DSM: 'Slim kijken hoe de natuur het doet, en dat kopiëren'

Hugo Hoes ,

Uit: VPRO Gids Nr. 15

Het chemieconcern DSM speelt een belangrijke rol bij de groene transitie, de overgang van een productieketen gebaseerd op fossiele brandstoffen naar een 'biobased economy'. De VPRO Gids bezocht het bedrijfsterrein in Delft.

Tekst en foto’s Hugo Hoes

De straatnamen zijn het leukst. Wat te denken van een Laan van Analyses? Of de Straat van R&D? Het moge duidelijk zijn, hier wordt nagedacht. Het is 26 maart en fossiele brandstof heeft uw verslaggever naar het enorme terrein van chemieconcern DSM* in Delft gebracht. De aanleiding van het bezoek is de vijfdelige reeks ‘De groene transitie’ van Tegenlicht.

De reeks wordt afgesloten met een door Joris Luyendijk geleide masterclass van Hermann Scheer, ‘de Europese Al Gore,’ die Duitsland aan de zonne-energie hielp. En daar had men ook graag Feike Sijbesma, ceo van DSM bij gehad, want DSM speelt een belangrijke rol bij de overgang van een productieketen gebaseerd op fossiele brandstoffen, naar een biobased economy. Dat beweren ze niet alleen zelf, dat zegt ook de buitenwereld. Zo kan DSM de goedkeuring wegdragen van het duurzame beleggingsfonds van de Triodosbank. De bank noemt het concern ‘een van de voortrekkers binnen de chemische sector waar het gaat om duurzaamheidsaspecten. Het presteert bovengemiddeld ten opzichte van sectorgenoten en voldoet aan de uitsluitingscriteria van het fonds.’

De groene activiteiten worden ook internationaal gewaardeerd. Bijna elk jaar staat DSM op de eerste plaats in de Dow Jones Sustainability Index. Duurzaamheid is bij DSM al jaren geen modewoord meer, maar wordt zelfs core business. En dat voor een chemieconcern. In alle geledingen van het bedrijf is men doordrongen van het feit dat er anders geproduceerd moet worden. En mocht iemand daar binnen (de top van) het bedrijf toch nog over twijfelen, ook de bonussen zijn gekoppeld aan doelstellingen op het gebied van duurzaamheid. Helaas is Sijbesma verhinderd op de opnamedag van Tegenlicht.

Om toch een indruk te krijgen van de activiteiten van DSM is de VPRO (gids) echter van harte welkom. Dat laat uw verslaggever zich geen twee keer zeggen.

Met kolen begonnen

Ward Mosmuller, hoofd Public Affairs bij DSM

Op de streng beveiligde site, dat is de verwarrende naam die DSM intern gebruikt voor het bedrijfsterrein, wordt hij welkom geheten door hoofd Public Affairs, Ward Mosmuller. Voor de chemicus is het geen enkel probleem dat zijn gast een leek is op het gebied van chemie. ‘Dan beginnen we gewoon bij de basis.’ Enthousiast steekt Mosmuller van wal. ‘ DSM stond ooit voor Dutch State Mines*. We zijn met kolen begonnen en een paar transities hebben al plaatsgevonden, zoals van kolen naar chemie, naar fijn chemie. Nu zijn we een Life Sciences and Materials Sciences Company. Dat is eigenlijk een verzamelnaam voor een heleboel technologieën die zijn geïnspireerd op de natuur. Je kijkt of wat daar gebeurt op kleine schaal ook te gebruiken is in het productieproces in een fabriek.’ Jatten van de natuur, vat de verslaggever hardop samen. Al is Mosmuller het met die samenvatting wel eens, zelf kiest hij voor andere bewoordingen. ‘Slim kijken hoe de natuur het doet, en dat kopiëren. Om zo chemische processen te ontwikkelen waarbij niet alleen minder chemicaliën en giftige materialen nodig zijn, maar die ook minder uitstoot opleveren.’

Mosmuller is nog maar net begonnen aan zijn toelichting of zijn telefoon gaat. Die wordt onmiddellijk in de trilstand gezet, zal de hele ochtend blijven afgaan, maar zolang de VPRO er is worden alle oproepen genegeerd. Zoveel telefoontjes geven te denken. Is er een public affair die de verslaggever tijdens zijn research over het hoofd heeft gezien?

Niet onuitputtelijk

Veiligheidsvoorschriften: 'Werkvergunningen zijn niet meer geldig na ontruiming van deze zone'.

Het terugdringen van giftige uitstoot is een belangrijke reden om over te gaan op een biobased economy, maar de belangrijkste is natuurlijk het besef dat fossiele grondstoffen niet onuitputtelijk zijn. Olie raakt op.

Mosmuller: ‘Klopt, en er zijn al allerlei alternatieven voor energie zoals wind, zon of waterstof. Daarmee kun je wel dingen laten voortbewegen, maar daar zitten geen koolstofmoleculen moleculen van olie, want daarmee kun je bouwen. Van alleen zonne-energie kun je niets maken, dat is niet meer dan straling. Pas in planten wordt die omgezet in koolstofmoleculen. En daarom zijn de planten en de verwerking daarvan, dat noemen we de biobased economy, een essentiële stap in de transitie naar het vervangen van fossiele brandstoffen. Olie tenslotte, is ook ontstaan uit planten. Alleen heeft dat proces miljoenen jaren geduurd.’

En die tijd ontbreekt nu, er is haast geboden. Niet alleen omdat ons consumptiepatroon blijft groeien, ook omdat de omvang van de wereldbevolking nog met miljarden toeneemt. Omdat olie de facto uit planten bestaat is er een alternatief in de maak. Mosmuller: ‘Olie is nodig voor heel veel producten. Groene grondstof kunnen we prima als alternatief gebruiken omdat ze dezelfde chemisch eigenschappen bevatten. We weten dat het kan, en zoeken nu uit hoe dat kan.’ En daarin is DSM aardig ver gevorderd.

‘Zonlicht en CO2 kunnen we uit de lucht opvangen. Planten maken daar onder meer suiker van, en dat is een vorm van een basismolecuul die kan worden omgezet in tastbare dingen. Dat proberen we nu te doen met biologische processen van enzymen en microorganismen uit de natuur. Dus alles zonder chemicaliën. Zo worden suikers omgezet in een basischemicalie waar bijvoorbeeld synthetische stoffen van gemaakt kunnen worden.’

Na deze theoretische uiteenzetting is het tijd om te gaan kijken hoe deze veelbelovende eerste stappen in de groene transitie er in de praktijk uitzien. Als we naar de plek des heils wandelen neemt Mosmuller van passerend collega’s enkele felicitaties in ontvangst en beantwoordt hij voor het eerst een telefoontje. ‘Begin maar gewoon, ik neem vanmiddag wel een stuk,’ horen we hem zeggen. Dan valt het kwartje bij de verslaggever: het hoofd Public Affairs is vandaag jarig. Vandaar al die telefoontjes. En door de aanwezigheid van de verslaggever moet de jarige verstek laten gaan tijdens het aansnijden van de taart. Mosmuller: ‘Geeft niets, er is genoeg. Heb ik gisteren uit Limburg meegenomen.’ Verslaggever: ‘Vlaai, lekker.’ Mosmuller: ‘Vlaa, zeggen wij.’

Ambachtelijk

Fermentor: Grote ketel met tientallen buisjes, slangetjes en een grote roerder

Na een wandeling waarbij we opvallend veel veiligheidsvoorschriften, rode knoppen, sluisdeuren en brandslangen passeren, komen we bij de fabriek waar het allemaal gebeurt. In de hal moet eerst worden omgekleed. Dat betekent helm, witte jas, veiligheidsbril en werkschoenen. Ondanks alle zorgvuldige procedures is hier ooit toch wat misgegaan, want voor Mosmuller is er geen passend paar. Iemand moet bij DSM dus met twee verschillende maten werkschoenen rondlopen is de conclusie. Met één passende en een knellende schoen opent Mosmuller de deur die toegang geeft tot de belangrijkste ruimte.

Valt dat even tegen. De werkplek van de miljarden organismen die bezig zijn de wereld een duurzame toekomst te geven, bestaat ogenschijnlijk uit niet meer dan een grote ketel met tientallen buisjes, slangetjes en een grote roerder. De verslaggever kan zijn teleurstelling maar nauwelijks verbergen. De ketel blijkt een vat te zijn, en in de scheikunde heet dat een fermentor. Daarin wordt gefermenteerd van jewelste, maar je mag ook gisten zeggen.

Er zijn fermentoren van verschillende formaten. Processen die in reageerbuisjes in het lab succesvol waren, worden hier opgeschaald naar grotere volumes. Met als doel die uiteindelijk op industriële schaal toepassen. Omdat elk volume zijn eigen eisen stelt aan onder meer enzymen, temperatuur en mengwijze kan niets zomaar één op één worden opgeschaald. Dus is het vooral een kwestie van uitproberen en afwachten. Mosmuller erkent dat de veelbelovende groene transitie eerder ambachtelijk dan ultramodern oogt. Dat is volgens hem ook niet zo vreemd. ‘Het is roeren en mengen, net als in de chemische industrie.’

* Ook wel: De Staatsmijnen. In 1902 opgericht als staatsbedrijf voor de exploitatie van kolenmijnen in Limburg.