Euthanasie

In januari 2000 zond de VPRO de documentaire 'Willens en wetens' uit, waarin een demente patiënte centraal stond. Zij had in het verleden had aangegeven niet meer te willen leven wanneer zij dement zou worden. De Tegenlicht documentaire 'Slotakkoord' handelt wederom over een demente patiënt die jaren geleden bepaald heeft te willen sterven wanneer hij in een dergelijke situatie terecht zou komen. Maar hoe waardevol is zo'n wilsbeschikking eigenlijk? Kan en mag een arts wel euthanasie plegen bij demente patiënten?

Op 1 april 2002 werd de 'Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding' van kracht. Vóór 2002 kon een arts die euthanasie gepleegd had, een beroep doen op noodtoestand en zo een veroordeling voorkomen. In de nieuwe wet zijn uitzonderingen gemaakt op de regel dat levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding misdrijven zijn. Het plegen van euthanasie is niet meer strafbaar, mits de arts in kwestie voldoet aan de zorgvuldigheidseisen en bij de regionale toetsingscommissie euthanasie op de juiste wijze melding maakt van de procedure die hij gevolgd heeft.

 

Dit wil echter niet zeggen dat een arts euthanasie mag uitvoeren bij demente patiënten. Hiervoor bestaan twee redenen. Ten eerste moet er in het geval van euthanasie sprake zijn van "uitzichtloos en ondraaglijk lijden". Bij dementerenden is het echter moeilijk om vast te stellen of en in welke mate zij lijden onder hun aandoening. Daarnaast moet de patiënt wilsbekwaam zijn: in staat om zich te realiseren wat de strekking is van zijn of haar euthanasieverzoek, dat weloverwogen en vrijwillig tot stand moet zijn gekomen. In het geval van demente patiënten is ook dit een problematisch punt. Hoe kan een arts erachter komen of de patiënt in kwestie daadwerkelijk wil sterven en de gevolgen van zijn of haar wens kan overzien?

Wanneer er twijfels bestaan over de ondraaglijkheid van het lijden en de wilsbekwaamheid van de patiënt, mag er niet overgegaan tot vrijwillige levensbeëindiging. Een in het verleden opgestelde wilsverklaring kan hier niets aan veranderen. Hoewel een wilsverklaring een noodzakelijke voorwaarde is voor het plegen van euthanasie, vormt zij dus geen garantie dat euthanasie ook echt zal plaatsvinden. Dit wordt duidelijk wanneer we kijken naar de situatie van Bram de Gooijer, die in de Tegenlicht documentaire 'Slotakkoord' wordt belicht. In het verleden heeft hij te kennen heeft gegeven niet langer te willen leven wanneer hij in een uitzichtloze lichamelijke of geestelijke conditie zou komen te verkeren. Bram de Gooijer is nu, 22 jaar later, niet meer de persoon die hij ooit was. Geheel tegen zijn vroegere verzoek in, geeft hij aan toch behandeld te willen worden. Zijn artsen staan voor een dilemma.

Het moge duidelijk zijn dat euthanasie bij demente patiënten een zeer ingewikkelde zaak is. Toch betekent dit niet dat het nooit voorkomt, of per definitie strafbaar is. Op de website van de 'regionale toetsingscommissies euthanasie' worden de oordelen over de handelwijze van de verschillende artsen gepresenteerd. In het jaar 2006 is er in één geval van euthanasie bij een demente patiënt terug te vinden. Het betreft hier een vrouw tussen de 70 en de 80 jaar, die nog voldoende in staat was getuige te zijn van haar eigen achteruitgang. Ondanks haar altijd verslechterende toestand was haar euthanasiewens helder en consistent. Voor de arts, de onafhankelijke collega-huisarts die als consulent optrad en de naasten van de patiënte bestond er geen twijfel over het lijden van de vrouw. De patiënte was ontzettend bang voor het steeds verder voortschrijdende dementieproces, dat zij al enkele keren van dichtbij had meegemaakt. Daarnaast vreesde zij dat haar verzoek niet zou worden ingewilligd. Hoewel de regionale toetsingscommissie van mening is dat men zeer terughoudend dient te reageren op de euthanasiewens van dementerende patiënten, oordeelde zij dat de arts in deze specifieke omstandigheden volgens de zorgvuldigheidseisen had gehandeld.

In het bovengenoemde geval was het ondraaglijke lijden van de patiënte evident, bestaande uit enerzijds de angst om geestelijk af te taken en volledig afhankelijk te worden, anderzijds uit de vrees dat haar euthanasieverzoek niet zou worden ingewilligd. Hoewel de geestelijke vermogens van de patiënte gestaag achteruitgingen, was de arts ervan overtuigd dat zijn patiënte haar besluit om te willen sterven weloverwogen genomen had. Het blijkt dus dat het niet per definitie onmogelijk is om over te gaan tot het plegen van vrijwillige levensbeëindiging wanneer er sprake is van beginnende dementie, omdat de patiënt zich (bij vlagen) nog bewust is van zijn of haar situatie. Voor mensen zoals meneer de Gooijer geldt dit niet meer, ondanks zijn uitdrukkelijke wens om te sterven, mocht hij ooit dement worden. In deze gevallen duurt het dilemma voort - misschien niet zozeer voor de patiënt zelf, maar wel voor zijn of haar artsen en naasten.

Door Jolien Linssen