De tastbare energie van Congo Town

Pieter van der Houwen ,

Reportage van regisseur Pieter van der Houwen over Congo Town uit MO* magazine, een tijdschrift over de mondialiserende wereld.

GUANGZHOU , 30 januari 2013 ( MO* ) — De verhouding tussen China en Afrika wordt meestal beschreven in koloniale termen zoals grondstoffenroof. De realiteit is een stuk zonniger en genuanceerder. Dat merk je als je de Zuid-Chinese miljoenenstad Guangzhou bezoekt, waar zo’n honderdduizend Afrikanen wonen en handel drijven.

Langs de tien-rijstroken-snelweg tussen de luchthaven en het centrum van Guangzhou (vroeger Canton) zie je rij na rij identieke woontorens voorbijschuiven, gevolgd door rijen glanzende kantoortorens. Dan splitst de snelweg in een complex web van afritten en viaducten, soms drie lagen boven de begane grond, waar je nog net glimpen van dagelijks leven waarneemt, met straatverkopers die hun waren aanprijzen onder het harde rode neonlicht van de alomtegenwoordige reclameborden.

Ik verblijf in het New Don Franc Hotel, waar verder alle 250 kamers bezet worden door Afrikanen. Van op mijn kamer op de zevende verdieping zie ik vijf meter voor mijn venster een eindeloos lint vrachtwagens met containers voorbijrijden. De volle containers die zuidwaarts rijden maken een gedempt geluid, in noordwaartse richting rammelen ze leeg voorbij.

De ruime lobby van het hotel doet ook dienst als de ingang van een commercieel centrum, waarin een breed gamma consumptiegoederen onder groen neonlicht is uitgestald: hightech computers, software, kleren, schoenen, gereedschap, juwelen, moto’s, quads en zelfs kleine tractoren.

Het raspende geluid van brede plakband, waarmee een onophoudelijke stroom dozen verzegeld wordt, weerklinkt dag en nacht door de hotelgangen. Zo klinkt de mondialisering, begeleid door het krassen van zwarte viltstiften die in grote letters de bestemmeling en de bestemming aangeven: Lagos, Kinshasa, Bamako, Dakar, Dar es Salaam…

Great wall cabinet sauvignon

Guangzhou heeft twee Afrikaanse buurten. Het Tong Tong district –zes grote shoppingcentra langs een achtbaanssnelweg– wordt gedomineerd door Nigerianen. In het Xiaobei district –vaak ook Africa Town genoemd– zijn de Congolezen thuis. In de kleine bars en restaurants, in de smalle straatjes en bij de ambulante handel wordt Frans gesproken. Dat trekt ook de migranten en handelaars uit West-Afrika aan.

Een van de populairste plekken in Xiaobei is de JY bar van Dmitri, die acht jaar geleden toekwam uit Kinshasa. Dmitri zelf komt er bijna nooit. ‘Congolezen reizen niet naar China om in een bar te werken’, zegt hij. Het Congolese cliënteel wordt ook liever bediend door Chinees personeel. Een schotel van gegrilde zoetwatervis, in uitzicht en smaak bijna identiek aan de Afrikaanse tilapia, is hier zeer gegeerd. Het gerecht wordt uiteraard doorgespoeld met een glas Tsingtao bier, of een wat duurdere Heineken. Sommige Congolese klanten kiezen voor een Chinese Great Wall Cabinet Sauvignon om hun Chinese tilapia te vergezellen.

Geen afdankertjes

In het Westen leeft de overtuiging China alleen maar goedkope namaak en rommel verhandelt met Afrika. Dat is buiten de groeiende Afrikaanse middenklasse gerekend, die degelijke bouwmaterialen, dakpannen, deuren en vensters, volledig uitgeruste inbouwkeukens en airconditioningtoestellen wenst. Mijn hotel heeft al die koopwaar in overvloed. De producten zijn ontwikkeld voor of aangepast aan Afrikaanse behoeften, maar het zijn geen afdankertjes.

In totaal wordt de dagelijkse omzet tussen Afrikaanse en Chinese handelaars in Guangzhou geschat op 15 tot 22 miljoen euro. Dat indrukwekkende getal wordt tastbaar wanneer ik het hotel buitenstap en me in de smalle straatjes van Xiaobei begeef. Hier voel je de geopolitieke verschuiving aan den lijve, het wordt een persoonlijke ervaring dat het Westen naar de marge van het wereldgebeuren geduwd wordt. De energieke interactie tussen Afrikanen en Chinezen is overrompelend voor buitenstaanders. 

Chinees racisme

De Congolezen die ik in Guangzhou ontmoet, vertellen over het gevoel van vrijheid dat de miljoenenstad hen geeft, de opluchting die hoort bij het ontsnappen aan de –vaak versmachtende– verantwoordelijkheden tegenover de grootfamilie thuis. Hier worden ze individuen die hun persoonlijke potentieel aftasten. Om het familiale schuldgevoel af te kopen, sturen ze remittances naar huis.

Het Chinese racisme is onverbloemd en recht voor de raap. Toch verkiezen veel Afrikanen dit boven het subtiele en onrechtstreekse racimse dat ze in Europa ervaren, waar het nooit helemaal duidelijk is of je met racistische tegenspelers te maken hebt of niet. Volgens de Afrikanen in Xiaobei is het hier meer zwart-wit: Chinezen zijn racisten, of ze zijn het niet. De intense handelscontacten laten volgens hen gewoon geen ruimte voor etnische spanningen.

De Afrikanen voelen zich in Guangzhou ook mondiale spelers, die de kans krijgen mensen van over heel Afrika te ontmoeten. Ik bracht een aangename avond door in gezelschap van Jules uit Kinshasa en William uit Dar es Salaam. Beiden merkten op dat ze elkaar nooit ontmoet zouden hebben in Afrika, en dus ook nooit zakenpartners geworden zouden zijn. Wat hen verbindt, is het simpele feit dat ze beiden zwart zijn in China. 

Haalbare toekomst

Mijn laatste avond in Guangzhou is voorbehouden voor een diner met Thomas Kyeba, die net is aangekomen vanuit Oeganda. Zijn opdracht: modern uitgeruste keukens kopen voor de middenklasse in Kampala. Hij hoopt genoeg materiaal in te slaan om twee containers te vullen.

Na het avondeten kijken we door de glazen wand naar het futuristische stedelijke landschap. De vervlochten en verwarde wegen lijken een eindeloze stroom verkeer te verslinden. Een overweldigend, bijna apocalyptisch beeld. Ook Thomas is behoorlijk onder de indruk. Maar hij vind er niets apocalyptisch aan. ‘Wanneer gaan we in Kampala zo’n prachtige wegen en gebouwen hebben?’ Voor Thomas is het futuristische Guangzhou de horizon waarnaar hij op weg wil zijn. Dat hoorde ik ook van de Congolezen van Xiaobei: ze vinden Guangzhou inspirerend en zijn onder de indruk van de snelle vermindering van de armoede in China.

Mambeka Yan Leger uit Congo-Brazzaville vat het goed samen: ‘Ik vond Parijs intimiderend, omdat ik wist dat zelfs Kinshasa zich nooit zou kunnen meten met een stad die zo gedrenkt is in geschiedenis.’ Voor hem, en voor de vele Afrikanen hier, biedt Guangzhou het perspectief van een betere –en wie weet zelfs haalbare– toekomst. 

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Het artikel verscheen in het eerste nummer van 2013 van MO* magazine.