Weigeren geen optie. Gewetensbezwaard in Israël.

Menno Steketee ,

Erkenning van gewetensbezwaren tegen de dienstplicht werd in Israël lange tijd gezien als een bedreiging van de democratie. David Benchetrit toont de getuigenissen van Israëlische dienstweigeraars in zijn documentaire In strijd met het ideaal.

Op een vrijdagavond in oktober, vorig jaar, had galerie De Levante in de Amsterdamse Hobbemastraat ongebruikelijk bezoek. Tussen levensgrote foto’s stapten tientallen bebaarde mannen in djellaba’s rond. Die zie je niet vaak bij dat soort uitingen van westerse cultuur, dacht de argeloze langsfietsende waarnemer. Tot zijn oog op de titel van de fototentoonstelling viel: Breaking the Silence, de bezetting gezien door de ogen van Israëlische soldaten. De tentoonstelling was naar Nederland gehaald door Een Ander Joods Geluid, een Nederlandse actiegroep die kritiek heeft op de Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden. Dus dáárom waren die mannen daar, dacht de fietser: dan doorbreken ze het stereotype een keertje, maar dan blijkt dat dit alleen is om de starre oordelen bevestigd te zien.

Want hoe je ook tegen de Israëlische, allesbehalve zachtzinnige handelwijze in de bezette gebieden aankijkt, waarom klinkt over de bijna-genocide in Darfur, over het democratische gehalte van Egypte en Syrië, of over de Muur in de door Marokko geannexeerde Westelijke Sahara toch nooit Een Ander Arabisch Geluid? Dat in Israël wel zoiets bestaat als pijnlijke introspectie blijkt ook uit de film In strijd met het ideaal van David Benchetrit. Daarin komt een half dozijn Israëlische militairen aan het woord die weigeren nog langer deel te nemen aan militaire operaties in de bezette Palestijnse gebieden of dit al deden tijdens de eerdere operaties vanaf 1982 in Zuid-Libanon. Alleen al voor de weigering dienst te doen in Zuid-Libanon zaten rond de vierhonderd Israëlische soldaten korte of lagere tijd in de gevangenis.

Schoonvegen
De grootste gemene deler van de militairen die Benchetrit heeft gesproken, is hun gewetensbezwaar, hun weerzin over het onderdukken van de Palestijnen en het elimineren van terroristenleiders, waarbij veel burgerdoden vallen. En toch schuilt in hun beweegredenen en hun
achtergrond ook een grote verscheidenheid. Sommige weigeraars verschillen in opvatting eigenlijk niet veel ten opzichte van die van Nederlandse dienstweigeraars in de jaren tachtig. Zo is er een pacifistisch aangelegde militair van lage rang, Gadi Algari, die uit een communistisch gezin afkomstig is en altijd al Palestijnse vrienden heeft gehad. ‘Het was ondenkbaar dat ik traangasgranaten op Palestijnen zou afvuren.’ Hij stelt ook met afgrijzen vast dat ‘het militaire systeem is gebaseerd op gehoorzaamheid en het brainwashen van kinderen.’ In Nederland zou je ermee onder de dienstplicht uit zijn gekomen. ‘Ik ben allesbehalve een pacifist,’ zegt daarentegen de overste Yoel Peterburg. Hij is een kwart eeuw vlieger geweest van Cobra- en Apache-gevechtshelikopters en uiteindelijk opgeklommen tot squadroncommandant. Toen hij zich aanmeldde bij de Israëlische luchtmacht, waar alleen de crème de la crème van de Israëlische jeugd wordt aangenomen, had hij een ideaal. ‘Ik wilde met een formatie Cobra’s de Golanhoogte
schoonvegen van Syrische tanks.’ Daarmee refereert hij aan het misschien wel angstigste moment dat Israël in oorlog heeft gekend. In 1973 reden meer dan duizend Syrische tanks de Golanhoogte op, die werd verdedigd door nog geen tweehonderd Israëlische tanks. Die hielden stand. Waren de Syrische tanks niet tegengehouden, dan had Israël mogelijk een atoomwapen tegen Damascus ingezet.

‘In die 25 jaar,’ zegt Peterburg, ‘heb ik geen Syrische tank op de korrel genomen.’ In plaats daarvan schoot hij, vooral in Libanon, geleide raketten ‘op alles wat bewoog’. Rijdende auto’s, mensen achter ramen. ‘Ik ben een vechter als het moet,’ zegt hij, maar hij plaatste steeds meer vraagtekens bij het nut van weer een huis in de as leggen waarin alleen maar burgers blijken te hebben gezeten.

Levensbelang
‘We hebben zeventien jaar in Libanon gezeten,’ zegt Peterburg. ‘Waarom eigenlijk? We hebben duizenden raketten verschoten. En waarvoor? Wat was het resultaat? Als je aan het vechten bent is er geen tijd voor vraagtekens, maar op een kwaad moment komen ze allemaal een keer naar boven. En dan heb je een psycholoog nodig.’ Peterburg was ook een van de ondertekenaars van een brief aan Chef van de Defensiestaf generaal Dan Halutz, van een paar dozijn piloten die geen missies meer wilden uitvoeren tegen Palestijnse doelen. Een van hen is luchtmachtgeneraal Yiftach Spector die in 1981 met zijn F-15 met een paar welgemikte bommen de Iraakse kerncentrale Osirak verwoestte – ook geen pacifist, dus. In Israël kom je niet zo makkelijk weg met gewetensbezwaar als in het Nederland ten tijde van de dienstplicht. Dat heeft alles te maken met de existentiële strijd die het land sinds de oprichting in 1948 meermalen heeft moeten voeren. Een snelle mobilisatie van reservisten wordt van levensbelang geacht om een Arabische verrassingsaanval à la de Yom Kippoer-oorlog (1973) af te slaan.

Peterburg was vooral tegen de Israëlische militaire operaties sinds de inval in 1982 in Libanon, omdat het effect averechts was. De dreiging van terreuraanslagen is door het grove optreden alleen maar toegenomen, meent hij. ‘Wat zou jij doen als je kinderen waren gedood en je huis verwoest en je kijkt iedere ochtend in de spiegel en je ziet een spook? Juist. Dan zou je ook ergens een rugzak met springstof ophalen en in een bus gaan zitten. Je wint geen oorlog tegen terreur met F-15’s.’

Verrader
Voor Gadi Algari ligt het complexer, is het meer een morele kwestie dan een van militaire effi ciëntie: ‘Het is lastig om mijn gewetensbezwaar uit te leggen als onderdeel van een brede politieke analyse en niet alleen op basis van een specifi ek geval van onrecht.’ Toegeven aan gewetensbezwaar werd in Israël lange tijd gezien als een bedreiging van de democratie. ‘Maar dat is niet gebeurd, juist doordat het gewetensbezwaar alleen bij duidelijk omschreven gevallen opspeelde. Het ging niet bepaald om verkeersovertredingen door de staat, maar om het stelselmatig met voeten treden van mensenrechten. Daar heeft de wet geen zeggenschap over. Daar staat het geweten boven.’

Israëlisch Rechts noemt hem een verrader. ‘Maar ik vind het niet erg om verrader te zijn van een staat die mensenrechten schendt.’ Waarschijnlijk, zegt Algari, heeft het allemaal te maken met de holocaust, die, niet onbegrijpelijk, een allesoverheersend effect op de joodse identiteit en het politiek beleid van Israël heeft gehad. ‘Het idee dat iedereen tegen je is en dat je de rijen moet sluiten is in zekere zin een tribale emotie. Maar universele humanitaire waarden zouden daar boven moeten staan.’ In een ideale wereld zouden die mannen in die De Levante galerie zich dat ook realiseren.

Uit: VPRO Gids Nr 17 (28 april t/m 4 mei 2007)