Libië, van de as van het kwaad tot voorbeeldstaat

Sinds de staatsgreep van 1 september 1969 wordt Libië bestuurd door Muammar Ghadaffi. Ghadaffi noemt zichzelf geen leider of president maar Gids van het land. Hij is de Gids die het sinds 1977 socialistische land dient te leiden naar de vervolmaking van Libië als eerste natie met de ‘Jamarihiyya’ als staatsvorm. Een staatsvorm die door Ghadaffi zelf is opgesteld in zijn groene boekje. Dit groene boekje is een driedelig manifest waarin hij oplossingen aankaart voor problemen van de democratie (deel 1) en de economie (deel 2). In het laatste deel komt Ghadaffi tenslotte met een universele derde theorie als antwoord op het kapitalisme van het westen en het communisme van de Sovjet-Unie. De ‘Jamarihiyya’ is een systeem van directe democratie waarin burgers ouder dan achttien jaar zitting kunnen nemen in volkscongressen, die weer onder leiding staan van volkscomité’s. Het algemene volkscongres kent maar liefst 27.000 leden op een bevolking van iets meer dan zes miljoen.

Ondanks dat de grondwet van Libië gestoeld is op gedachtegoed dat uitgaat van de macht van het volk, is de afgelopen decennia gebleken dat de macht toch vooral bij één man ligt; Muammar Ghadaffi. Zo zijn politieke partijen verboden en voert Ghadaffi nog steeds een hevige strijd voor machtsbehoud met de islamistische oppositie in het land. Deze strijd bereikte een hoogtepunt toen op 31 mei 1998 een moordaanslag werd gepleegd op de Gids. Hierbij kwamen drie lijfwachten van Ghadaffi om het leven. Zelf werd hij slechts in zijn elleboog getroffen.

In de jaren tachtig werd het Libië van Ghadaffi meerdere malen gelinkt aan terroristische aanslagen in Europa. Zo was er in 1986 de bomaanslag op een discotheek in West-Berlijn waarbij twee Amerikaanse soldaten en één Turkse vrouw omkwamen. Als vergelding hierop stuurde toenmalig president Reagan vliegtuigen naar Libië om een einde aan het leven van Ghadaffi te maken. Hoewel de Gids ongedeerd bleef kwamen bij de bombardementen wel zijn dochter en vijftien burgers om het leven.

Achttien maanden later, op 21 december 1988, vond er een nieuwe aanslag plaats op een Amerikaans doelwit in Europa. Boven het Schotse plaatsje Lockerbie explodeerde een Amerikaans Pan-Am vliegtuig, door een bom die verstopt was in de bagage aan boord van het vliegtuig. Bij deze aanslag kwamen alle 259 inzittenden evenals elf mensen op de grond om het leven. Hoewel in eerste instantie een Palestijnse terrorist, Ahmad Djibril er van wordt verdacht de aanslag in opdracht van Iran gepleegd te hebben, wordt later naar Libië gewezen als het brein achter de aanslag. Ghadaffi zou volgens de Amerikaanse autoriteiten opdracht gegeven hebben om zo het verlies van zijn dochter te wreken. Critici van deze beschuldiging wijzen echter op het feit dat de Verenigde Staten – op dat moment verwikkeld in de 1e golfoorlog – het zich niet kan permitteren de steun van Iran te verliezen en daarom Libië als schuldige aanwijst.

Toen de Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten genoeg bewijsmateriaal hadden verzameld voor een zaak tegen de twee Libische hoofdverdachten weigerde Ghadaffi echter om zijn onderdanen uit te leveren. En hoewel de weigering van Ghadaffi niet in strijd is met het internationaal recht, drukten het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten toch een aantal sancties door bij de VN-veiligheidsraad. Zo werden de buitenlandse rekeningen van Libië bevroren, kwam er een boycot van Libisch vliegverkeer en een verbod op de verkoop van apparatuur aan Libië waarmee men olie kan winnen. Door al deze sancties kwam Ghadaffi in eigen land steeds meer onder druk te staan. Vanuit Afrika werd afwijzend gereageerd op de VN-sancties. De Afrikaanse Unie deed zelfs een oproep aan haar lidstaten om deze sancties te negeren. Deze situatie duurde voort, zonder dat de twee verdachten door Libië werden uitgeleverd. Toen binnen de VN ook steeds meer landen dreigden met het negeren van deze sancties stemde de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in met het tijdelijk opschorten hiervan. Een jaar later besloot Libië na lang onderhandelen dan toch om de twee vermoedelijke daders uit te leveren. Na lang onderhandelen werden de twee Libische hoofdverdachten, Al-Amin Khalifa Fahima en Abdel Basset Ali al-Megrahi, uiteindelijk berecht op neutraal terrein volgens het Schotse strafrecht. Dit was in Nederland in het zwaarbeveiligde kamp Zeist, een oude legerbasis. Daar werd al-Megrahi veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, en Khalifa Fahima vrijgesproken. De bewijslast in de Lockerbie-zaak tegen al-Megrahi heeft echter altijd tot de nodige discussie geleid. Vooraanstaand criticus hiervan is de Schotse professor strafrecht Robert Black. In een ‘60 minutes’ uitzending van het Amerikaanse CBS werd zelfs naar Iran als het brein achter de aanslag gewezen. Maar Libië bekende in de ogen van velen schuld toen zij overging tot het betalen van schadevergoedingen aan de nabestaanden van de slachtoffers. Zij kregen in totaal $2,7 miljard dollar, zo’n $10 miljoen dollar per slachtoffer. Doordat Libië na 9/11 ook haar omstreden wapenprogramma liet varen en het Internationaal Atoom Agentschap toestond haar fabrieken te inspecteren, veranderde de rol van Libië als schurkenstraat, opeens in die van medestander in de strijd tegen het kwaad. In vergelijking met de rolverdeling tijdens de eerste golfoorlog, hebben Iran en Libië dus definitief van rol gewisseld.

Door: Mitsuko Teiwes