WK schaatsen

WK schaatsen

‘Geef me een half uurtje en ik heb de slag weer te pakken’, zegt Wim van der Voort terwijl hij over de oude schaatsbaan van Hamar krabbelt. Hij heeft vijftien jaar niet geschaatst, maar je kunt zien dat hij het niet is verleerd. De baan ligt er verlaten bij, het is koud, er ligt sneeuw. In de verte ligt het Vikingskipet, de overdekte schaatstempel van Hamar waar de Nederlanders vandaag de dag heer en meester zijn. Maar de omstandigheden zijn in de afgelopen vijftig jaar veranderd. Van der Voort is één van de Nederlanders die vlak na de oorlog naar Hamar werden gestuurd om te trainen. ’s Zomers werd er getraind in Overveen, conditietraining onder leiding van de vermaarde dr. Carlier. Droogschaatsen, hardlopen, met elkaar op de rug de duin bij ‘Kraantje Lek’ op rennen, zo vaak als je kon. Volgens schaatser Cockie van der Elst was er conditioneel niets mis met de Nederlanders. ‘Maar we misten schaatsritme. Geen ijservaring. Bij de huidige schaatsers gaan conditie en ijservaring gelijk op. Wij konden pas in Hamar leren schaatsen’. En dat loopt niet altijd even soepel. Waar alle oud-schaatsers Carlier roemen om zijn conditietrainingen, herinnert Van der Elst zich ook nog de aankomst in Noorwegen in 1952. Schaatscoach Klaas Schenk klapte in zijn handen en riep: ‘Het is een olympisch jaar, we gaan er tegenaan, we beginnen met een 10000 meter’. Van der Elst kan er nog kwaad om worden. Het was de eerste keer dat de mannen dat jaar ijs zagen. En om dan te beginnen met een tien kilometer, grenst aan sportieve zelfmoord. Niemand voltooit die dag de vierentwintig ronden.