Blauwe drollen

Rein Gerritsen ,

Voorpublicatie van Gerritsen's nieuwe boek: Code Willem Rood

Voorpublicatie uit ‘BLAUWE DROLLEN’, hoofdstuk 1 van Code Willem Rood, het nieuwe boek van Rein Gerritsen. Het boek zal uitkomen bij uitgeverij Lemniscaat. De term ‘blauwe drollen’ verwijst naar de bijnaam van gedetineerden in de Bijzondere Strafgevangenis De Blokhuispoort Leeuwarden.

‘Over de effecten van de gevangenisstraf weten we goed beschouwd nog steeds niet veel. Veel uitgesproken resultaten van empirisch onderzoek zijn er niet. Nu kunt u natuurlijk tegenwerpen dat de common sense meer dan genoeg is in deze. Maar die vlieger laat u in allerlei andere situaties, waarin sprake is van interventies in uw eigen leven, ook niet opgaan. Dan wilt u ook niet dat er geoordeeld en gehandeld wordt op basis van gevoelens en wat onze taalburen zo mooi Alltagswissen noemen.’ Aldus de redacteuren van het tijdschrift voor justitie Rechtstreeks (2009).

Die mensen hebben gelijk. Wat de gevolgen zijn van een langdurige gevangenisstraf en hoe het leven van een gevangene in Nederland eruit ziet, zijn tot nu toe grote onbekenden in het wetenschappelijk detentieonderzoek. Als ik mijn abstracte hoed op heb, dan zou ik galmend stellen dat een verblijf in de gevangenis, meer in het bijzonder in de isoleercel, ‘een zeer ingrijpende interventie in het leven van een gedetineerde’ is. In een meer persoonlijk relaas zou ik poëzie citeren:

And the sunlight clasps the earth,
And the moonbeams kiss the sea,
What are all these kissings worth,
If thou kiss not me?

Stonden de daguren in isolatie in het teken van verveling, een vervelende scher-mutseling in de achterhoede, het echte frontgevecht begon ’s nachts. In de nachtelijke uren brak de worsteling met de bajesmafheid uit. Alle romantische ideeën over een verblijf in de gevangenis verdwijnen dan terstond. Shelley’s zoetgevooisde dichtregels uit Love’s Philosophy hebben dan geen bestaansrecht meer.

Het ergste van een verblijf in een isoleercel, in mijn ervaring, bestaat er niet in dat de gevangene verstoken is van alles waar het dagelijkse normale mensenleven om draait: boeken, kranten, televisie, radio, het nieuws, werk, praten met andere mensen, bezoekjes, gezamenlijk eten, de vriendin die morgen langskomt, wandelen, vrij kunnen ademhalen, brieven schrijven en ontvangen, telefoneren, en wat dies meer zij. Dat is er allemaal niet en dat is niet zo erg. Ik kan het prima een tijdje stellen zonder treurbuis, het gelul van de meeste mensen hangt me binnen de kortste keren sowieso de keel uit, mijn vriendin zou ik onder die omstandigheden ook niet willen zien (de stank van je eigen lichaam in zo’n klein bedompt hok is té erg). Ik miste alleen het nieuws. Zo’n gemis is nauwelijks een halszaak te noemen. De nachten in een isoleercel wel: ze zetten aan tot zelfmoord, ze maken de gevangenen bajesmaf of leiden tot verregaande afstomping – letterlijke halszaken.

In de nacht verlies je de controle over je eigen gedachten. Bij mij begon het, na de relatief rustige eerste twee dagen waarin alles nog nieuw is en om onderzoek vraagt, met het groeiend besef dat, zodra de lichten uit waren, er niemand op een noodoproep zou reageren. Had ik aanvankelijk nog mijn hoop gesteld in de medemenselijkheid van de bewaarders, dan werd dat snel gelogenstraft. Ik zou op de noodknop kunnen blijven drukken, maar er zou niemand komen. Mijn hart zou, na alle ontberingen van het afgelopen jaar, kunnen zeggen: ‘jongen, genoeg geweest’, en ik zou, angstig geworden, op de alarmknop drukken, maar er zou niemand komen. Ze zouden me pas de volgende ochtend dood in de cel aantreffen. Ik zou bij lange na niet de eerste zijn noch de laatste. ‘Mijn leven is voor die mensen hier niets waard,’ drong het tot me door. ‘De mensen die om mij geven zullen nooit te weten komen onder welke omstandigheden ik stierf.’ Die gedachte zette zich vast in mijn denken. Op mijn overlijdensattest zou komen te staan : ‘natuurlijke dood.’ Maar aan mijn dood was niets natuurlijks. Ik stierf omdat mijn leven voor een ander niets te betekenen had. Is dat natuurlijk? Na bijna drie maanden in de isolatie te hebben gezeten, leefde ik nog maar half. Geruime tijd geleden, zo herinner ik me, had de paranoia toegeslagen: ik wist het zeker, mijn eten werd vergiftigd.

De meeste mensen die in Nederlandse gevangenschap sterven – de vreemdelingen, de langgestraften, de zwangere vrouw (met kopvod) die de pech had dat haar huid een ander kleurtje had dan die van Geert Wilders (haar ongeboren kind stierf met haar), de ‘dronken’ arrestanten, de Hans Koks – stierven allemaal in dit soort omstandigheden, en er is niemand die dit ooit zal weten. Er is niemand die het een bal interesseert, want ‘Nederlandse gevangenissen zijn net hotels’.

Nieuwelingen zijn niet bestand tegen de toenemende psychische druk van zo’n zelfgeïnduceerd gedachtetreintje. Ik hoorde ze in de cellen naast en tegenover mij gillen, op de deur bonken, huilen, razen en tieren. Urenlang. Totdat het stil werd. Ik had dat zelf ook gedaan. Ze als ‘oude rot’ bemoedigend, vermanend of troostend toespreken, lukte niet, want je stemgeluid kwam niet over hun geschreeuw heen. En als ik de volumeknop van mijn stem zou opendraaien met een ‘HE JOH’ en me wel verstaanbaar zou kunnen maken, zouden ze kunnen gaan denken: ‘hem interesseert het ook niet wat er met mij gebeurt.’

Begrijp me goed. Het is niet de angst voor een eenzame dood dat een verblijf in de isoleercel zo erg maakt, nee, het is de angst die hand in hand gaat met de realisering dat jouw leven voor een ander niets waard is, ja, zelfs niet de kleine moeite die het zou kosten om te kijken wat er nu aan de hand is als het alarmsignaal weerklinkt, en het daaropvolgende besef dat er over jouw dood door justitie knetterharde leugens worden verteld: de tenuitvoerlegging van de Nederlandse gevangenisstraf is humaan.

 

Voorpublicatie uit: ‘BLAUWE DROLLEN’, hoofdstuk 1 van Code Willem Rood, het nieuwe boek van Rein Gerritsen (uitgeverij Lemniscaat).