Het pad van de IJslandse economie

IJsland was bekend om haar geisers, overvloedige aanwezigheid van vis en eigenzinnige muzikanten zoals Björk en Sigur Rós. Sinds 2008 is het (ei)land bekend om iets anders, namelijk haar faillissement als gevolg van de economische en financiële wereldcrisis. Het faillissement is een uitvloeisel van de tevergeefse overname door de IJslandse overheid van de drie grootste banken. Het land heeft nu volgens de Britse Daily Mail ongeveer 38 miljard euro schuld, omgerekend zo een 127 duizend euro per inwoner. Hoe heeft het zover kunnen komen? Om deze vraag te beantwoorden moeten we kijken naar de financiële hervormingen van de jaren ’90 en de gevolgen die deze hebben gehad.

In 1991 kwam in IJsland de conservatieve Onafhankelijkheidspartij aan de macht. Onder leiding van Davíð Oddsson voerde IJsland een vrije-marktbeleid: banken werden geprivatiseerd, de belasting verlaagd, overheidsuitgaven en –tekorten opgeschort, de Centrale Bank werd onafhankelijk en de wisselkoers flexibel. Daarbij werd de bedrijvenbelasting verlaagd van vijftig naar achttien procent. De grote banken – waaronder de voormalige Centrale Bank Landsbanki, waar de beruchte internetspaarrekening IceSave onder viel - werden geprivatiseerd. Oddsson was – met dertien jaar premierschap - de langst zittende premier van IJsland. Na zijn vertrek uit de politiek in 2005 werd hij voorzitter van de raad van bestuur van de IJslandse Centrale Bank. Hiermee werd hij de toezichthouder van het door hem bekrachtigde vrije-marktbeleid. Andere politieke standpunten van Oddsson waren het steunen van de Amerikaanse invasie van Irak – ondanks de protesten van de bevolking – en het afkeuren van een EU-lidmaatschap.

In 2001 deed Joseph Stiglitz, Nobelprijswinnaar van Economie 2001, in opdracht van de IJslandse Centrale Bank, een case study naar onder andere de risico’s die samengingen met de IJslandse economische en financiële hervormingen. Stiglitz waarschuwde dat een kwetsbare, kleine en open economie zoals die van IJsland wellicht niet bestand was tegen een economische crisis en veel risico liep. In de gepresenteerde paper gaf hij een aantal wettelijke en fiscale maatregelen die IJsland kon uitvoeren. Deze maatregelen zijn echter nooit overgenomen, want het ging uitermate goed met IJsland.

Oddsons maatregelen wierpen hun vruchten af en er leek geen vuiltje aan de lucht te zijn: het BNP was in 10 jaar tijd met 50 procent gestegen en de relatief kleine IJslandse bedrijven groeiden exponentieel snel en namen overzeese – grotere - bedrijven over. In 2006 werd IJsland door de VN benoemd tot het land waar de menselijke ontwikkeling het hoogst was. Dit door middel van de Index van de menselijke ontwikkeling die inzicht geeft en verkregen wordt door het gemiddelde van cijfers voor analfabetisme, armoede, levensverwachting en de hoogte van het bruto nationaal product (BNP) per hoofd van de bevolking. IJsland staat sinds 1995 – met een piek in 2002 - ononderbroken in de top 20 van de Index van economische vrijheid. De laatstgenoemde wordt jaarlijks samengesteld door de Wall Street Journal en de Amerikaanse conservatieve denktank The Heritage foundation. De samenstelling gebeurt aan de hand van een aantal criteria zoals de mate van handel-, bedrijf- en belastingvrijheid, overheidsgrootte en eigendomsrechten. De Amerikaanse libertaire denktank The Cato Institute prees IJsland om haar ‘flat taxes’, privatiseringsmaatregelen en economische vrijheid.

Dit ‘economisch wonder’ was niet alleen te danken aan de economische hervormingen. IJsland was in het bezit van zowel natuurlijke – grote aanwezigheid van geothermische energie en waterkracht waarvan maar zeventien procent werd benut – als menselijke – hoogste geboortecijfer in combinatie met een lage percentage overheidsgeldafhankelijken – kapitaalwaarden. Daarnaast had IJsland hele sterke en stabiele pensioenfondsen waarmee ze investeringen kon doen.

Verder is de IJslandse economie afhankelijk van de rijke visgronden. De strenge IJslandse sectorbewaking leidde tot drie Kabeljauwoorlogen tussen IJsland en het Verenigd Koninkrijk. Het resultaat hiervan was het behouden van de voor IJsland gunstige maritieme grens.

De privatisering van de banken in 2001 gaf de onervaren banken onder andere meer handelingsvrijheid: ze expandeerden door onder andere interbancaire leningen af te sluiten. Deze banken investeerden door middel van geleende investeringen, maar de stelling van enkele economen zoals Jon Danielsson is dat de IJslandse banken wegens hun gebrek aan ervaring niet genoeg veiligheid – zoals het spreiden van risico’s - in hun investeringen hadden gebouwd. De leningen sloten ze af in een andere valuta dan de króna. De waarde van de relatief sterke króna was gekoppeld – volgens het beleid van de Centrale Bank - aan de waarde van de Japanse yen, de Amerikaanse dollar en de euro. Het probleem ontstond op het moment dat de crisis zich aandeed en de króna steeds meer waarde verloor. Het lukte de IJslanders en de IJslandse banken niet meer om de schulden te herfinancieren, aangezien deze in de –steeds relatief duurdere – euro stonden. Inflatie steeg tot wel veertien procent en de IJslandse kroon verloor de helft van haar waarde. Op dit moment is IJsland is het bezit van een 38 miljard euro tellende schuld met geen enkel aflosvooruitzicht.

Op 18 oktober 2009 is IJsland in overeenstemming gekomen met de Britse en Nederlandse regeringen: ze zal de zes miljard dollar (zo'n 3,8 miljard euro), die ze de Britse en Nederlandse spaarders schuldig is, uitkeren. Hierdoor zou IJsland meer financiering van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) krijgen. Deze overeenstemming moet nog wel worden goedgekeurd door het IJslandse parlement. Deze goed- of afkeuring zal vandaag (19 oktober) plaatsvinden. De terugbetaling is impopulair onder de IJslanders die van mening zijn dat zij niet de rekening van de bankiers moeten betalen. Een soortgelijke overeenstemming was maanden daarvoor bereikt, maar toen eiste het IJslandse parlement bepaalde wijzigingen die nu in de recente overeenkomst zijn opgenomen. De belangrijkste aanpassing is de verlening van de terugbetaalperiode en mogelijkheid tot nog verdere verlenging tot 2023.