Srebrenica en de tanks van de Denen (1)

VN-top was op de hoogte van naderende aanval

Srebrenica en de tanks van de Denen (1)

VN-top was op de hoogte van naderende aanval

De VN-top was op de hoogte van een naderende aanval op de enclave Srebrenica; die informatie wordt in Argos bevestigd door generaal buiten dienst Manfred Eisele. Eisele was in 1995 Assistant Secretary General en als zodanig de rechterhand van Kofi Annan, toen nog als hoofd van de DKPO belast met vredesoperaties.

De informatie werd op het DPKO dermate serieus genomen dat men een voorstel ontwikkelde om de lichtbewapende Nederlandse militairen van Dutchbat te vervangen door het rond Tuzla gelegerde Scandinavische VN-bataljon Nordbat, dat de beschikking had over een Deens tanksquadron. Eisele heeft persoonlijk over dit voorstel overleg gepleegd met de VN-ambassadeurs van Engeland en Frankrijk. Het voorstel is in een vroeg stadium gesneuveld bij gebrek aan steun onder de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad.

De uitspraken van Eisele staan haaks op het beeld dat tot nog toe door de VN wordt geschetst. Zo schrijft Kofi Annan in zijn evaluatierapport over de val van de enclave, (‘The fall of Srebrenica’, 15-11.1999, p. 108) “Ik kan bevestigen dat de VN die voor zulke inlichtingen af moest gaan op informatie van de lidstaten van te voren geen weet had van het Servische offensief.”

Eisele zegt in Argos:“De Britse VN-commandant heeft ons regelmatig gemeld dat de Serviërs voorbereidingen troffen voor een mogelijke aanval op de safe area’s. Wij kregen in New York regelmatig rapporten over de situatie ter plaatse die duidelijk lieten zien dat de Bosnische Serviërs de safe area’s mogelijk wilden aanvallen.”

Eisele bevestigt hiermee de informatie die Argos kreeg van een anonieme bron binnen het Department of Peace Keeping Operations. Die vertelde dat men daar al in maart 1995 - o.a. aan de hand van Amerikaanse satellietfoto’s - beschikte over aanwijzingen dat de Serviërs voorbereidingen troffen voor een grote aanval op Srebrenica. Ook kreeg men meldingen van onder meer UNMO’s – United Nations Military Observers – over voorbereidingen bij Bratunac ten noorden van de enclave; bunkers die werden aangelegd; doorgangen die in het bos werden gemaakt voor tanks en troepenversterkingen.

Volgens Eisele namen militairen binnen het DKPO deze informatie serieus maar was er vooral bij de niet-militaire functionarissen binnen de VN de neiging om de kop in het zand te steken. Eisele: “Het idee dat het in Bosnië zou kunnen komen tot een gewapend treffen tussen VN-militairen en een van de partijen in het conflict, werd systematisch verzwegen of terzijde geschoven.”

Vanwege die benarde situatie waarin de enclave Srebrenica zich bevond ontstond er, volgens de anonieme bron, binnen het DPKO het voorstel het lichtbewapende Dutchbat in Srebrenica te vervangen door het rond Tuzla gelegerde Scandinavische VN-bataljon Nordbat dat de beschikking had over een Deens tanksquadron. Nordbat was het zwaarst bewapende VN-onderdeel waarover de VN in Bosnië beschikte.
De Denen waren in april 1994 daadwerkelijk met hun tanks opgetreden tegen de Serviërs en dat had ontzag afgedwongen en effect gehad:

Eisele: “We konden zien dat alle konvooien met humanitaire hulpgoederen, die door de Dénen werden begeleid, hun bestemmingen bereikten. De Denen lieten bij zo’n konvooi voorop een tank rijden en als laatste voertuig ook een tank. Deze konvooien kwamen op hun bestemming aan en realiseerden dus de doelstelling van de VN-missie. Dat kon je waarachtig niet zeggen van de andere hulpkonvooien. Die werden meestal onderweg tegengehouden. En dan moest een belangrijk deel van de hulpgoederen worden afgestaan aan de Bosnische Serviërs.”

Vanwege dat ontzag voor het robuuste optreden van Nordbat kwam men op het idee om dat bataljon, inclusief de tanks, naar Srebrenica te verplaatsen. Eisele: “Op z’n laatst sinds het voorjaar van 1995 is het idee opgekomen – vooral bij de militairen op het VN-hoofdkwartier – om deze Deense tanks naar Srebrenica te sturen, om de VN-militairen daar in staat te stellen met succes op te treden tegen vijandelijkheden.”

Het voorstel haalde het niet en bracht het ook niet tot de status van een formeel plan. Het sneuvelde al eerder, bij de consultatie van de permanente leden van Veiligheidsraad.
Eisele vertelde Argos dat hij zelf over het voorstel overleg heeft gepleegd met de VN-ambassadeurs van Engeland en Frankrijk.
Op de vraag ‘stel dat die Deense tanks in april 1995 wel naar Srebrenica zouden zijn gegaan, zou dat iets hebben uitgemaakt’ antwoordt Eisele in Argos:

Eisele: “Uiteraard. In dat geval zou het bloedbad niet hebben plaatsgevonden. Ik durf te stellen: in dat geval zouden de Serviërs het niet hebben aangedurfd om aan te vallen. Als zij geweten hadden dat zij op zware wapens zouden stuiten, en dat deze wapens dan ook nog bemand zouden worden door militairen die al eerder hadden bewezen dat ze deze wapens indien nodig ook gebruikten, dan zou het bloedbad van Srebrenica niet hebben plaatsgevonden. Als je een aanvallende partij van begin af aan vastberaden en krachtdadig tegemoet treedt, kan je waarschijnlijk een voortzetting van de aanval voorkomen.”

Op de vraag of het praktisch wel mogelijk zou zijn geweest om de Deense tanks te verplaatsen naar de enclave Srebrenica zegt Eisele: “Die zouden doorgereden zijn. En die zouden er ongehinderd doorgekomen zijn.”