Slopen bouwen slopen

De scheiding der geesten in de grote steden neemt toe. In rellend Frankrijk en in Nederland worden de centra welvarender, missen de naoorlogse wijken de boot en
vluchten de middengroepen naar suburbia. Vorige week kondigde minister Dekker van Vrom een miljardenplanaan. Zinvol of koren op de molen van de planners om door te gaan met hun aloude cyclus van slopen-bouwen-slopen?

Door Wouter Vanstiphout. Uit: De Groene Amsterdammer, 20 januari 2006

De rellen in de Franse voorsteden in de herfst van 2005 lijken het zoveelste bewijs dat de grootschalige woningbouw uit de jaren vijftig en zestig - in Frankrijk de grands ensembles genoemd - een planologische vergissing is geweest die maar beter zo radicaal mogelijk van de kaart kan worden geveegd. De landen die zich dat kunnen permitteren - Nederland, Frankrijk, sommige delen van Duitsland, Engeland en Amerika - zijn daar dan ook al bijna een decennium flink mee bezig. Sloop en nieuwbouw van de naoorlogse wijken leveren echter veel maatschappelijke onrust op. Door flats eerst half leeg te laten lopen alvorens de laatste bewoners er met verhuispremies uit worden gelokt, worden juist de armere en dikwijls oudere bewoners veroordeeld tot verwaarloosde en onveilige galerijen en portieken. Deze "huurstopmethode" is dan ook een metafoor. De wijken die op de nominatie staan om gesloopt te worden, dragen in de jaren voordat het werkelijk begint zelf de argumenten aan voor hun sloop: ze worden steeds leger, treuriger en onleefbaarder.

De vraag of deze wijken - bestaande uit veel collectief groen, portieketagewoningen en galerijflats - intrinsieke eigenschappen bezitten die tot sociale problemen leiden, is al gesteld vanaf het moment dat ze werden opgeleverd. Inmiddels is de vraag stellen haar beantwoorden: als een probleemwijk wordt afgebroken is het logisch dat de probleembewoners naar andere woningen opzoek gaan en is het probleem, op de plaats waar het eerst bestond, inderdaad opgelost. Wellicht zullen de probleembewoners, als ze in lagere concentraties over de stad worden verspreid, ook minder problemen veroorzaken, misschien ook niet. Op de plaats van de oude probleemwijken komen ondertussen nieuwe wijken, voor een groot deel bestaand uit grondgebonden eengezinswoningen en geordend in patronen die ontleend zijn aan de oude stad maar functioneren als Amerikaanse suburbs. Deze nieuwe ijken trekken middeninkomens en starters aan. Daardoor worden het economische draagvlak en daarmee het voorzieningenniveau, het opleidingsniveau en de identiteit van deze wijken drastisch verbeterd. Maar deze ombouw kan alleen worden uitgevoerd door middel van een gigantisch overheidsapparaat.

In de Verenigde Staten is dat het Federale Departement voor Huisvesting (HUD), in Frankrijk het Ministère de LaVille en in Nederland het departement van VKOM. Bovendien moet deze machinerie zich omringd weten door een netwerk: van gemeentelijke, provinciale, semi-publieke en particuliere diensten, organisaties en ondernemers van stedenbouwkundige diensten tot en met woningcorporaties. Al deze organisaties, hoe verschillend ze ook zijn, lijken over één ding in ieder geval niet te twijfelen, namelijk datje met grootschalige, technische en ruimtelijke ingrepen complexe maatschappelijke problemen kunt oplossen, kortom, dat vorm voorafgaat aan inhoud. Dat hebben ze gemeen met hun illustere voorgangers uit de jaren vijftig en zestig die overal ter wereld, volgens hetzelfde patroon van gestapelde woningen boven collectief groen, nieuwbouwwijken en satellietsteden bouwden. Al deze wijken volgen hetzelfde sociologische diagram waarin het gezin via de buurt en vervolgens de wijk integreert in de stad. Deze modernistische woonwijken - of het nu gaat om Sarcelles bij Parijs, Le-Mirail bij Toulouse, Albertslund bij Kopenhagen, Ursynow bij Warschau, 23 Enero bij Caracas, Madinat al Sadr bij Bagdad, Ekbatan bij Teheran, de Bijlmermeer bij Amsterdam ofVinkhuizen bij Groningen - zijn allemaal gebouwd als deterministische modellen voor een moderne en harmonieuze stedelijke samenleving.

In de loop der jaren zijn het ook gewoon voorsteden geworden, stukken stad die niet meer bepaald worden door de complexe ideologieën van hun ontwerpers en bouwers, maar door de nog veel complexere en onvoorspelbaardere werkelijkheid van veertig of vijftig jaar dagelijks leven. Maar deze lokale ontwikkelingen verschillen onderling in extreme mate. Wijken die bij oplevering hetzelfde waren, of ze nu in Afrika, de Verenigde Staten, Pakistan of Zweden stonden, hebben daarom na enkele decennia onmiskenbaar een eigen karakter gekregen. Dit proces van lokale toe-eigening is op een perverse manier verbonden met het determinisme van de oorspronkelijke opzet. Wijken die gebouwd waren voor een bepaalde bevolkingsgroep, bijvoorbeeld arbeiders in de plaatselijke staalindustrie, worden nu bevolkt door heel andere groepen, bijvoorbeeld immigranten. Die treffen in de wijken allerlei dingen die ze niet nodig hebben maar die er vanwege de planningsideologie toch staan, en missen dingen die ze juist wel nodig hebben maar die vanwege dezelfde ideologie zijn weggelaten. Het gevolg is dat parkeergarages tot kerken worden omgebouwd en collectief groen wordt veranderd in parkeerplaatsen voor de deur. De architectuur wordt aangekleed met veranda's, balkonnetjes, nieuwe voordeuren, afdakjes en met religieuze of aan de popcultuur ontleende symbolen. Langzamerhand, in arme landen sneller dan in rijke, verliezen deze wijken zo hun deterministische karakter. En lost het hiërarchische diagram van gezin-buurt-wijk-stad zich op in een veel complexer en gelaagder patchwork van relaties en nieuwe vormen en ruimtes. De Duitse architectuurcriticus Wolfgang Kil heeft dit proces onderzocht in met name Oost-Duitse nieuwbouwwijken. Hij heeft er de naam Normalisierung aan gegeven: de functionele logica van het oorspronkelijke concept verdwijnt achter een dikke korst van aanpassingen, waardoor stap voor stap een "gewone" stadswijk in het zicht komt die zich in ruimtelijk opzicht echter totaal onderscheidt van wat we daarvoor als een "gewone" stadswijk beschouwden. Maar zelfs de meest romantische beschouwer van naoorlogse wijken moet toegeven dat in het rijke Westen de modernistische woonwijken en satellietsteden voorlopig nog niet normaliseren, maar afglijden naar een staat die hun juist steeds verder doet afstaan van de rest van de stad met de “gewone” rommelige en gelaagde woonwijken. Een mogelijke verklaring is dat “bij ons” in het rijke Westen de naoorlogse wijken nooit de kans hebben gekregen om op een soepele wijze te normaliseren. Dit heeft niet te maken met een teveel aan “wenken en voorschriften”, zoals soms wordt verondersteld, maar met een niet te stuiten planningsmachinerie. Het beton van Pendrecht, Bijlmer, Sarcelles ofMantes- La-Jolie was nog niet droog of men bedacht midden jaren zestig iets nieuws, iets wat nog groter en nog beter was. In Nederland kwam bijvoorbeeld het groeikernenbeleid. Hele nieuwe steden werden gebouwd, om oude dorpjes heen of in de maagdelijke polder. Het effect van het bouwen van Almere op de ontwikkeling van de Bijlmer is bekend. De nieuwe ruim opgezette stad met eengezinswoningen op korte treintijd van Amsterdam lokte de jonge Amsterdamse gezinnen, voor wie de Bijlmer was bedoeld, naar Almere. Intussen was de Bijlmer wel bijna klaar maar nog niet ontsloten door de metro. De immigratie vanuit onze voormalige koloniën en vervolgens ook andere ex-koloniën werd naar de flats in de Bijlmer gekanaliseerd. Gevolg? Een fascinerende, totaal ongeplande potpourri van etniciteiten en culturen, zonder enige sociale logica of samenhang.

Het meest dramatische voorbeeld van hoe ruimtelijke ordening en stedenbouw als een op hol geslagen bulldozer iedere keer de economische en sociale fundamenten wegbreekt van dat wat ze net heeft opgeleverd - en daarmee weer de aanleiding creëert voor een volgende ronde van plannenmakerij - is wel Parijs, of liever Ïle-de-France.

Tot ver na de Tweede Wereldoorlog was Parijs omringd door een banlieue van kleine steden, industriegebieden, velden vol kleine suburbane villaatjes, maar ook een leeg schootsveld rond de negentiende-eeuwse stadsmuren en heel veel, en steeds meer, sloppenwijken. Die hadden zich genesteld sinds de negentiende eeuw toen het Franse platteland langzaam leegliep en de boeren naar de stad trokken. Dat lege schootsveld was als barrière tegen de Pruisische invasie nutteloos gebleken, maar hield wel de onfortuinlijken tegen die zich buiten de stad ophielden. In de jaren vijftig begon een immens nationaal grand pro/et, dat niet alleen de ideëel ontworpen grands ensembles, maar ook een heel nieuw Parijs moest opleveren. Dit nieuwe Parijs had groter, moderner en samenhangender moeten worden dan het oude. Het schootsveld rond de stad werd de boulevard périphêrique, een snelweg die half onder de grond lag en daardoor parken en boulevards spaarde en tegelijkertijd een ringvormig nieuw centrum rondom de stad schiep. Dit dynamische centrum bevatte nieuwe parken, congrescentra, voetbalstadions, ziekenhuizen en moderne woningbouw. Het verbond met zijn talloze bruggen de banlieues met Parijs. In de banlieues zelf werd bovendien de ene na de andere immense nieuwe woonwijkgebouwd: de Cité des 4000 in La Courneuve, Clichy-sous-Bois, Pantin et cetera. De bulldozers trokken ook de stad in. Oude wijken in Montparnasse, Tolbiac en Belleville werden aangewezen als i'fóts insalubres - onhygiënische bouwblokken -, vernietigd en vervangen door schijven, torens, pleinen, voetgangersgebieden en winkelcentra. Het resultaat, althans dat had het moeten zijn: een opgeruimde stad waaruit de verouderde bouwsubstantie als rot hout was vervangen door moderne en lichte gebouwen, met elkaar verbonden door grote pleinen, verkeerswegen, bruggen en parken, een stad met een historisch hart maar een gloednieuw skelet in de vorm van de boulevard périphêrique.

Deze visie was nog niet eens halverwege haar voltooiing of er werd een nieuwe aan toegevoegd die qua schaal nog groter was. In de jaren zestig bedacht men het concept voor villes nouvelles. Het ging om negen uitgestrekte nieuwe steden op enkele tientallen kilometers afstand van de grote steden. In feite grepen ze met een enorme technocratische macht terug op het oorspronkelijke sociale idee van de tuinstad uit het eerste kwart van de twintigste eeuw. Parijs alleen zou er vijf krijgen. Deze villes nouvelles werden, net als Almere, royaal opgezet, met veel eengezinswoningen, veel groen, een structuur die tegelijkertijd suburbaan en stedelijk zou zijn. Bovendien moesten deze steden zoveel mogelijk selfsupporting zijn, met werkgelegenheid, scholen, voorzieningen en zelfs culturele activiteiten. Ten slotte zouden ze door een regionaal metrosysteem (RER) met het hart van Parijs worden verbonden. Binnen twintig minuten kun je sindsdien van Cergy-Pontoise naar Chatelet-les-Halles reizen.

Op deze manier werd de reikwijdte van de planning nog groter gemaakt en werd de absolute centraliteit van Parijs als nooit tevoren in ere hersteld. Voor de grands ensembles was het rampzalig. De RER zoeft blind aan ze voorbij, met in haar kielzog de middenklassegezinnen, de voorzieningen, de nieuwe scholen, de werkgelegenheid en het imago van moderniteit en het goede leven. De grands ensembles veranderden binnen vijf tot twintig jaar van aantrekkelijke nieuwe woonwijken tot een soort noodvoorzieningen voor immigranten. Zij kregen niet de kans zich te ontwikkelen. Gezinnen trokken niet naar een groter huis om de hoek als ze het zich konden veroorloven, maar naar een groter huis langs het tracé van de RER in Cergy-Pontoise. Jongeren gingen, zodra ze mochten studeren, in het centrum van Parijs wonen, of vlak bij de nieuwe universiteit in Evry. De grands ensembles werden monofünctionele woonkazernes, afgesneden van de stad, bevolkt door mensen die niet anders konden. Het was alsof de sloppenwijken er gewoon weer stonden, maar dan hoog, modem en ontworpen door de elite van de Franse naoorlogse architectuur. De plannings- en vemieuwingsmachinerie deed precies datgene wat ze al eerder had gedaan: ze verklaarde de grands ensembles tot de nieuwe ilóts insalubres (zones urbaines sensibles: zus) en maakte zich op voor de zoveelste golf van afbraak en nieuwbouw. Ook deze golven van afbraak en nieuwbouw werden in de jaren negentig weer opgewekt met een enorme centralistische grandeur, zoals de Grand Projets de laVille.

De jongeren die in november 2005 de rellen veroorzaakten, zijn door de politici en planologen stelselmatig niet als Franse inwoners gedefinieerd, maar als problemen en bedreigingen. Wat dat betreft was minister Nicolas Sarkozy van Binnenlandse Zaken consequent toen hij hen aanduidde als racaille. Van dit «tuig» wil men afkomen door het slopen van de gebouwen waarin en waaromheen zij rondhangen. De buurten waar de rellen uitbraken zijn bijna zonder uitzondering wijken waarin de afgelopen jaren veel geld en ambitie is geïnvesteerd met het doel ze af te breken en weer op te bouwen, maar dan volgens het huidige beeld van een fatsoenlijke stad. In veel wijken was de sloop al in volle gang. Zoek op internet de namen van de brandhaarden en men treft prachtige, glossy websites aan vol plannen, speeches, animaties en slogans voor het nieuwe Clichy-sous- Bois, het nieuwe La Coumeuve, het nieuwe Lyon Laduchère.

De rellen moeten dan ook niet worden gezien als een revolte tegen de woonomgeving zelf, maar tegen het feit dat deze wordt behandeld als een vuilnisbelt die zo snel en effectief mogelijk moet worden opgeruimd. Er is een parallel tussen de woede van de relschoppers over het feit dat zij zichzelf als Fransen zien maar de Fransen hen als buitenlanders, en het feit dat het gaat om woonwijken waar generaties al tientallen jaren wonen maar die door de mensen die er niet wonen worden gezien als gevarenzones die moeten worden opgeruimd.

Dit beleid tot sloop en vervanging gaat uit van een sociale logica. Na het slopen zullen probleembewoners zich over de stad verspreiden en zich optrekken aan de anderen. Maar omdat dit op lokaal niveau gebeurt, valt nooit op dat deze logica in feite uitdraait op het telkens doorschuiven van een in wezen onveranderlijk probleem. De rellen in Frankrijk hebben nu in één keer de omvang en de aard van dit probleem getoond en daarmee dat het generieke beleid van sloop en vervanging een megalomane en kortzichtige onderneming is. Het gevolg van het telkens opnieuw beginnen, in Nederland of in Frankrijk, is dat steden zich ontwikkelen tot permanent circulerende bouwputten rond een tot in de perfectie gereconstrueerd historisch centrum. Een deel van de stadswijken is nieuw en trekt middeninkomens. Een ander deel is niet meer aantrekkelijk en dient als toevluchtsoord voor immigranten en achterblijvers. Die laatste wijken worden systematisch als probleemgebieden behandeld totdat ze door een grootschalige vernieuwingsoperatie zo goed als van de kaart zijn geveegd en zijn vervangen. Intussen is een nieuwere wijk alweer aan het afglijden. We horen in Nederland, nu de sloop van de jaren-vijftig- en -zestig- wijken al jaren in volle gang is, de eerste geluiden over onbeheersbaarheid, verborgen armoede, te kleine huizen en dus over aanstaande sloop van de wijken uit de jaren zeventig. Als er als iets uit de jaren vijftig zou moeten worden gesloopt, dan is het niet een of andere woonwijk, maar de machinerie die er nog steeds toe leidt dat hele stadswijken eendimensionaal tot een sociaal probleem worden gereduceerd dat daadkrachtig moet worden opgeruimd.

Juist voor dit mechanisme moet een ander in de plaats komen. Stedenbouwkundigen, bestuurders en ontwikkelaars zouden deze wijken de gelaagdheid en de trots moeten geven van die andere wijken die zich door de tidjdebben ontwikkeld. De manier om deze wijken te helpen is om ze complexer te laten worden, om er lagen, gebouwen, functies en betekenissen aan toe te voegen die ze nu nog niet hebben. Maar het belangrijkste is dat deze wijken worden beschouwd als works in progress, die nu al vijftig jaar herinnering hebben opgebouwd. Door deze collecteve ervaring te midden van een heftig veranderende wereld zijn al deze wijken totaal anders geworden dan hun planners hadden voorzien. Dit anders-zijn levert de elementen voor verbetering, niet het argument om ze als mislukt te beschouwen en ze te slopen. Maar bestaat er een geloofwaardige en effectieve stedenbouw die opereert op basis van wat ze ziet en aantreft en niet op basis van een generek model?

In het archief van bijna uitgevoerde grootse en meeslepende stadsprojecten liggen twee cultclassics die als voorbeeld kunnen dienen. Beide zijn gemaakt in de jaren tachtig door notoire soixante-huitards, voor gebieden die bijna waren opgegeven.
Het eerste plan is dat van Rem Koolhaas voor de Bijlmermeer uit 1986. Koolhaas werd gevraagd een allerlaatste poging te wagen om de Bijlmer, over de afbraak waarvan men al jaren praatte, een nieuwe kans te bieden. Hij deed dat door ten eerste in hyperbolen te spreken over de monumentale grandeur, de utopische visie, de on-Nederlands doorgevoerde ideologie en de totale consistentie van de Bijlmer en hield dit voor aan de laffe, paternalistische architectuur van de jaren zeventig en tachtig. Vervolgens deed hij er alles aan om de puriteinse helderheid van de Bijlmer juist te ondermijnen, of liever, er laag na laag andere systemen overheen te leggen. Het eindeloos repeterende zeshoekenraster werd eerst doorsneden door een Las Vegas-achtige boulevard met markten, uitgaansgelegenheden, cinema's, enzovoort. Vervolgens werd het overvloedige groen samengetrokken in een zigzaggend park in het midden. Daarna kreeg ieder binnenhof, voorheen uniform, zijn eigen identiteit door een sportveld, een strand, een theater et cetera. De lege ruimte tussen de blokken werd bezaaid met allerlei woningtypes: villaatjes, bungalows, rijtjeshuizen, patiowoningen of torentjes. Ten slotte werden tussen de belangrijkste oude en nieuwe oriëntatiepunten in het plan kaarsrechte paden getrokken, als vaccin tegen het ronddwalen in het groen tussen de blokken. Het resultaat zou een Bijlmermeer zijn geweest waarin de woningen zouden blijven staan, maar waarvan de plattegrond was veranderd van een eenduidig voortwoekerend leeg groen in een drukke overlapping van allerlei paden, straten, functies, paviljoens en activiteiten: zeg maar een stad. Even heeft het plan, omdat het een positieve en opwindende toekomst aannemelijk maakte, een rol gespeeld in het duw- en trekwerk rond de Bijlmermeer. Maar de El Al-crash bleek het begin van het einde voor de ideologische honingraten. Inmiddels is het gebied bijna volledig vervangen door Vinexbouw.

Het tweede project is niet zozeer een ontwerp als wel een fascinerend politiek proces met stedenbouw als belangrijkste instrument: Banlieues '89 van de Parijse architecten Roland Gastro en Michel Cantal Dupart. Het object van Banlieues '89 was Le Grand Paris, Parijs inclusief al zijn voorsteden. Gastro en Cantal-Dupart wilden dit Parijs, met al zijn landschappelijke lagen, historische nederzettingen, stedenbouwkundige structuren en verschillende bevolkingsgroepen als geheel tot een project maken. Daarnaast wilden zij de barrière die de boulevard périphérique was geworden neutraliseren. Merkwaardig maar uiterst belangrijk is dat met name Gastro sterk was beïnvloed door de jaren van psychotherapie die hij had gevolgd bij Jacques Lacan. Met diens trits «reëel - imaginair - symbolisch» ging hij de zekerheden van de “ultra rationele” planning te lijf. Tegenover de eenduidig geplande stad zette hij de vitte sedimentaire, de stad die bestaat uit allerlei afzettingen die zowel fysiek kunnen zijn als in de herinnering kunnen bestaan, zowel individueel als collectief. Tegenover de stad van de ligne droite zette hij de stad van Ie chemin de l'ane: het pad van de ezel die langs een grillig parcours ronddwaalt. De methodes van Gastro en Cantal-Dupart waren een combinatie van het empirische, het architectonische en het politieke. Eerst maakten zij
een set van kaarten met daarop een simpel raster. Op dat raster tekenden ze de meest uiteenlopende zaken: cafés, bioscopen, afstand tot bushaltes, scholen, parken, plekken waar je kunt zwemmen, enzovoort.

De kaarten gaven een schrijnend beeld van de enorme ongelijkheden en de leegte in de schijnbaar overvolle banlieues, met soms concentraties van duizenden mensen zonder ook maar één café, winkel of speeltuin binnen een redelijke afstand.
Ten tweede gingen Gastro en Cantal-Dupart, met steun vanuit het Elysée, een trektocht maken langs alle burgemeesters van de banlieuegemeentes en arrondissementen. Het waren er 77. Aan iedere burgemeester koppelden ze een architect. Samen moesten die een of meerdere projecten opzetten die, hoe klein of groot, hoe functioneel of symbolisch ook, effect moesten hebben op het gebied zelf. Zo ontstond er een kaart met 250 projecten. Sommige waren landschappelijk van aard en besloegen de schaal van het hele Grand Paris, zoals projecten voor de Seine-oevers of voor een tram die de banlieues met elkaar verbond. Andere waren meer plaatselijk: parken, gebouwen, boulevards. De projecten hadden tot doel te laten zien wat er aan landschappelijke, symboische en stedelijke potenties al lag. Het lacaniaanse aan dit project is dat daarbij de onderbewuste trots en Ie desi'rvan de plaatselijke bestuurders en bewoners werd meegenomen als een serieus element voor een stedelijk project. In principe had dit project daarmee een enorme kans op realisering, veel sterker dan wat voor top-down-megaplan ook. Maar juist doordat het in toenemende mate serieus werd genomen en werd ingebed in allerlei ministeries en departementen, verloor het de strijd. Banlieues '89 leidde tot de instelling van ministeries en interministeriële departementen. Gastro werd een soort senator voor de banlieues. Toen hij merkte dat het project werd gereduceerd tot een serie mediagenieke events trad hij af. Alleen de tramlijn is er gekomen. Banlieues '89 en het Bijlmermeerproject zijn wat betreft schaal en «smaak» nauwelijks te vergelijken. De Bijlmermeer is een project voor de vernieuwing van één satellietstad. Banlieues '89 gaat een hele regio te lijf. De Bijlmer maakt gebruik van hardcore vernieuwende ontwerpmethodieken, Banlieues '89 van reeds bekende typologieën. Maar ze hebben gemeen dat ze met een voor hun generatie typische intellectuele agressie de bestaande aannames en mechanismen achter de fysieke werkelijkheid en het rationele verhaal ondergraven. Ze boren diepere lagen aan. Ze hebben de stad herontdekt, niet als een eenduidig project maar als een caleidoscoop van ideologie, vorm, verhalen, beton en banale functies.

Beide projecten richten zich op het compliceren van te simpele, te lege en te rationele omgevingen door het toevoegen van lagen. Deze lagen zelf kunnen bestaan uit op zichzelf kleine ingrepen: dingen die functioneren op het niveau van een buurt of zelfs een straathoek, maar soms ook lijnen op de schaal van de regio. De plannen staan of vallen niet met een volledige uitvoering door één opdrachtgever. Ze bestaan eerder uit catalogi van deelprojecten, die alle op een totaal andere manier kunnen worden uitgevoerd en waarvan de samenhang discreet maar onverbiddelijk is. Deze bevindt zich immers op een imaginair én een politiek niveau. Wat deze plannen gemeen hebben en waarvan wij nog steeds kunnen leren is dat zij uitgaan van de stad als een sedimentatie van de meest tegenstrijdige elementen en visies. Daarbinnen worden ook de grands ensembles ofwel de naoorlogse woonwijken met open armen ontvangen en zonder aarzeling opgenomen. Doordat beide plannen ver zijn gekomen in een poliüek proces, maar daarop uiteindelijk ook zijn stukgelopen, leren ze ons ook over de gevaren en de booby traps van stadspolitiek en ruimtelijke ordening. We moeten ze niettemin zien als belangrijke voorgangers in de strijd tegen de technocratische kleinzieligheid of pseudo-daadkracht waarmee nu een belangrijk deel van onze steden wordt gemarginaliseerd en de ontwikkeling van de stad als geheel wordt gefrustreerd.