Retorica en de toespraken van Obama

De retoriek van de goed opgebouwde toespraken van Barack Obama speelde een belangrijke rol bij zijn kandidaatsstelling en uiteindelijke verkiezing tot president. Bij retorica gaat niet alleen om welsprekendheid maar veel meer om overtuigingskracht. Een goede tekst met een goed ritme en inzet van stijlfiguren kan hierbij helpen.

Belangrijke factoren voor een goede speech: ethos (karakter, imago), logos (argumenten) en pathos (emoties). En voor een goede redenaar: techniek (ars/ techne) en vaardigheid (usus en exercitatio: oefenen).

'ars est celare artem': het is de kunst de kunst te verbergen

DE KLASSIEKE TAKEN VAN DE REDENAAR (officia oratoris)

1. Vinding
De inventio omvat al het voorbereidende werk van de redenaar, die voorafgaand onderzoek pleegt over het onderwerp van zijn redevoering; hij dient het juiste materiaal te vinden (= Lat. invenire). De inventio is dus het vinden van informatie, het bedenken van argumenten en een invalshoek. Probeer zoveel mogelijk onverwachte, originele argumenten te vinden.

2. Ordening
Daarna moet hij tot een ordening (Lat. disponere = ordenen) van het gevondene komen: dispositio, je bepaalt hoe je je betoog gaat opbouwen: wat is een goede binnenkomer (een toepasselijk citaat of anekdote), wat een goede uitsmijter en hoe maak je de volgorde van de argumenten daartussenin zo begrijpelijk en effectief mogelijk.

3. Verwoording
Dan dient hij zijn eerste versie(s) bij te schaven door aan zijn stijl te werken: elocutio (Lat. eloqui = goed uitspreken). Nu werk je het betoog uit, je formuleert het betoog. Let hierbij op stijl: woordkeuze, zinsbouw, ritme etc. (zie ‘stijlfiguren’)

4. Geheugen
Een heel belangrijk onderdeel – nog steeds bevindt de redenaar zich in de voorbereidende fase! – is die van de memoria (Lat. memoria = inprenting): de redevoering wordt nu uit het hoofd geleerd, want ‘van papier oplezen’ is beslist uit den boze en wekt een erg amateuristische indruk. Je moet je publiek kunnen aankijken. Je mag wel met kaartjes werken als geheugensteuntje, maar niet met een uitgeschreven tekst.

5. Voordracht
Eindelijk is daar de laatste fase, die van de eigenlijke voordracht: actio of pronuntiatio, wat zoveel wil zeggen als ‘handeling’ of ‘uitspraak’ (Lat. agere = handelen, pronuntiare = uitspreken), waarbij het aardige is dat de spreker nu juist spontaan moet voorkomen, niet alsof je alles uit je hoofd opdreunt. Het is belangrijk dat je contact maakt met je publiek en hen overtuigt door je stemgebruik (of juist zwijgen), houding en gebaren.
De belangrijkste Griekse redenaar, Demosthenes (384-322), oefende volgens Cicero zijn voordracht door met een mond vol kiezelsteentjes tegen het lawaai van de zee in te spreken.

DE DELEN VAN DE REDEVOERING
Bij het uitspreken komen vaste onderdelen van de redevoering aan bod.

1. Het exordium is de inleiding en dient ervoor om de toehoorders in het onderwerp in te wijden en belangstellend te maken. Zorg voor een pakkend begin waarmee je meteen de aandacht van je publiek grijpt: een anekdote of voorbeeld werkt vaak goed om het publiek nieuwsgierig en welwillend te maken. Verder moet je aan het begin aankondigen wat je stelling is en kort aangeven hoe je die gaat onderbouwen.

2. De argumentatio bevat de eigenlijke argumentatie. Hierin geef je je argumenten en weerleg je eventuele tegenwerpingen die te verwachten zijn (die je dus ook zelf formuleert).

3. Alles wordt nog een keer op een rij gezet en van een conclusie voorzien in het slotwoord, de peroratio. Dit is het moment waarop je je laatste, beslissende indruk achterlaat op het publiek.

Het begin (exordium) en eind (peroratio) van het betoog zijn vooral publiekgericht (Wie is je publiek? Hoe spreek je hen op de meest effectieve manier aan? Let op voorkennis, afstemmen stijlniveau etc.) Hierbij speelt stijl en pathos (spelen met emotie) een belangrijke rol.

Het middendeel -de argumentatio - is zaakgericht. Logos is dan het belangrijkst: wees helder en logisch in je argumentatie. Breng een duidelijke structuur aan.

ARGUMENTATIE EN DROGREDENEN

Drogredenen

Drogredenen zijn fouten in een betoog, overtuigingsmiddelen die eigenlijk niet mogen maar vaak wel werken. Vooral met drogredenen die als grap overkomen, kun je goed scoren. Humor is immers een belangrijk overtuigingswapen. Maar als je publiek drogredenen weet te ontmaskeren, dan komt dat vroeg of laat natuurlijk terug.

Hieronder een aantal veel voorkomende drogredenen:

1. Drogreden van het hellend vlak (the slippery slope): hierbij wordt ten onrechte gesuggereerd dat een maatregel van kwaad tot erger leidt.
Bijvoorbeeld: “als we vandaag de viagra-pil in het ziekenfondspakket plaatsen, gaan we morgen BMW's vergoeden!”

2. Drogreden van de verkeerde tegenstelling (vals dilemma): er worden twee tegengestelde opties gesuggereerd.

3. De cirkelredenering (‘Begging the question’): hierbij is het aangevoerde argument identiek aan het standpunt dat het moet ondersteunen. Cirkelredeneringen lijken soms heel waarschijnlijk. Vaak zie je pas op het tweede gezicht dat het argument weinig toevoegt. Bijvoorbeeld: “De overheid moet het financieren want het is haar taak om dat te doen”. Zonder extra ondersteuning zegt dit argument weinig.

4. Argumentum ad populum (populistische drogreden): hierbij wordt de mening van anderen als enige bewijsvoering aangebracht. Bijvoorbeeld: "iedereen is het er over eens dat...” of “duizenden lezers staan achter de denkbeelden van X, dus.....”

5.Bevestigen van de consequens: de relatie tussen twee zaken wordt omgedraaid in een als ... dan-redenering.
Bijvoorbeeld:
1- Als een middel helpt, dan zit het in het ziekenfonds.
2- Het middel zit in het ziekenfonds (correcte argument).
3- Dus het middel helpt (incorrecte conclusie).

6. Autoriteitsdrogreden: hierbij wordt ten onrecht de eigen of iemands anders autoriteit aangehaald om een standpunt te ondersteunen.
Bijvoorbeeld: “Als van Rossem zegt dat het zo is, dan zal hij wel gelijk hebben: hij is tenslotte professor”.

7. Onjuiste oorzaak-gevolg-relatie (Post hoc ergo propter hoc): hierbij wordt er al te makkelijk van uitgegaan dat als een verschijnsel na een ander verschijnsel optreedt, het eerste verschijnsel de oorzaak is van de tweede.
Bijvoorbeeld: “Het invoeren van het alcoholverbod tijdens Koninginnedag was succesvol, want er zijn dit jaar aanzienlijk minder ordeverstoringen geweest”. (Terwijl bijvoorbeeld het feit dat het een hele koude nacht was ook een verklaring zou zijn.)

8. Ontduiken van de bewijslast: Persoonlijk instaan voor de juistheid van een standpunt of een standpunt als vanzelfsprekend presenteren.
Bijvoorbeeld: “Het spreekt vanzelf dat Susanne geen enkele blaam treft”.

9. Ignoratio elenchi (irrelevante argumentatie): De argumentatie heeft betrekking op een ander standpunt

10. Divisiedrogreden: Het ten onrechte toekennen van een eigenschap van een geheel aan een of meer delen van dat geheel.
Bijvoorbeeld: “Het bedrijf heeft een saai imago, dus dat belooft niet veel goeds
voor de mensen die er werken”.

STIJL

'ars est celare artem': het is de kunst de kunst te verbergen

Bij de formulering van een hele tekst of enkele zin is stijl een belangrijk middel, je maakt je tekst er aantrekkelijker mee. Het gaat om ritme en harmonie, vloeiende zinnen of staccato, variatie etc. De stijl en woordkeus moet natuurlijk wel passen bij je publiek. Door je stijl kun je spelen met (de emoties van) het publiek, maar als het er al te dik bovenop ligt of niet de juiste toon raakt dan kan het ook tegen je werken. Humor bijvoorbeeld is een zeer effectief overredingsmiddel, maar ironie is riskanter: het moet niet verkeerd begrepen worden.

Er zijn verschillende stijlfiguren:
- vormen van overdrachtelijk taalgebruik, nuanceren de betekenis. Hieronder vallen bijvoorbeeld de hyperbool (overdrijving), archaisme en neologisme, de metafoor en vergelijking, de dubbele ontkenning (‘niet onverdienstelijk’) en ironie

- stijlfiguren waarbij woorden gemanipuleerd worden. Bijvoorbeeld de climax, de antithese (tegenstelling), alliteratie, spelen met woorden die op elkaar lijken, de herhaling van hetzelfde woord etc.

- Stijlfiguren waarbij een gedachte op een ongewone manier wordt gepresenteerd. Voorbeelden hiervan zijn de retorische vraag, de uitroep en de personificatie