordt duidelijk hoe de analyses van de inlichtingendienst onder leiding van George Tenet publiekelijk werden misbruikt om beleid te rechtvaardigen dat allang vaststond.

De sterke politisering van de CIA maakt dat na de 'affaire Tenet' veel stemmen opgaan voor hervormingen binnen de organisatie om een einde te maken aan de 'vertroebelde relatie' tussen de Amerikaanse overheid en de centrale inlichtingendienst.

Door Imke van Hoorn