VPRO Gidsartikel: Bagdad bestaat niet meer

Religieuze en etnische spanningen in Irak doen zich gelden in buurten, straten, vriendschappen, families en huwelijken – zo ook in de documentaire Boys from Baghdad die Tegenlicht maandag uitzendt.

door Han Ceelen

Het was geen vrolijk beeld dat Trouw-correspondente Minka Nijhuis op 6 maart jl. schetste van de situatie in Bagdad. Volgens Nijhuis, een van de weinige Nederlandse journalisten die nog geregeld in Irak verblijft, hebben soennieten en sjiieten zich teruggetrokken in hun zwaarbewaakte eigen wijken, leeft iedereen in angst en weet eigenlijk niemand hoe het verder moet. ‘Het gaat heel slecht,’ bevestigt Nijhuis een paar dagen later telefonisch vanuit de auto op de grens van Thailand en Birma. ‘Ik weet niet of dit het dieptepunt is. Na de aanslag op het sjiitische heiligdom in Samarra in 2006 was er een explosie van geweld. Toen kwamen er bij het mortuarium dagelijks 150 lijken binnen. Nu vallen er minder slachtoffers, maar dat komt omdat de wijken zijn gezuiverd, en de scheiding van bevolkingsgroepen een feit is. Mensen durven vrienden van andere gezindten niet meer op te zoeken, maar alleen nog te bellen. Eigenlijk bestaat Bagdad niet meer.’ Die constatering is nog pijnlijker als je weet hoe de situatie tot voor kort was, zegt Nijhuis. Want de beelden die we de afgelopen jaren in de media kregen voorgeschoteld – zwaar gesluierde vrouwen, religieuze fanatici, bevolkingsgroepen die elkaar de tent uitvechten – lieten volgens haar maar een deel van de werkelijkheid zien. Zo vernamen we bijvoorbeeld zelden iets van de goed opgeleide elite die zich vooral Iraki voelde, niet voortdurend bezig was met religie en zich wilde richten op de toekomst. ‘Saddam was een dictator,’ zegt Nijhuis, ‘maar hij heeft zeker in het begin van zijn bewind veel geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg. Er was een grote, ontwikkelde middenklasse. In Bagdad kon je gesprekken voeren zoals je die ook in Amsterdam in academische kringen zou hebben.’ In haar boek Het huis van Khala (2004), waarvan deze week een geactualiseerde editie verschijnt, liet Nijhuis de Nederlandse lezer een paar jaar geleden kennismaken met dit ‘andere’ Irak. In het boek beschreef ze de wederwaardigheden van acteur Abbas (sjiiet), zijn vrouw Ward (soenniet) en haar bejaarde moeder Khala, bij wie ze een tijdje was ingetrokken. Met hun gemengde huwelijk, vrijzinnige ideeën en welgevulde boekenkast logenstraften ze alle clichés over Irak.

Ideale doorsnede
Voor een vergelijkbare frisse aanpak kozen de makers van de bbc-documentaire Boys from Bagdad, die maandag wordt uitgezonden in het kader van het Tegenlicht-vierluik over Irak. De film gaat over vier leerlingen van de Tariq Bin Ziad High School in de gegoede buurt Zayuna, die elkaar tien maanden lang met de camera volgden.

Van religieuze of etnische spanningen, laat staan segregratie, is aan het begin van de film binnen de schoolmuren nog geen sprake. Integendeel: de vier vrienden vormen een ideale doorsnede van de Iraakse bevolking. Anmar is katholiek, Hayder een sjiitische moslim, Ali een Koerd en Mohammed is van gemengde soennitische en sjiitische afkomst.Ook hoofdonderwijzer Raad Jawad legt bij het begin van het examenjaar in 2006 de nadruk op hun gezamenlijk Iraakse wortels en cultuur. ‘Jullie zijn de zonen van Mesopatamië, een beschaving die al duizenden jaren bestaat. De situatie is moeilijk en de omstandigheden zwaar, maar we moeten elke kans pakken om te leren. Onderwijs is de basis waarop we ons land moeten bouwen.’

Scheuring
Natuurlijk is er op de achtergrond geweld. Oktober 2006 is de dodelijkste maand sinds het begin van de oorlog, en alleen al in Bagdad vallen meer dan 2700 doden. Later volgt de executie van Saddam Hussein en worden verschillende klasgenoten gewond en gedood bij aanslagen en schietpartijen. Het wordt pas weer wat rustiger als de Amerikanen dertigduizend extra manschappen sturen.
Maar de gewelddadigheden weerhouden de hoofdpersonen er aanvankelijk niet van hun normale leventje te leiden. Dat weinig blijkt te verschillen van dat van andere tieners waar ook ter wereld. Anmar maakt zich zorgen over zijn vriendin die maar niet reageert op zijn sms’jes; Ali droomt van een loopbaan als architect; Hayder leert nummers van Britney Spears uit zijn hoofd omdat hij songwriter wil worden, en lolbroek Mohammed sleutelt het liefst aan brommers in de garage van zijn oom.

Pas in de loop van de tien maanden die de film bestrijkt, dringen de ontwikkelingen in de buitenwereld de school binnen, en wordt de scheuring van Irak ook hier zichtbaar. Ali’s ouders trekken als eersten hun conclusies en verhuizen naar het rustige stadje Arbil in Iraaks Koerdistan (waar Ali zich stierlijk verveelt en behalve zijn vrienden ook de ‘actie’ in Bagdad mist). Later ontvlucht een sjiitische tante van Mohammed na bedreigingen van buren haar soennitische buurt, en trekt met haar twee kinderen bij Mohammeds familie in. Mohammed zelf wil zelfs helemaal het land uit. Hij droomt ervan om in Oekraïne te gaan studeren, maar daar heeft hij wel 1300 dollar, een paspoort en een diploma voor nodig. Een diploma dat hij uiteindelijk niet haalt.

Veel van zijn landgenoten wachten dit soort zaken niet langer af en nemen de wijk naar het buitenland, zegt Nijhuis: ‘Als je geen partij wilt kiezen ben je heel kwetsbaar, dus wie kan, gaat weg. Je ziet het in de ziekenhuizen, waar een groot gebrek is aan personeel. Ik schat dat 60 procent van de mensen die ik in Bagdad kende het land intussen heeft verlaten. Degenen met het meeste geld gaan naar de Jordaanse hoofdstad Amman, de meeste anderen naar Syrië.’

Levensgevaarlijk
Ook de hoofdpersonen uit Het huis van Khala werden meegesleept door de gebeurtenissen. In de herziene editie van het boek beschrijft Nijhuis hoe het echtpaar intussen is gescheiden, mede vanwege de spanningen tussen soennieten en sjiieten. De twee vrouwen zijn gevlucht voor de terreur en wonen nu in Amman. ‘Als het een roman was geweest, zou je het zo hebben geconstrueerd,’ zegt Nijhuis. ‘Maar helaas is het non-fictie.’ Ook voor journalisten is Bagdad levensgevaarlijk, erkent Nijhuis. ‘Gelukkig heb ik een goed netwerk. Ik stap alleen in de auto bij mensen die ik ken, draag altijd een sluier en vertoon me maximaal 45 minuten op straat. Maar ondanks die voorzorgsmaatregelen kun je zeggen dat ik geluk heb gehad: de meeste collega’s hebben wel eens een aanslag meegemaakt.’ Over een paar maanden gaat ze weer terug.