De moderniteit is van eigen bodem

De moderniteit is van eigen bodem - Amartya Sen ziet ook Verlichting in het oosten. In erudiete essays verzet de gevierde Indiase econoom Amartya Sen zich tegen het
hindoe-nationalisme in eigen land én tegen westerse arrogantie. Maar is zijn pleidooi voor kosmopolitisme behalve sympathiek ook realistisch?

Door Irena Rosenthal. Uit: NRC Handelsblad, 2 september 2005.

Toen de Indiase econoom Amartya Sen eindjaren tachtig zijn intrek nam op de
campus van de Amerikaanse universiteit van Harvard, ontdekte hij tot zijn schrik dat de boekhandel daar alle boeken over India in de sectie 'religie' had geplaatst. Het afgelopen decennium heeft Sen zich er steeds meer op toegelegd de westerse beeldvorming over India -en dan met name de bovenmatige belangstelling van westerlingen voor spiritualiteit en Kama Sutra - het hoofd te bieden. Zijn cultuurtheoretische essays, die onder meer verschenen in The New York Review of Books, zijn nu gebundeld in ‘The Argumentative Indian. Writings on Indian History, Culture and Identity.’ Deze culturele uitstapjes vormen natuurlijk maar een zijpad in Sens carrière.

Zijn pionierswerk in de zogeheten sociale keuzetheorie leverde hem in 1998 de Nobelprijs voor de economie op. Dankzij zijn bijdrage aan de ontwikkelingseconomie wordt hij in India ook wel de 'Moeder Theresa van de economie' genoemd. Zo ontwikkelde hij samen met filosofe Martha Nussbaum voor de Verenigde Naties een nieuwe maatstaf om economisch welzijn te meten. De resultaten daarvan zijn terug te lezen in het in 1993 gepubliceerde boek ‘Quality of Life’. Deze standaard, die nu wereldwijd wordt gebruikt, benadrukt dat het er bij economische ontwikkeling niet zozeer om gaat hoeveel inkomen en bezit mensen hebben, maar in hoeverre deze middelen hen in staat stellen om een goed leven te leiden. Een gehandicapte vrouw bijvoorbeeld kan met hetzelfde inkomen minder goed functioneren dan een gezonde vrouw. Ook benadrukt Sen onvermoeibaar het verband tussen democratische controle en debat en het voorkomen van hongersnood. Waar de desastreuze economische politiek van Mao Zedong tussen 1958 en 1961 bijna 30 miljoen Chinezen een hongerdood injoeg, heeft het postkoloniale India volgens Sen dankzij haar meerpartijen-systeem niet meer met een grootschalige hongersnood te kampen gehad.

Economische ideeën
Hoewel The Argumentatieve Indian ook enkele van deze economische ideeën over het voetlicht brengt, illustreert de bundel vooral Sens kwaliteiten als cultuurhistoricus. Sen heeft weinig op met de populaire these van de 'clash of civilizations', die het patroon van de wereldgeschiedenis zou bepalen, van zijn Harvard-collega, de politicoloog Samuel Huntington. Deze 'intellectuele simplificator’ kwalificeert India - ondanks 140 miljoen burgers die moslim zijn – niet alleen als een hindoe-beschaving, maar dicht het westen ook ten onrechte een monopolie op rationaliteit en individuele vrijheid toe.

In zijn erudiete analyses zet Sen de rationalistische en liberale aspecten van het Indiase erfgoed dan ook uitgebreid op de kaart. Tolerantie, democratisch debat, gelijke rechten voor vrouwen en rationele kritiek; het zijn helemaal geen Westerse importproducten, maar verschijnselen die volgens Sen diep verankerd zijn in de Indiase intellectuele traditie en historische praktijk. Sens kalme tred door het Indiase verleden stopt dan ook veelvuldig bij Ashoka. Deze Boeddhistische keizer propageerde in de derde eeuw voor Christus niet alleen religieuze tolerantie en vrouwenkiesrecht, maar voerde ook interreligieuze overlegorganen in. Ook de zeventiende-eeuwse islamitische leider Akbar komt uitgebreid aan bod. 'Terwijl Akbar druk bezig was dialogen te organiseren tussen Hindoes, moslims, christenen, Jains, Parsi's, joden en zelfs atheïsten, werd Giordano Bruno wegens ketterij verbrand op de brandstapel.'

Met zijn pleidooi voor religieuze vrijheid -waaronder het recht om van religie te veranderen - stond Akbar volgens Sen aan de voet van Indiase huidige seculiere politieke bestel. En, zo merkt de ongelovige Sen niet zonder enige trots op, geen enkele andere klassieke taal kent zo een uitgebreide schat aan agnostische en atheïstische termen als het Sanskriet. Sen benadrukt de liberale en pluralistische wortels van het hedendaagse India niet alleen om Westerse stereotypen de wind uit de zeilen te nemen. Het boek is ook een kritische interventie in de Indiase Kulturkampf over moderniteit en traditie die bij het aantreden van de coalitie onder leiding van de nationalistische hindoepartij (BJP) in 1998 in alle hevigheid losbrandde. Onder het bewind van deze regering (die vorig jaar de verkiezingen verloor van de Congrespartij) werd het ene na het andere plan geïntroduceerd om India met een 'spiritueel elan' te verrijken. Zo werd onder meer voorgesteld astrologie als volwaardige afstudeerrichting aan de Indiase universiteit te introduceren. Schoolboeken werden herschreven, zodat de islam als een vreemde, agressieve mogendheid werd afgezet tegen de vredelievende Hindoe. De moord op Gandhi door een Hindoe-fanaticus verdween bijvoorbeeld uit het lesmateriaal.

Afgezien van de plannen om de bestudering van Sanskriet ruimer te financieren, moet Sen weinig hebben van de plannen van de toenmalige regering. Het vernauwde blikveld van Hindoe-nationalisten verdraait niet alleen de historische feiten, maar miskent ook de belangrijke rol van uitwisselingen tussen Indiase en Arabische en Perzische wetenschappers bij de ontwikkelingen in de wiskunde en astronomie op het Indiase continent. Vrouwvijandige elementen Sen gaat, ondanks zijn 'verlichte' lezing van de geschiedenis van India, niet voor bij aan de dogmatische, vrouwvijandige en ondemocratische elementen in het Indiase erfgoed. Sen besteedt bijvoorbeeld uitgebreid aandacht aan de discriminatie en het grove geweld dat Indiase vrouwen ten deel valt. Wel kun je Sen betichten van een zeker elitarisme. Zo blijft in dit boek de Bollywoodfilm opmerkelijk onderbelicht. De populaire Indiase film wordt door Sen vooral als een escapistische fantasiewereld begrepen. Dat is merkwaardig, zeker nu sommige publiekstrekkers, zoals de - ook in Nederland vertoonde - film Dev er niet voor schromen geweld tussen hindoes en moslims en de rol van de politieke autoriteiten daarbij kritisch onder de loep te nemen. Welk ander medium kan bij het verbeelden van een té innige omhelzing tussen een Sikh en een moslim in India zoveel opschudding - en zelfs geweldsuitbarstingen - veroorzaken? Juist gezien deze vaak onbedoelde politieke gevolgen, is het jammer dat Sen (wiens dochter Nandana momenteel overigens furore maakt als Bollywoodster) de betekenis van dit populaire vermaak niet aan een politieke analyse onderwerpt.

Niet Gandhi maar zijn oude leraar, de schrijver en dichter Rabindranath Tagore, schuift Sen als zijn grote voorbeeld naar voren. In tegenstelling tot de meer behoudende Gandhi was Tagore fel gekant tegen initiatieven om India van wetenschappelijke en buitenlandse invloeden te vrijwaren. In het meest bewogen hoofdstuk probeert Sen Tagores eclectische kosmopolitisme nieuw leven in te blazen. Bij deze poging tot eerherstel gaat hij zelfs een vergelijking tussen Tagores moderne seksuele opvattingen met Gandhi's afschuw van seksueel verkeer niet uit de weg.

Sens pleidooi voor rationeel kosmopolitisme is sympathiek, maar blijft te idealistisch. Hij onderstreept terecht dat het individu altijd deel uitmaken van meerdere (nationale, culturele, beroepsmatige) groepen en dus steeds moeten afwegen aan welk 'deel' van haar of zijn identiteit in diverse contexten de voorrrang krijgt. Maar wat in deze nogal abstracte schets onvoldoende naar voren komt, zijn de interculturele machtsverhoudingen die deze 'vrije markt van identiteiten' doorkruisen en de dilemma's die dat oplevert voor het individu. Maar ondanks het geïdealiseerde rationalisme, biedt The Argumentative Indian een indrukwekkende interpretatie van de Indiase intellectuele geschiedenis en een boeiende bijdrage aan de hedendaagse cultuurstrijd in India. Sen laat niet alleen overtuigend zien dat rede en kritiek ook binnen de Indiase tradities een plek hebben, maar geeft met deze bundel ook een toegankelijk overzicht van zijn denken, waaruit een onvoorstelbare kennis blijkt van oosterse én westerse denktradities. Een beter argument voor wereldburgerschap kan Sen zich niet wensen.