In gesprek met Confucius

J.A. Koster ,

“Wanneer de verhevenen aan de riten zijn toegewijd, zal het volk gehoorzaam dienen” (Gesprekken, 14:44).

Tweeduizend jaar lang was het confucianisme de officiële staatsreligie van China. Het bracht eenduidig overheidsbeleid in een staat die verdeeld werd door feodale strubbelingen en burgeroorlog.

Confucius (551 v.Chr. - 479 v.Chr.) werd geboren in een familie van grootgrondbezitters, maar door de anarchistische ontwikkelingen binnen de Chinese maatschappij raakten zij alles kwijt. Confucius voorzag in zijn levensbehoefte door les te geven. Hij was zo succesvol dat hij na enige tijd een hele schare volgelingen had. Hiermee trok hij van provincie naar provincie om zijn leer te verkondigen. Hij werd veelal met open armen ontvangen, maar er werd niet altijd goed naar hem geluisterd.

Na zijn dood werden veel van zijn doctrines geïnterpreteerd en geformaliseerd door zijn leerlingen. Zij tekenden bijvoorbeeld De Gesprekken op: een serie van korte uitspraken die Confucius tijdens zijn leven had gedaan.

"Li" - riten

Confucius gaf met zijn denken inhoud aan de gebruiken en ceremonieën die reeds voor zijn tijd een belangrijke plaats in de Chinese maatschappij innamen. Het probleem was dat deze riten steeds meer als uiterlijk vertoon werden gezien zonder wezenlijke betekenis. De kracht van Confucius’ denken lag dus in het feit dat hij voortbouwde op bestaande principes maar deze terugbracht naar de innerlijke belevingswereld van de mensen.

In het confucianistische denken worden riten (li) veel breder geïnterpreteerd dan wij in het Westen gewend zijn. Het duidt eerder het handelen in het algemeen dan een specifieke handeling die slechts betekenis heeft binnen een bepaalde context. Het doel binnen het confucianisme is dus om te leven volgens de li, oftewel om juist te handelen. En om juist te handelen moet men zich zoveel mogelijk ontwikkelen, zowel op sociaal als intellectueel niveau. In dit opzicht is er een duidelijke parallel met Plato (ca. 427 v.Chr. - 347 v.Chr.), die stelde dat onrechtvaardigheid voortkwam uit onwetendheid. Zo zegt Confucius:

From the king down to the common people, all must regard the cultivation of the self as the most essential thing” (uit De grote leer [“Daxue”]).

Zelfontwikkeling

Confucius brengt de li (het handelen) onder in een breder waardensysteem, waarin de medemenselijkheid (ren) centraal staat. Hierbij gaat het erom op harmonieuze wijze samen te leven. Het individu maakt deel uit van een groter geheel: de samenleving. Deze kan slechts gezond zijn als het individu de juiste maatschappelijke rol vervult. Maar het individu kan slechts de juiste maatschappelijke rol vervullen als hij in harmonie is met zichzelf, vanwaar het imperatief zich zoveel mogelijk te ontwikkelen, want:

The ancients who wanted to manifest their bright virtue to all in the world first governed well their own states.

“Wanting to govern well their states, they first harmonized their own clans.

“Wanting to harmonize their own clan, they first cultivated themselves.

“Wanting to cultivate themselves, they first corrected their minds.

“Wanting to correct their minds, they first made their wills sincere.

“Wanting to make their wills sincere, they first extended their knowledge” (uit De grote leer [“Daxue”]).

Aantrekkelijk voor keizers

Oftewel: een betere, gezondere, stabielere samenleving begint bij jezelf. Het moge duidelijk zijn dat staatshoofden zich tot een dergelijke filosofie voelen aangetrokken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat keizer Han Wudi (156 v.Chr. - 97 v.Chr.) het confucianisme boven het taoïsme verkoos, aangezien de laatste een zekere subversieve houding ten opzichte van externe autoriteit in zich draagt.

Tijdens de Han-dynastie (206 v.Chr. - 220 na Chr.) werden functionarissen verplicht om confuciaanse teksten te lezen. Later, onder het bewind van de Yuan keizers (1279 - 1368), vormden deze teksten zelfs de basis van het ambtenarenexamen. Alleen wie over voldoende kennis van het confucianisme beschikte, kon een staatsambt met succes vervullen, zo werd er gesteld. Dit had wel tot gevolg dat het confucianisme een conservatieve richting insloeg. Het werd door overheden gezien als een middel om de orde te bewaren en de bestaande klassenmaatschappij te rechtvaardigen.

Verboden in 1949

Met het ontstaan van de Chinese republiek in 1911 verdween ook de keizerlijke religie naar de achtergrond. In 1949, toen de communistische volksrepubliek werd uitgeroepen, werd het confucianisme zelfs verboden.

Maar er is een omslag aan het plaatsvinden. In december 2010 werd een acht meter hoog standbeeld van Confucius onthuld op het Plein van de Hemelse Vrede. De huidige regering lijkt het belang van het confucianisme te erkennen, zoals keizer Han Wudi dat ooit deed.