Gidsartikel: Oorlogje Spelen

De Nederlandse onderzoeker David Nieborg schreef een scriptie over America’s Army, een schietspel waarin deelnemers worden blootgesteld aan een paar slimme propagandatrucs.Over war games en echte oorlog.

door Han Ceelen

Opvallend berichtje in de Volkskrant van 12 maart jl.: volgens staatssecretaris van Defensie Jack de Vries weten aspirant-militairen pas door met scherp te schieten of ze geschikt zijn voor het vak. De PvdA, die vindt dat niemand voor zijn 18e mag schieten, acht computersimulaties realistisch genoeg.

Over oorlog en oorlogsspelletjes gaat ook de laatste van vier Tegenlicht-uitzendingen over Irak. Maker René Seegers neemt hierin een kijkje bij een rekruteringsdag van het Amerikaanse leger en praat met een aantal internationale deskundigen over de rol van war games bij oorlogen zoals die in Irak.

Het begrip war games is lichtelijk verwarrend, omdat er verschillende dingen mee worden bedoeld. Allereerst het aloude oorlogje spelen, waarbij met slimme strategieën wordt getracht de tegenstander te verslaan. Dit kunstje verstaan de VS al sinds 1889, maar sinds de opkomst van de computer, satellieten en internet – leren we in de uitzending – is het helemaal niet meer weg te denken uit de Amerikaanse oorlogsdoctrine. Volgens een van de geïnterviewden zijn er nu al zeshonderd legermedewerkers bezig met het uitvechten van een virtuele oorlog met Iran.

De term kan ook slaan op de Amerikaanse manier van oorlogvoeren zelf, die door het gebruik van slimme computertechnologie steeds meer op het spelen van videospelletjes begint te lijken. Eind jaren ’90 leken de Amerikanen technologisch zo ver dat het onderscheid tussen spel en werkelijkheid nauwelijks nog te maken was. In de Kosovo-oorlog viel onder Amerikaanse militairen het verbluffende aantal van nul slachtoffers (je kon in dat conflict beter militair zijn dan journalist of burger). Maar in Irak bleek het toch weer ingewikkelder te liggen: in de chaos die daar ontstond na de aanvankelijk eenvoudige Amerikaanse zege, moest men toch weer terugvallen op ‘ouderwetse’ oorlogsvoering.

En dan zijn er nog de echte games: uiterst realistisch aandoende videospelletjes die door het leger worden gebruikt bij de werving en training van rekruten. De belangrijkste daarvan is America’s Army, dat gratis is te downloaden en dat intussen door zo’n tien miljoen mensen is gespeeld. America’s Army is een schietspel voor alle leeftijden waarbij een anonieme vijand moet worden uitgeschakeld. Speltechnisch verschilt het weinig van populaire (en prijzige) commerciële tegenhangers als Counter-Strike, maar inhoudelijk is er wel een verschil. Deelnemers moeten eerst een training volgen voordat ze het spel kunnen spelen. Daarin worden ze virtueel opgeleid tot Amerikaans soldaat. Als het bevalt kunnen ze zich op de website meteen aanmelden voor een functie bij de krijgsmacht.

De jonge Nederlandse onderzoeker David Nieborg (27), zelfverklaard ‘ludoloog’ en verbonden aan de UvA en de Amsterdam School for Cultural Analysis (ASCA), schreef in 2005 een scriptie over America’s Army.

Nieborg, zelf een fervent gamer, is vooral geïnteresseerd in de versmelting van populaire cultuur en militaire cultuur, vertelt hij in zijn met game-affiches behangen werkkamer. Hij wijst op de trui die hij draagt en die hij onlangs kocht in Boston. ‘Operation Iraqi Freedom. Veterans Fighting the Global War on Terror’ staat erop, als betrof het een aandenken aan een popconcert. ‘Laten mijn collega’s hem maar niet zien,’ grapt hij. ‘Maar ik vond het een treffend voorbeeld van de manier waarop oorlog wordt getrivialiseerd en versmelt met populaire cultuur, tot een punt waarop je niet meer weet wat wat is.’

America’s Army gaat volgens Nieborg nog een stapje verder. Want behalve aan een virtuele militaire training worden deelnemers ook blootgesteld aan een paar slimme propagandatrucs. Nieborg: ‘Het lijkt een realistisch oorlogsspel, maar er zijn een paar subtiele verschillen met vergelijkbare games. Officieel wordt niet vermeld waar het zich afspeelt, maar je kunt uit alles opmaken dat het ergens in het Midden-Oosten is. Ook kun je het spel alleen vanuit het perspectief van de Amerikaanse soldaat spelen, en niet vanuit de rol van de tegenstander. Je opponent verwonden of verminken kan evenmin. Zelfs ik, met al mijn kennis, heb moeite om die trucs eruit te halen, omdat ik opga in het spel. Laat staan dat de gemiddelde gamer het doorheeft.’

Een ander voorbeeld van de versmelting die Nieborg signaleert, is de steeds inniger band tussen de game-industrie en het Amerikaanse leger. ‘De game-industrie leidt de dans,’ zegt hij. ‘Zij hebben de beste games en alle technologie. Het Amerikaanse leger koopt die kennis gewoon in, net zoals ze hun wapens kopen bij Boeing. En bij de gameproducenten zitten veel figuren die gek zijn van het leger. Dus het is een heel symbiotische samenwerking.’

In Europa is het trouwens niet anders. Nieborg noemt het voorbeeld van de Tsjechische gameproducent Bohemian Interactive. Deze maakt zowel uiterst succesvolle commerciële spellen als Operation Flashpoint, als simulaties voor de legers van landen als Nederland, Israël en Singapore. Tussen de twee poten van het bedrijf zit volgens Nieborg inhoudelijk nauwelijks verschil.

Het wordt volgens hem extra pikant als zo’n militaire tak gaat inspelen op de fancultuur, de kurk waarop de game-industrie drijft. Zo is het in de gamerswereld niet ongebruikelijk dat fans onderdelen van een spel wijzigen (modding) of gebruiken voor eigen creatieve uitingen. Nieborg: ‘Niks mis mee, maar het wordt natuurlijk wat anders als gamers wallpapers en filmpjes gaan maken met beelden van een spel als America’s Army. Dan gaat fancultuur militaire cultuur raken en ik denk niet dat je dat moet willen. Je ziet het ook in de uitzending: het leger gebruikt een onderdeel van de fancultuur, de LAN-party (gezellig samen computeren – red.), om zelf op scholen zieltjes te winnen. Het is geen complot, ze maken er geen geheim van. Maar ik ben daar heel kritisch over.’

Nieborg deed geen onderzoek naar wat hij de ‘multimilliondollar-vraag’ noemt: zorgen schietspelletjes als America’s Army er nu ook voor dat jongeren in een echte oorlogssituatie sneller de trekker overhalen?

Zelf gelooft hij dat de spellen hooguit voor een betere oog/handcoördinatie zorgen, en dat ze jongeren helpen om de oorlog een plaats te geven. ‘De soldaten in Vietnam keken naar Mash, de huidige generatie luistert naar hiphop en speelt videogames. Maar verlagen die games de drempel om anderen dood te maken? Daarvan ben ik allerminst overtuigd. Ik denk dat 99 procent van de gamers zich verdraaid bewust is van het feit dat ze een spelletje spelen. En dat de stap naar echt schieten veel meer te maken heeft met de training en drills die militairen krijgen.’

Jack de Vries heeft dus gelijk, vindt Nieborg: ‘Ik heb zelf in Amerika een paar keer met een vuurwapen geschoten, en ik ben blij dat ik dat gedaan heb. Het is compleet anders dan een videospelletje spelen: de terugslag, het geluid, de stank… Ik besefte direct dat videogames voor mij geen enkele connotatie hebben met reëel geweld.’

Hij ergert zich dan ook aan de huidige discussie rond het verbieden van ultragewelddadige spellen als Manhunt 2. Critici als minister Hirsch Ballin en kamerlid Dijsselbloem pikken volgens hem precies de verkeerde voorbeelden eruit, omdat ze niets van de gamecultuur snappen. ‘Manhunt is een spel voor volwassenen, en wordt relatief weinig gespeeld. Zorg ervoor dat kinderen er niet aan kunnen komen en het probleem is opgelost. Waar je je veel meer vragen over kunt stellen is of het wenselijk is dat Nederlandse kinderen van twaalf jaar in aanraking komen met Amerikaanse oorlogspropaganda. Dat is geen oproep om America’s Army te verbieden, maar het is wel een issue. Laat Dijsselbloem en consorten daar eens over nadenken.’