Het Spoor

Moluks drama te Westkapelle

Het Spoor

Moluks drama te Westkapelle

Deze aflevering gaat over het verzet in het kamp in Westkapelle tegen het afschaffen van de overheidszorg voor Molukkers. Als in 1956 de Nederlandse regering de zogenaamde ‘zelfzorgmaatregel’ afkondigt, stuit dat in veel opvangkampen voor Molukkers op verzet. In het Zeeuwse Westkapelle beantwoordt de burgemeester de onrust in het plaatselijke kamp door de speciale politie-eenheid ‘De Harde Bijstand’ in te zetten. Het gevolg is een schietpartij met negen gewonden. Verscheidene mannen komen in de gevangenis terecht, gezinnen worden gedeporteerd.

---
Presentatieteksten:

Als in 1956 de Nederlandse regering de zogenaamde ‘zelfzorgmaatregel’ afkondigt, stuit dat in veel opvangkampen voor Molukkers op verzet. In het Zeeuwse Westkapelle beantwoordt de burgemeester de onrust in het plaatselijke kamp door de speciale politie-eenheid ‘De Harde Bijstand’ in te zetten. Het gevolg is een schietpartij met negen gewonden. Verscheidene mannen komen in de gevangenis terecht, gezinnen worden gedeporteerd.

Tekst 1
Daar waren ze. Dertienduizend gekleurde mensen, zo uit een tropisch land naar Nederland vervoerd. Voor tijdelijk. Nu, vijfendertig jaar later, wonen de meesten hier nog, zij het niet meer in de kampen van destijds, maar in speciale Molukse wijken. Alleen kamp Lunetten in Vught is nog bewoond, maar wordt met opheffing bedreigd. De Molukse gemeenschap telt nu veertigduizend mensen. Van de 25 april 1950 uitgeroepen onafhankelijke Republiek Maluku Salatam, de RMS, is tot op heden nog niets gekomen, omdat niet lang daarna Indonesië de eilandengroep bezette. Het lijkt erop dat niemand ter wereld het Molukse streven naar onafhankelijkheid serieus neemt, behalve misschien het West-Afrikaanse land Benin, het enige land dat een Moluks consulaat binnen zijn grenzen heeft.
Toen de vierduizend KNIL-militair-, met hun gezinnen hier aankwamen, gingen ze ervan uit dat het voor tijdelijk zou zijn. Straks zouden ze echt worden gedemobiliseerd, op de Molukken. Ze mochten immers volgens hun militair contract zelf een plaats kiezen voor de demobilisatie en dat was niet Nederland.
Daarom gingen ze ervan uit dat ze nog steeds in Nederlandse overheidsdienst waren en dat die overheid dan maar voor hen moest zorgen. Dat gebeurde in het begin ook. De Molukkers kregen zakgeld, drie gulden per volwassene, twee gulden per kind per week, ze kregen kledinggeld, hadden op hun Nederlandse kampongs een centrale keuken en hoefden niet voor brandstof en elektra te betalen. Maar Nederland werd die verzorging zat. En in april 1956, als blijkt dat de Molukkers niet uit zichzelf terugkeren naar Indonesië, worden er stappen ondernomen om onder de verzorgende taak uit te komen. Op het ministerie van maatschappelijk werk, waar een speciale ploeg ambtenaren, het CAZ, commissariaat Ambonezenzorg, zich bezighoudt met de Molukse problematiek, wordt de zogeheten zelfzorgmaatregel ontworpen, vijf jaar na aankomst van de Molukkers in Nederland. De centrale keukens moeten afgebroken worden, de uitkeringen stopgezet en de mensen moeten maar voor zichzelf zorgen en werk zoeken. Gewoon vernederlandsen dus. Een paar kampen gooien de kop in de wind; ze breken de gezinskeukens achter de barakken af en weigeren elke medewerking. In het kamp Westkapelle ontploft de bom na vier maanden geen voedsel en geen uitkering: de mannen gaan naar het dorp om bij de plaatselijke winkeliers zonder te betalen hun dagelijkse levensbehoeften te halen.
Een paar uur later staat de Harde Bijstand der politie op de stoep, met helmen en karabijnen, die op scherp staan.
tekst 2
Alle bewoners van kamp Westkapelle waren lid van de Partai Nasional Maluku Selatan, de PNMS die als enige van de Molukse organisaties consequent weigerde de zelfzorgmaatregel te aanvaarden. Na vier maanden honger trok op een zaterdagmiddag een groep Molukse mannen het dorp Westkapelle in om zonder geld boodschappen te doen. Volgens de winkeliers werd er vooral rijst, suiker en brood meegenomen. Ursepuny, die zeven kinderen te voeden had was een van hen.
Tekst 3
Majoor Ballegooyen de Jong, nu rond de zeventig, was in die tijd districtscommandant der rijkspolitie voor de provincie Zeeland. Hij deelde de lakens uit en gaf instructies aan zijn mannen. Zijn mannen blijken moeilijk te achterhalen, de archieven zijn leeg of opgeruimd, of de informatie is niet voor derden bedoeld. Na lang zoeken vinden we een paar namen. Maar wachtmeester Stroo, de man die volgens de officiële versie geschoten heeft, is overleden, evenals agent Wijkhuis, die in de voorste gelederen stond. Anderen willen niet meer praten over het verleden, zoals
Kloosterman en van der Putte. De commandant wil wel. Hij wacht ons op voor de poort van zijn villa die ver weg in de Veluwse bossen ligt verscholen. Nee, we kunnen niet bij hem thuis praten, we rijden wel naar een cafeetje in het dorp.
Op sommige momenten dwingt hij ons de bandrecorder te stoppen. Dat is onzin, geouwehoer in de ruimte, zegt hij. Het proces-verbaal dat hij samen met Stroo na de schietpartij heeft opgesteld is niets dan de waarheid. Helaas na vijftien jaar vernietigd.
Van Ballegooyen De Jong:
Tekst 4
Naast de majoor stond Burgemeester Tydeman bij de ingang van het kamp toen het schieten begon. Ook hij wil praten, graag zelfs. Volgens hem is niet de winkelactie de directe aanleiding tot de schietpartij maar het plunderen van een kippenfarm, zoals hij het noemt. Hij kwam vaak in het kamp. Er liepen uitgesexte haantjes door de kamers waar een heel gezin moest wonen en boven de bedden hing vis te drogen, maar verder was het heel gewoon in het kamp.
Tydeman over die ongewone zaterdag.
tekst 5
De gebeurtenissen die op Tydeman weinig indruk maakten verziekte het leven van vooral de Molukkers die gewond waren geraakt. Ursepuny, die twee kogels in zijn been kreeg, loopt nog steeds met moeite en is arbeidsongeschikt verklaard. Lewerissa is vrijwel blind aan een oog en heeft tussen zijn hart en longen nog steeds een kogel zitten die er wegens gevaar voor zijn leven niet uitgehaald kon worden. Die kogel heeft hij dus nog, maar toen hij aan Professor Kolenbrander de kogel vroeg die deze uit zijn oog gehaald had om later als eventueel bewijs te kunnen gebruiken, kreeg hij nul op het rekest.
tekst 6
Hij heeft er nu, na bijna 30 jaar nog steeds niets van gehoord. Voor Lewerissa die als enige van de 9 gewonden naar
het Academisch Ziekenhuis in Leiden werd gebracht werden niet de gebruikelijk CAZ-tolken Verboom en van der Kalk ingeschakeld. Andere vertegenwoordigers van het CAZ zag Lewerissa pas weer toen hij na twee maanden in het strafkamp Oude Zeug, werd ondergebracht.
Tekst 7
Ursepuny was de tweede zwaargewonde. Zijn kuit lag aan flarden en nog is er na dertig jaar op zijn been een gat te zien ter grootte van een rijksdaalder. Het vlees is weg. Na vijf weken ziekenhuis gaat hij linea recta het gevang in. Voor een week maar, want dan blijkt zijn wond nog helemaal niet genezen te zijn en moet hij voor drie weken terug naar het ziekenhuis. 21 september 1956 is de rechtszaak. De veertig arrestanten, 28 uit kamp Westkapelle en twaalf mannen uit Middelburg, allen PNMSleden, moeten voorkomen. De eis: twee maanden waarvan twee onvoorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Omdat ze al zolang zonder proces in voorarrest zitten hoeven ze nog maar een week in de gevangenis te blijven. Daarna mogen ze eindelijk terug naar huis, naar vrouw en kinderen.
Tekst 8
Eind december raadt van Ballegooyen de Jong de burgemeester aan de dagelijkse gang van zaken in het kamp aan de minister van justitie Samkalden te rapporten. Zo kan er in dat verre Den Haag een beeld ontstaan van wat er in het kamp gebeurt, want uiteindelijk moet er daar over de Molukkers worden besloten. De burgemeester praat zover zijn feuilleton, die hij iedere week zo smakelijk mogelijk probeerde te schrijven. De ambtenaren in Den Haag zaten er iedere week op te wachten, zo zegt hij. In de rapportage vind je een heleboel van de genomen maatregelen terug. Op een geven moment wordt de post gecontroleerd -voor zover toelaatbaar- op geld en toegezonden voedselpakketten worden grondig onderzocht. De pers wordt categorisch geweigerd. In de Provinciale Zeeuwse Courant, de PZC, waren wel wat kleine berichtjes verschenen, maar meer over de rechtszaak dan over de situatie in het kamp. Het Parool is de eerste krant die in december met een list erin slaagt even in het kamp te kijken. Pas op 26 januari 1957 verstuurt de burgemeester een bericht dat de pers de volgende dag al van een tot vier welkom is in het kamp en hij noteert in zijn dagrapport: “De verre afstand zal de nieuwsgierigheid wel wat temperen.” En ook wordt de in oktober ingestelde pasjesregeling genoemd. Een avondklok was er sowieso al, maar vanaf begin oktober moesten de kampbewoners toestemming vragen aan de burgemeester of ze het kamp mochten verlaten en voor hoe lang en waarvoor.
Tekst 9
Maar wie is er nu aanspreekbaar in deze kwestie. De politie verschuilt zich achter de burgemeester, de burgemeester achter het ministerie, of geeft de Molukkers de schuld. En op het ministerie vinden we niemand die er nog wat over wil of kan zeggen. Ook het CAZ, commissariaat Ambonezenzorg, geeft niet thuis. De vroegere baas Raalte wil niet praten, ambtenaar Logeman, die veel met Westkapelle te maken had, is overleden en Lantink leeft nog, maar weet zich niets te herinneren van Westkapelle specifiek. Wel weet hij dat er meer kampen waren die in verzet kwamen, maar het hoe en wat hij niet meer. Mevrouw Silano over het CAZ:
Tekst 10
Ook in Zeeland zelf waren er meer kampen die in opstand kwamen tegen de zelf zorgmaatregel, bijvoorbeeld in Burghsluis op het eiland Schouwen Duiveland. Daar namen de vrouwen erwten en aardappelen mee van het boerenland, en er waren strooptochten door kinderen geweest, aldus de PZC. In dezelfde week als in Westkapelle gingen de mannen van het kamp daar het dorp in en winkelden zonder te betalen. Zij werden tijdelijk onder bijzondere politiebewaking gesteld, maar niet zoals in Westkapelle voor dag en nacht, en zeker geen acht maanden.
Aan Majoor van Ballegooyen de Jong de vraag hoe dat komt:
Tekst 11
Onder de Molukkers bestaat het vermoeden dat Lewerissa als enige van negen gewonden in hoofd, hals en arm geschoten werd omdat men hem aanzag voor de leider van de PNMS Siwálette. Hoewel ze niet veel op elkaar leken waren ze wel van dezelfde lengte en traden ze vaak samen naar buiten als vertegenwoordigers van de PNMS.
Tekst 11A
De verwisseling Lewerissa/Siwalette valt niet met bewijzen te staven, het blijft bij een vermoeden. Wel is het zeker dat Lewerissa de enige was die in levensgevaar heeft verkeerd. En hij heeft nog steeds een kogel tussen zijn hart en zijn long.
tekst 12
Pas 8 maanden na de schietpartij normaliseerde de situatie in het kamp zich. Na zijn detentie is Siwalette er niet meer
terug gezien, volgens verschillende oud PNMS-leden zou hij door het CAZ zijn omgekocht en tevens de terugreis naar Indonesië voor hem en zijn gezin geregeld hebben. De oproerkraaiers en raddraaiers, zoals Tydeman ze betitelde, werden nadat ze hun straf uitgezeten hadden gedwongen verplaatst naar strafkampen aan de andere kant van het land. Hun gezinnen waren daar al naar toegebracht.
Omdat de kampbewoners verspreid werden en onbekend waren met de Nederlandse rechtsgang en zich daar Bovendien in die beginjaren niet aan wensten te onderwerpen hebben ze nu pas advocaat Flos uit Middelburg aangetrokken om hun belangen te behartigen. Deze hoopt zo snel mogelijk met de getuigen-verhoren voor de rechter-commissaris te kunnen beginnen waarbij ook Tydeman, van Ballegooyen en de betrokken agenten opgeroepen zullen worden, net als de ex-KNIL-lers die jarenlang voor de Nederlandse vlag gestreden hebben en zich in hun rechtsgevoel aangetast weten. En die net als hun vrouwen en kinderen nog stuk voor stuk de gebeurtenissen in Westkapelle met zich meedragen. Pas nu willen de betrokken Molukkers een eis tot schadevergoeding indienen.