Argos

De integratie van nieuwkomers

Argos

De integratie van nieuwkomers

De fractievoorzitters in de Tweede Kamer discussieerden een week geleden over de ‘integratie van nieuwkomers’. Als reactie op een debat dat in de voorafgaande maanden in de media woedde onder de titel ‘Het multiculturele drama’. De commentaren op het Kamerdebat waren over het algemeen positief. De Tweede Kamer heeft de klacht over gebrek aan urgentie weggenomen, zo schreef de NRC. Daarmee werd een beeld versterkt, dat vanaf het begin aan het debat kleefde, namelijk dat de Nederlandse samenleving - aan de hand van de linkse intellectuele elite - de integratieproblemen pas begin dit jaar zou hebben ontdekt. Alsof daarvóór de politiek vond dat het allemaal wel goed ging. Alsof er nooit eerder is gediscussieerd over bijvoorbeeld zwarte scholen en wachtlijsten voor taalcursussen. Alsof er nooit eerder is beloofd dat de problemen voortvarend opgelost zouden worden.
In Argos ‘Het multiculturele drama’ in historisch perspectief. Was het debat werkelijk een keerpunt of niet meer dan een terugkerend ritueel? Is de dramatiek van het multiculturele drama vooral dat oplossingen in het verleden niet zijn aangegrepen toen ze nog voor het grijpen lagen. Of is integratie altijd een kwestie van pijn en moeite, die vooral tijd kost, en die zich aan het politieke domein onttrekt?


Argos over de geschiedenis van de integratieproblematiek van allochtonen.
Dit naar aanleiding van de onlangs opgelaaide discussie in de politiek en de media over het integratiebeleid.
Aan de hand van historische radio- en televisiefragmenten wordt een beeld geschetst van de problemen rond de verplichte taalcursussen voor buitenlanders en de scheiding tussen zwarte en witte scholen.
Aangevuld met een toelichting door juriste Mieke Laemers en Hans Entzinger, hoogleraar algemene sociologie aan de Universiteit Utrecht (telefonisch).


------------
Inleidende teksten, misschien niet volledig:

Tekst 1
De fractievoorzitters in de Tweede Kamer. Een week geleden discussieerden ze daar over de ‘integratie van nieuwkomers’ en de dreigende mislukking van het allochtonenbeleid. Het Kamerdebat was een reactie op het debat, dat al maandenlang in de media woedt, onder de noemer ‘Het multiculturele drama’. Om dat drama af te wenden nam de Kamer vorige week ook een aantal kloeke besluiten. Zo moeten de wachtlijsten voor taalonderwijs voor buitenlanders binnen een jaar zijn verdwenen.
De commentaren op het Kamerdebat waren na afloop over het algemeen positief. De Tweede Kamer heeft de klacht over gebrek aan urgentie weggenomen, zo schreef de NRC. “Het ongeduld is groot”. Dat is het ‘signaal’ dat de Kamer volgens de krant heeft afgegeven. Daarmee werd het beeld versterkt, dat vanaf het begin aan de hele discussie kleeft. Het lijkt namelijk net alsof de Nederlandse samenleving de integratieproblemen pas begin dit jaar zou hebben ontdekt - en dan nog wel omdat ze aan de hand werd genomen door een wakkere publicist van PvdA-huize. Alsof daarvóór iedereen vond dat het allemaal wél goed ging. Alsof de politiek nooit eerder heeft gediscussieerd over bijvoorbeeld wachtlijsten voor taalcursussen en zwarte scholen. Alsof er nooit eerder politieke beloftes zijn gedaan om de problemen voortvarend op te lossen.
Daarom in Argos vandaag ‘Het multiculturele drama’ in historisch perspectief. Is het debat werkelijk een keerpunt? Of is het niet meer dan een herhalingsoefening, een terugkerend ritueel? Heeft de politiek in het verleden oplossingen, die toen nog voor het grijpen lagen, laten liggen? Of is integratie altijd een kwestie van pijn, moeite en maatschappelijke onrust, die vooral tijd kost. En die zich onttrekt aan welke politieke bemoeienis dan ook?
Om het concreet te houden, zoals u VVD-fractievoorzitter Dijkstal net hoorde zeggen, kijken we terug aan de hand van twee concrete punten, de taalcursussen en de zwarte scholen.

Tekst 2
Een verontwaardigde allochtone vrouw in februari 1984, zestien jaar geleden dus. De locatie is Etten-Leur. Deze Brabantse gemeente heeft aan werkloze buitenlanders een brief gestuurd met een oproep een cursus Nederlands te volgen. Weigeraars worden gekort op hun uitkering. Maar buitenlanders die zich vervolgens bij de cursus melden, blijken daar helemaal niet terecht te kunnen en komen op een wachtlijst te staan.
De maatregel van de gemeente Etten-Leur in 1984 lokt ook op landelijk niveau reacties uit, bijvoorbeeld van medewerkster Paula Janssen van het Nederlands Centrum Buitenlanders.

Tekst 3
Buitenlanders moeten alle mogelijkheden krijgen om Nederlands te kunnen leren. Alleen die mogelijkheden zijn er niet voldoende in 1984. Wat dat betreft is er nu, 16 jaar later, niets nieuws onder de zon. Maar het merkwaardige is dat de discussie zich in 1984 al snel toespitst op het al dan niet verplicht stellen van de cursus Nederlands. Daar lijkt alle energie in te gaan zitten. En níet in het oplossen van het probleem dat er onvoldoende faciliteiten zijn om alle gegadigden ook daadwerkelijk een cursus te laten volgen
Die fixatie op verplichting duikt vijf jaar later ook weer op, als de VVD in Amsterdam in april 1989 het plan lanceert om werkloze buitenlanders, net als 5 jaar eerder in Etten-Leur, verplicht Nederlands te laten leren. Hans Dijkstal, op dat moment minderhedenspecialist van de VVD-fractie in de Tweede Kamer vindt het een goede maatregel, ook om landelijk over te nemen.

Tekst 4
Verplichten, straffen en prioriteiten stellen. VVD-Tweede Kamerlid Dijkstal in april 1984. Maar met dat prioriteiten stellen blijkt nog het nodige mis te zijn. Dat maakt een maand later, in mei 1989, de toenmalige coördinator minderhedenbeleid op het ministerie van Binnenlandse Zaken, Henk Molleman, duidelijk.

Tekst 5
Al in het begin van de jaren ’80 pleitte Molleman voor taallessen aan buitenlanders. Maar in 1989 zijn die cursussen nog steeds niet van de grond gekomen. Pas als dat wel het geval is, kun je praten over verplichting, vindt Molleman.

Tekst 6
Een Turks sprekende man meldt zich aan voor een cursus Nederlands, maar er is geen plaats voor hem. Hij komt op de wachtlijst en moet 5 á 6 maanden wachten. Het is maart 1994, weer vijf jaar later en tien jaar na de verplichte taallessen van de gemeente Etten-Leur. Na de CDA-VVD-regeringen van de jaren ’80 zit er in Den Haag nu een CDA-PvdA-kabinet. Maar de situatie rond de taalcursussen is nog steeds dezelfde. Animo genoeg, maar nog steeds te weinig plaatsen, vertelt J. Haarman van het Bureau Opvang Nieuwkomers in Enschede.

Tekst 7
Een wachtlijst van 35, 36 mensen. Maar toch heeft de toenmalige PvdA-minister D’Ancona van WVC kort daarvoor laten weten dat allochtonen in Nederland verplicht de Nederlandse taal moeten leren om sneller te integreren in de Nederlandse samenleving. Maar ook in 1994 blijkt het te ontbreken aan voldoende onderwijzers, geld en lokalen. Dat gepraat over verplichting slaat volgens Haarman van het Enschedese Bureau Opvang Nieuwkomers dan ook nergens op.

Tekst 8
Dwang heeft geen enkele zin en is vooral ook overbodig. Dat is de boodschap in 1994. Maar toch hamert men nu, anno 2000, toch weer op die dwang, die verplichting. Alsof daar bij de taalcursussen het probleem zit. Het probleem is ook nu nog steeds, net als in 1984, 1989 en in 1994, dat er niet voldoende plaatsen zijn gecreëerd voor lessen in Nederlandse taal. Na 16 jaar is het nog steeds niet goed geregeld. En de Tweede Kamer is er al die jaren altijd zelf bij geweest, heeft in die periode er verschillende keren over gediscussieerd en steeds moeten constateren dat het niet goed was. Toch kreeg minister Van Boxtel, coördinerend bewindsman voor minderheden, vorige week van diezelfde Kamer nóg weer een jaar om de wachtlijsten weg te werken.
Han Entzinger is hoogleraar algemene sociologie aan de universiteit van Utrecht. Hij is specialist op het gebied van het minderhedenbeleid en volgt het integratiedebat al 25 jaar. Ook hij heeft al die tijd moeten constateren dat die taalcursussen maar niet voldoende van de grond komen; alle discussies over verplichting ten spijt.

Tekst 9
Hans Keissen, adjunct-directeur van basisschool De Roos in Amsterdam in mei 1989. Zijn school is dan een zogenaamde ‘zwarte’ school geworden. De meeste leerlingen van De Roos zijn allochtoon. De scheiding tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ scholen is het eerst ontstaan in de grote steden, maar het probleem beperkt zich op dat moment, in 1989, al niet meer tot de Randstad. In een gemeente als het Gelderse Ede bijvoorbeeld, op de Veluwe, moet ‘zwarte’ basisschool De Regenboog een jaar eerder zelfs sluiten. Dat komt, omdat er te weinig leerlingen zijn, vertelt wethouder Broekhuis van Ede in februari 1988. En dat komt weer omdat witte ouders hun kinderen naar andere scholen sturen.

Tekst 10
Het is april 1991. Allochtone kinderen zijn met bus 72 op weg naar de wijk Bloemendaal. Op weg naar een witte school. En dat gebeurt in het kader van het spreidingsbeleid waarmee de gemeente Gouda het ontstaan van zwarte en witte scholen wil tegengaan. Liesbeth Vervoorn, coördinator onderwijsvoorrangsbeleid in Gouda, legt hoe dat beleid eruit ziet.

Tekst 11
Ondanks de deelname van alle scholen in Gouda loopt het spreidingsbeleid mis. Om meerdere redenen. Maar onder andere omdat het totale aantal allochtone leerlingen stijgt en witte ouders dan toch weer vinden dat er te veel allochtonen komen op de school van hun kind. Maar desondanks duikt ook op andere plaatsen in Nederland de discussie op over de noodzaak van een spreidingsbeleid. Ook buiten de Randstad, bijvoorbeeld in de provincie Zeeland, waar ook zwarte en witte scholen zijn ontstaan. De oorzaak ligt daar vaak iets anders dan in de Randstad, legt onderzoeker Van der Wouw in juni 1992 uit.

Tekst 12
Onwetendheid. Dat is de reden waarom ouders zo handelen. Dat zegt in juni 1992 ook directeur Schreuders van zo’n zwarte school in Zeeland.

Tekst 13
Ook in Zeeland moet er daarom een spreidingsbeleid komen. Spreiding van de buitenlandse kinderen over verschillende scholen zal de kinderen én de scholen ten goede komen. Dat zegt L. de Waard van de adviescommissie die in 1992 wat aan de zwarte en witte scholen in Zeeland moet doen.

Tekst 14 = BREAKTEKST
U luistert naar radio 1, de VPRO, het programma Argos. Vandaag met een historische terugblik op het integratiedebat. Aan de hand van twee ijkpunten: de wachtlijsten bij de taalcursussen en de scheiding tussen zwarte en witte scholen.
Spreidingsbeleid om die scheiding tegen te gaan is in verschillende plaatsen in Nederland toegepast. Maar bijna overal verloopt het moeizaam. Niet alleen omdat ouders niet willen meewerken, maar ook omdat er vanuit de regering en Tweede Kamer geen krachtige ondersteuning komt voor dat spreidingsbeleid. Bewindslieden laten niet na om zich te verschuilen achter de ‘vrijheid van onderwijs en schoolkeuze’. Jo Ritzen, minister van onderwijs in het eerste paarse kabinet, zegt bijvoorbeeld in mei 1998 over zwarte scholen:

Tekst 15
Onderwijsminister Ritzen lijkt zich in 1998 allang te hebben neergelegd bij de scheiding tussen zwarte en witte scholen. Dat blijkt ook al uit een voorstel, dat Ritzens staatssecretaris van Onderwijs, Tineke Netelenbos, anderhalf jaar eerder doet. Daarbij wordt het bestaan van zwarte scholen aanvaard, en gaat het er alleen nog om te voorkomen dat leerkrachten van die zwarte scholen wegtrekken naar witte scholen. Daarom wil ze hen extra geld geven, vertelt Netelenbos in december 1996.

Tekst 16
Ook staatssecretaris van Onderwijs Netelenbos wijst in 1996 weer op dat argument van de vrijheid van schoolkeuze dat een spreidingsbeleid onmogelijk zou maken. En ook op dit moment, anno 2000, wordt dat argument veelvuldig opgevoerd. Maar de machteloosheid die politici vanwege dat argument tentoonspreiden, is niet helemaal terecht, zegt de juriste Mieke Laemers, werkzaam op het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen in Nijmegen. Ze is gepromoveerd op het proefschrift ‘Schoolkeuzevrijheid’.

Tekst 17
Verslaggeefster Irene Houthuis op het Niels Stensen College in Utrecht. Matthe Sjamaar is rector van deze zwarte middelbare school met overwegend allochtone leerlingen. Sjamaar, sprekend vanuit 33 jaar onderwijservaring op zijn eigen school, betoogt in mei 1998 dat het beter zou zijn de zwarte scholen te sluiten en de allochtone leerlingen verspreid onder te brengen op witte scholen. Sjamaars woorden veroorzaken groot tumult en brengen de discussie over zwarte en witte scholen opnieuw op gang.
Rector Sjamaar:

Tekst 18
Iedereen valt in mei 1998 over Sjamaar heen, ook de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs Netelenbos. Sjamaar zou volgens haar meer zijn best moeten doen in plaats van de sluiting van zijn school te bepleiten.
Een leerlinge van het Niels Stensen College vertelt wat zíj ervan vindt om op zo’n zwarte school te zitten.

Tekst 19
Als iemand de eer toekomt dat hij het integratiedebat heeft aangezwengeld, dan is het Sjamaar. En wel twee jaar voordat het artikel van Paul Scheffer verschijnt, dat tot het huidige debat over het multiculturele drama heeft geleid.
Alleen maakt Sjamaar de discussie meteen ook heel concreet. En dat wordt niet gewaardeerd. Zolang zoiets veilig op papier gebeurt, is er niets aan de hand. Maar Sjamaar wordt ‘kalt gestellt’. In april 1999 gaat hij – gedwongen- met vervroegd pensioen.
En ondertussen lijkt het erop dat het bestaan van de zwarte scholen zoveel mogelijk wordt doodgezwegen. Die indruk heeft in december 1998 ook Patricia Remak, dan nog kersvers Tweede Kamerlid van de VVD. Zij is zelf van Surinaamse komaf.

Tekst 20
Maar volgens PvdA-staatssecretaris Karin Adelmund van Onderwijs is er niet zoveel aan de hand met die zwarte scholen, zegt ze begin 1999 tegen verslaggeefster Irene Houthuijs.

Tekst 21
Hoe kijkt hoogleraar en minderhedenspecialist Han Entzinger terug op het integratiedebat van de afgelopen maanden? Speciaal als je de historie van de laatste decennia mee in ogenschouw neemt.