Argos

IRT-affaire

Argos

IRT-affaire

Voormalig PvdA-fractievoorzitter Thijs Woltgens voelt zich misleid door de manier waarop hij vorig jaar inzage heeft gekregen in het geheime deel van het rapport van de commissie Wierenga. De Tweede Kamer moest vorig jaar een oordeel vellen over de IRT-affaire op grond van het openbare gedeelte van het rapport Wierenga. Hierin stond dat de omstreden IRT-opsporingsmethode wel door de beugel kon. Hoe het allemaal precies gegaan is toe, hoort u nu in Argos.

--------
Persbericht

Thijs Wöltgens: fractievoorzitters misleid met geheime deel rapport-Wierenga
en:
Brinkman negeerde waarschuwing voor IRT-affaire

Voormalig PvdA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer Thijs Wöltgens voelt zich misleid door de manier waarop hij vorig jaar inzage heeft gekregen in het geheime deel van het rapport van de commissie-Wierenga. Dat zegt Wöltgens in Argos.
De Tweede Kamer moest vorig jaar een oordeel vellen over de IRT-affaire op grond van het openbare gedeelte van het rapport-Wierenga. Daarin stond dat de omstreden IRT-opsporingsmethode wel door de beugel kon. Slechts de fractievoorzitters van de vier grote partijen kregen inzage in de geheime bijlage.

Die inzage gebeurde in het kader van de vertrouwelijke 'BVD-commissie' van de Tweede Kamer (commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten), ook al was de IRT-zaak geen BVD-aangelegenheid. Alleen de fractievoorzitters van de vier grootste partijen zijn lid van die commissie. Het gevolg van deze procedure was dat de vier fractieleiders niets konden doen met de informatie die zij in de geheime bijlage te zien kregen. Want alles in het kader van de BVD-commissie moet geheim blijven.
Wöltgens en zijn collega's kwamen daarmee in een merkwaardige positie terecht. Want de informatie in de geheime bijlage wierp een ander licht op de oorzaak van de IRT-affaire. Dat werd voor de buitenwacht overigens vorige week pas duidelijk, uit het verhoor van Wierenga door de enquêtecommissie. Toen bleek dat de commissie-Wierenga in de geheime bijlage wel degelijk vraagtekens had gezet bij de toelaatbaarheid van de IRT-methode.
Wöltgens wist dat dus vorig jaar al, maar kon dat vanwege de geheimhoudingsplicht niet inbrengen in het debat. De oud-PvdA-fractieleider vertelt in Argos dat hij zich klem gezet voelde: "Ik ben in een vreemde positie gemanoeuvreerd. Ik denk dat iedereen die nog eens een keer in zo'n positie komt te verkeren - dat hij met vertrouwelijke stukken wordt geconfronteerd en vervolgens met openbare debatten waar de kennis uit die vertrouwelijke stukken toch niet gebruikt kan worden - dat hij heel erg goed moet nadenken over de voorwaarden waaronder hij zulke vertrouwelijke gegevens accepteert."
Voor Wöltgens en de PvdA was de gang van zaken des te pijnlijker, omdat de conclusies uit het openbare gedeelte van het rapport-Wierenga uiteindelijk resulteerden in het aftreden van partijgenoot Van Thijn als minister van Binnenlandse Zaken. Wöltgens beaamt in Argos dat het een 'gemene truc' is geweest om de geheime bijlage in het kader van de BVD-commissie ter inzage te geven: "Ik herinner mij nog levendig dat ik daar toen formeel nog tegen geprotesteerd heb: hier worden wij voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze commissie eigenlijk is ontstaan. Daar moet in de Kamer goed over worden nagedacht, hoe daar een oplossing voor kan worden gevonden."
Wöltgens vraagt zich ook af of het wel zo nodig was dat de informatie die hij in de geheime bijlage te zien kreeg, allemaal geheim moest blijven. Wöltgens: "Als ik nu zie wat er via de parlementaire enquête boven tafel komt, dat is heel wat meer dan wat je uit die vertrouwelijke bijlage allemaal kunt opmaken."

Argos bericht ook dat oud-CDA-Tweede Kamerlid G. Koffeman in een vroegtijdig stadium zijn fractieleider Brinkman heeft ingelicht over de ernst van de IRT-zaak. Brinkman deed er volgens Koffeman niets mee.
Koffeman, oud-voorzitter van de Algemeen Christelijke Politiebond, had de verontrustende informatie gekregen uit politiekringen. Direct na de ontbinding van het IRT begin december 1993 en nog ver voordat de IRT-affaire door onthullingen in de pers in volle hevigheid losbarstte, lichtte hij Brinkman in. Koffeman vertelde zijn fractieleider "dat het ernstig mis was met het IRT, en dat het uit de hand ging lopen. Je gaat niet zomaar naar je fractievoorzitter. Een van de elementen van mijn informatie was: we moeten uitkijken, straks komt onze eigen minister Hirsch Ballin nog in de gevarenzone. Dingen dus, die achteraf heel vitaal zijn geweest. Maar er werd niet naar geluisterd is."
Sterker nog, vertelt Koffeman, hij kreeg het gevoel dat hij er binnen zijn eigen CDA-fractie op aangekeken werd. Hij mocht ook niet meer namens de CDA-fractie het woord voeren over dit thema.
Koffeman: "Van Brinkman kreeg ik eigenlijk geen enkele reactie. Alleen: je moet geen spoken oproepen."
Voormalig CDA-fractievoorzitter Brinkman wil in Argos geen enkel commentaar geven.

-------

Inleidende teksten:

Tekst 1
Boeven vangen. Dat was het parool aan het begin van de jaren negentig. U hoorde een aantal politici en topmensen van het Openbaar Ministerie uit die periode. De roep om een keiharde aanpak van de georganiseerde criminaliteit deed het goed in politiek Den Haag. Nu, nog geen vijf jaar later, is de stemming omgeslagen. De parlementaire enquête 'opsporingsmethoden' legt stukje bij beetje de missstanden bij politie en justitie bloot. Met het opstappen van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck viel afgelopen woensdag het eerste slachtoffer van de IRT-enquête. Tot nu toe liggen vooral politie en justitie onder vuur. Maar de Haagse hoofdcommissaris Brand kaatste deze week voor de enquêtecommissie de bal terug: waarom blijft de politiek zelf steeds buiten schot?

Tekst 2
Hoofdcommissaris Brand. Hij wees als eerste op de verantwoordelijkheid van Kamerleden en ministers voor de huidige malaise bij politie en justitie.
Argos gaat vandaag over politici die de politie vroegen om een oorlog tegen de georganiseerde misdaad te voeren, maar die nalieten diezelfde politie onder controle te houden.
Verschillende verantwoordelijke politici moeten de komende weken voor de enquêtecommissie verschijnen, onder wie de huidige Justitieminister Sorgdrager en haar voorganger Hirsch Ballin.
Hirsch Ballin. Als geen ander zette hij de toon in de afgelopen jaren. Hij ontpopte zich als een ware kruisridder tegen het kwaad dat onze samenleving bedreigt. De parlementaire enquêtecommissie heeft nu vastgesteld dat het allemaal wel meevalt met die georganiseerde misdaad in Nederland. Maar Hirsch Ballin deed dat soort geluiden af als soft gepraat.

Tekst 3
Voormalig CDA-minister van Justitie Hirsch Ballin in het voorjaar van 1994 op een congres over de zogenaamde kroongetuige. De kroongetuige, een van die onconventionele opsporingsmethoden waarmee Hirsch Ballin de zware misdaad te lijf wilde gaan. De bedreigde, zelf uit de criminele wereld afkomstige getuige, die in ruil voor politiebescherming zijn maten wil verlinken aan de politie. Volgens Hirsch Ballin was die kroongetuige-regeling onmisbaar, gezien de enorme toename van het aantal misdaadorganisaties. Maar waarom wordt er juist met die aantallen zo gegoocheld, vroegen wij indertijd aan de minister. Eerst waren het er wel vijfhonderd, toen 98 en dan weer slechts enige tientallen?

Tekst 4
Deze week viel - weliswaar met een fikse financiële genoegdoening - het eerste slachtoffer van de parlementaire enquête: de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Ironisch genoeg was hij een van weinige topmensen bij het Openbaar Ministerie die de afgelopen jaren niet zondermeer mee ging in de bijna-hysterie over de georganiseerde criminaliteit.
Luistert U naar een interview dat wij in mei 1993 met Van Randwijck hadden.

Tekst 5
Van Randwijck moest niets hebben van vergaande samenwerking door de politie met informanten uit het criminele milieu. Deals met criminelen waren voor hem uit den boze.

Tekst 6
Ook met infiltratie had procureur-generaal Van Randwijck niet veel op. Zelfs als het ging om politiemensen die als infiltrant optraden.

Tekst 7
Infiltratie die zijn langste tijd heeft gehad. Profetische woorden in 1993 waren het bepaald niet van procureur-generaal Van Randwijck. Want terwijl hij dit zei, ontspon zich achter zijn rug in zijn eigen ressort Amsterdam de zogenaamde IRT-methode, de vergaande samenwerking tussen de politie en een infiltrant uit het criminele milieu. Een crimineel, die met toestemming en hulp van de het IRT een drugslijn mocht opzetten om zo in een criminele organisatie te kunnen doordringen. Van Randwijck wist daar niets van en toen hij er eind 1993 wel achter kwam stelde hij geen orde op zaken. Hij raakte steeds meer de greep op het justitie- en politieapparaat dat onder zijn verantwoordelijkheid viel, kwijt. Dat bleek vorige week op pijnlijke wijze tijdens zijn verhoor door de enquêtecommissie, waarbij de diepe kloof tussen Van Randwijck en de Amsterdamse korpschef Nordholt breed werd uitgemeten. Toch was begin 1993 uitgerekend Van Randwijck de samensteller van het rapport 'OM om' die een vergaande reorganisatie van het Openbaar Ministerie inluidde. In het rapport constateerde de procureur-generaal dat de gezagsrelatie tussen OM en politie totaal was verziekt. De politie was te zelfstandig geworden.
Van Randwijck in 1993 daarover.

Tekst 8
Maar het was al te laat. Ondanks alle goede voornemens zou Van Randwijck geen greep meer krijgen op de politie.
Terwijl Van Randwijck in 1993 zijn verontrusting over de te zelfstandig opererende politie op papier zette, bleef Justitieminister Hirsch Ballin de politie voeden met nieuwe en ruimere bevoegdheden in de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Tekst 9
Hirsch Ballin voorjaar 1994, op congres over kroongetuigen. Hij verwachtte veel van de samenwerking tussen politie en criminele informanten. Indien nodig wilde hij die informanten de beschermde positie van kroongetuige geven.

Tekst live

Tekst 10
U luistert naar Radio 1, Vpro Vrijdag, het programma Argos.
Argos gaat vandaag over de rol van de politiek in de malaise bij politie en justitie. Hadden politici niet eerder moeten ingrijpen?
Begin december 1993 werd het IRT plotseling ontbonden door de Amsterdamse politie- en justitieleiding. In de politiewereld veroorzaakte dat een schok. Maar in de politiek hadden op dat moment maar weinigen in de gaten dat de ontbinding van het IRT zou uitgroeien tot een affaire van ongekende omvang. Toch werden sommige Tweede Kamerleden al onmiddellijk na de opheffing van het politieteam gewaarschuwd, zo vertelt voorzitter Kruizinga van de Algemeen Christelijke Politiebond.

Tekst 11
Voormalig CDA-Kamerlid Koffeman bevestigt in een telefoongesprek het verhaal van Kruizinga. Lang voordat de IRT-affaire door publicaties in de pers echt losbarstte, lichtte hij zijn fractieleider Brinkman in dat het heel ernstig mis was met het IRT, en dat het uit de hand ging lopen. Je gaat niet zomaar naar je fractievoorzitter, aldus Koffeman: een van de elementen van mijn informatie was: we moeten uitkijken, straks komt onze eigen minister Hirsch Ballin nog in de gevarenzone. Niemand had dat risico in de gaten. Dat zou toen ook met de minister worden besproken. Dingen dus, die achteraf heel vitaal zijn geweest, zegt Koffeman, maar waar niet naar geluisterd is. Sterker nog: toen later het rapport-Wierenga in de Kamer werd besproken, werd in de fractie kritisch naar mij gekeken. Niet als degene die van tevoren waarschuwde, maar als degene die bij die bron van ellende betrokken is geweest. Koffeman mocht over de IRT-zaak ook niet meer als woordvoerder van de CDA-fractie optreden.
Koffeman kreeg van Brinkman geen reactie. Alleen: je moet geen spoken oproepen.

We bellen met voormalig CDA-fractievoorzitter Brinkman. Waarom heeft hij in dat vroege stadium niets met deze verontrustende informatie over het IRT gedaan? Maar Brinkman wil geen enkel commentaar geven.
Voorzitter Kruizinga van de Christelijke politiebond is er niet verbaasd over dat de parlementsleden niets met de informatie hebben gedaan.

Tekst 12
De IRT-affaire barstte los in januari 1994, na publicaties in de pers over de achtergronden van de ontbinding van het IRT.
Een maand later werd bekend wat de zogenaamde IRT-methode inhield, drugshandel door criminele informanten, met medeweten van de politie; gecontroleerde doorlevering, zoals is gaan hete. Er barstte een discussie los of zoiets wel kon binnen een rechtsstaat. Maar de commissie-Wierenga, die in opdracht van de regering de IRT-affaire onderzocht, oordeelde dat de methode wel degelijk door de beugel kon. Niet de omstreden opsporingsmethode, maar de verstoorde gezagsverhoudingen binnen de justitie- en politietop in Amsterdam waren de reden voor de opheffing van het IRT.
Argos vroeg in april 1994, direct na de presentatie van het onderzoeksrapport, aan commissievoorzitter Wierenga of hij niet wat al te gemakkelijk over het probleem van de omstreden opsporingsmethode heenstapte. Ook de anders zo nuchtere Wierenga bleek door misdaadbestrijdingsvirus te zijn aangetast.

Tekst 13
Wierenga wilde niets vertellen over de IRT-opsporingsmethode. Dat stond namelijk in de geheime bijlage bij zijn rapport. Ook de Tweede Kamer kreeg dat geheime deel niet te zien. De Kamer moest zijn oordeel op grond van het openbare deel van het rapport. Een oordeel dat uiteindelijk resulteerde in het aftreden van de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn. Vier Kamerleden kregen de geheime bijlage wel te zien: de fractievoorzitters van de vier grote partijen, maar dan wel als van de vertrouwelijke zogenoemde 'BVD-commissie, ook al had de IRT-zaak niets met de BVD te maken. Een van die vier was Thijs Wöltgens, nu burgemeester van Kerkrade maar toen nog voorzitter van de PvdA fractie in de Tweede Kamer.
Pas vorige week, tijdens het verhoor van Wierenga door de enquêtecommissie, bleek dat de commissie-Wierenga in de geheime bijlage wel degelijk vraagtekens had gezet bij de toelaatbaarheid van de IRT-methode. Wöltgens wist dat vorig jaar dus ook al, toen de Kamer over het rapport-Wierenga debatteerde. Zat hij toen niet te popelen om dat in te brengen? Dat Wierenga de zaken in het openbare deel van zijn rapport toch iets te simpel had voorgesteld?