Het Spoor Terug

Sport en oorlog 2: De clubs

Het Spoor Terug

Sport en oorlog 2: De clubs

Deel twee van de driedelige serie 'Sport en oorlog', over sportbeoefening ten tijde van de Duitse bezetting van Nederland.
In deze aflevering: de houding van sportclubs tijdens de Duitse bezetting. Volewijckers was een verzetsclub en ADO een NSB-club. Maar iedereen blies zijn partijtje mee in de vaderlandse competitie. De wielrenners maakten het nog bonter: Oorlog of niet, ze lieten zich flink betalen om in de 'Deutschlandhalle' het Berlijnse zesdaagse publiek te vermaken.
Interviews met:
- Hermann Harster, voormalig perschef van de Olympische Winterspelen van '36 en tijdens de oorlog de hoogste Duitse sport-autoriteit in Nederland;
- wielrenner Jan Derksen.
- Wim Peters, voetballer;
- Leo Horn, in mei 1940 een joodse 'scheidsrechter in opkomst';
- Hein en Martien van Uhm, oud-spelers van de in 1941 ontbonden rooms-katholieke voetbalvereniging 's Heerenberg;
- schaatstrainer Siem Heiden;
- Willem Koek, in het begin van de oorlog keeper en aanvoerder van ADO.

Inleidende teksten:
Inleiding
"Wie aan sport doet, zondigt niet", zo spreekt Rijkscommissaris Seyss-Inquart in november 1940 tot de zojuist benoemde Sport- und Pressereferent dr. Hermann Harster. Harster, broer van de beruchte Sicherheitsdienst-commandant Wilhelm Harster, weet dus wat hen te doen staat: de sport moet zo ongehinderd mogelijk blijven doorgaan in Nederland, en zo als ventiel fungeren voor opgekropte agressie. Dat lukt wonderlijk goed. Verleden week - in de eerste aflevering van onze serie over 'Sport en Oorlog' - onthulden we dat het aantal toeschouwers bij sportwedstrijden in de eerste oorlogsjaren verdubbelt. En dat gebeurt dan ondanks de maatregelen, die de Duitsers wel degelijk treffen om de sport beter onder controle te krijgen. Maatregelen zoals het concentreren van de (soms tientallen bonden en bondjes) tot één eenheidsbond per sporttak. Maar ook het verbod om nog gebruik te maken van joodse scheidsrechters en - in november '41 - zelfs een totaal verbod voor joden om nog lid van een sportclub te zijn.
Op de Nederlandse voetbalvelden blijft de bal rollen. En volgens Hermann Harster is dat voor een niet gering deel te danken aan een door hem geformeerd driemanschap, waar naast de NSB'ers De Valk en Stuling ook Karel Lotsy deel uitmaakt. Lotsy is een autoriteit in de Nederlandse sportwereld en zeker in de voetbalbond. Hij is in oktober '40 al benoemd tot adviseur voor sportzaken van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en daarmee de officiële tussenpersoon geworden tussen de bezetters en de sportwereld. Hermann Harster kent Lotsy al van de Olympische Spelen van '36 waar Lotsy als chef d'equipe een koninklijk lintje aan overhoudt. Het dankwoord dat hij bij die huldiging uitspreekt, klinkt al even pathetisch als de donderspeeches waarmee hij in de jaren dertig als leider van het Nederlands elftal furore maakt.
tekst 1
Ondanks Lotsy's vurige pleidooi blijken alle inspanningen voor Tokio tevergeefs te zijn. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, besluit het Internationaal Olympisch Comité om het sportfeest van de verbroedering der jeugd af te gelasten.
Maar Karel Lotsy blijft een vooraanstaand sportbestuurder, ook na de Duitse inval in Nederland. Hij wordt de belangrijkste man in het driemanschap dat door Harster is gevormd om de sport in Nederland op gang te houden. Harster stelt dat driemanschap in, meteen na zijn aanstelling in november 1940.
tekst 2
Als het driemanschap onder leiding van Hermann Harster in november 1940 geïnstalleerd wordt valt het direct onder het nieuwe departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming. Dat departement is verantwoordelijk voor de lichamelijke opvoeding en de sport.
In zijn inwijdingstoespraak in december 1940 onderstreept de secretaris-generaal van het departement, prof. J. van Dam - geïnspireerd door het voorbeeld van de Duitse nazi's - het belang van de lichamelijke opvoeding op de scholen.
Tekst 3
In de bioscopen besteedt het Polygoon-journaal uitgebreid aandacht aan de sport. Van elke 5 thema's per journaal, zijn er bijna steeds 2 aan sport gewijd. Sport is neutraal en geliefd en voor de Duitsers een zeer waardevol middel om de indruk te wekken dat het dagelijkse leven toch gewoon doorgaat. Directe politieke propaganda wordt bij het sportbeleid uit de weg gegaan. Ook Hermann Harster zegt apolitiek te zijn als hij in Nederland wordt benoemd.
Tekst 4
Sport als ventiel, om overtollige agressie kwijt te raken. Dus toch een verkapte politieke doelstelling, waarbij Karel Lotsy een even centrale als dubieuze rol speelt. De twijfelachtige rol van Lotsy wordt het eerst zichtbaar bij de Joodse sporters en scheidsrechters. Leo Horn is in mei 1940 een 'scheidsrechter in opkomst', zoals hij zelf zegt. Hoewel hij joods is blijft hij na de Duitse inval aanvankelijk nog doorfluiten.
Tekst 5
Het lijkt ongeloofwaardig: Hermann Harster weet niet dat zijn belangrijkste stroman in oktober 1941 officieel is teruggetreden. Maar misschien heeft de bejaarde gewezen Obersturmbahnführer toch gelijk als hij zegt dat hij ook ná die tijd regelmatig contact met Lotsy had. Want Lotsy schijnt alleen in naam teruggetreden te zijn na aandrang uit Londen om hem officieel te vrijwaren van medeverantwoordelijkheid voor het Duitse besluit dat op 1 november 1941 wordt uitgevaardigd: alle Joodse sporters moeten geweerd worden uit verenigingen. Dat Lotsy persoonlijk geen bezwaar tegen die maatregel heeft, blijkt uit een brief van hem van 31 maart 1941, waarin hij benadrukt dan al geen joodse medewerkers meer te hebben. Vandaar dat Lotsy ook na november 1941, ondanks zijn smoesje dat hij zich terugtrekt wegens zijn drukke werkzaamheden in zijn verzekeringsbedrijf, zich intensief met de sport blijft bemoeien.
En het gaat goed met de sport: ook zonder hun joodse clubgenoten blijven de Nederlandse sporters actief. Terwijl bijvoorbeeld op het Olympiaplein in Amsterdam de Joden worden verzameld om naar Westerbork te worden afgevoerd, wordt op hetzelfde plein gewoon getennist alsof er niets aan de hand is. Hermann Harster kan tevreden zijn.
Tekst 6a
De Ramblers zongen het en praktiseerden het: "Ik heb me weten aan te passen aan de nieuwe tijd'. Precies als Lotsy en al die sportmensen zorgden ook zij voor vermaak en afleiding voor duizenden. Maar er waren kunstenaars die het verboden werd om nog op te treden, zoals er ook sportclubs waren die niet meer mochten spelen. Harster was de hoogste Duitse sportautoriteit in Nederland. Hij moet dus geweten hebben dat er clubs werden opgeheven.
tekst 6
Helaas blijkt een paar dagen later dat broer Wilhelm onbereikbaar is om het raadsel van de geliquideerde sportclubs op te lossen. Het is echter vrijwel zeker dat de Nederlandse NSB'er H. Müller-Lehning daarvoor verantwoordelijk moet worden gesteld. Hij wordt in februari '41 door Seyss-Inquart geïnstalleerd als Commissaris voor niet-commerciële verenigingen en krijgt de bevoegdheid om statuten van verenigingen te veranderen, bestuursverkiezingen ongedaan te maken en uiteindelijk zelfs clubs op te heffen. Hij heeft de beschikking over een netwerk van districts-inspecteurs, die het doen en laten van de clubs nauwlettend volgen. Zo zit er in de Achterhoek kennelijk een heel fanatieke. Uit de nagelaten verslagen blijkt, dat deze al in de zomer van '41 adviseert om de r.k. voetbalvereniging 's Heerenberg te ontbinden. En dat gebeurt ook. Over het waarom, de nu oud-spelers van 's Heerenberg Hein en Martien van Uhm.
tekst 7
Dat de adviezen van de districtsinspecteur niet altijd worden opgevolgd, blijkt uit het feit dat hij in 1942 adviseert om ook Zeddam te liquideren. Want die vereniging "parasiteert op de voetballers uit 's Heerenberg". De inspecteur kan het kennelijk niet verkroppen dat de NSB—club Bergsche Boys niet meer in staat is om een elftal op de been te houden terwijl Zeddam — dankzij de import uit 's Heerenberg — promoveert. Maar Zedda mag blijven voetballen.
Tekst 8
Regelmatig komt het voor dat clubs NSB-leden weigeren te accepteren, of wegpesten. Al in juli 1941 waarschuwen secretaris-generaal Van Dam van het ministerie van Opvoeding, en Hermann Harster tegen discriminatie van NSB'ers. Diverse clubs blijven toch weigeren en worden geliquideerd, vooral na september 1942 als alle clubs bij de nieuwe geconcentreerde sportbonden moeten zijn aangesloten. Iedereen is dan verplicht de regels op te volgen.
Wim Peters krijgt bij PEC Zwolle in 1944 te maken met NSB'sters die zich als lid aanmelden.
Tekst 9
Hoe langer de bezetting duurt, hoe moeilijker het voor de Duitsers is om de sport gewoon door te laten gaan. De Duitse oorlogsindustrie heeft schreeuwend behoefte aan arbeidskrachten, en daarvoor zijn gezonde sporters natuurlijk bijzonder geschikt. Sportstadions worden steeds vaker een plaats voor razzia's. Schaatstrainer Siem Heiden merkt dat, als hij in 1942 naar Amsterdam gaat voor het Nederlands kampioenschap een wedstrijd, de Duitsers die op het oog hebben voor een razzia.
tekst 10
Niet alleen schaatsenrijders lopen kans om bij een razzia te worden opgepakt, dat gevaar is bij elke sportwedstrijd aanwezig. Ook het voetbal begint er steeds meer onder te lijden. Willem Koek heeft er ook ervaring mee. Hij is in het begin van de oorlog keeper en aanvoerder van ADO, de Haagse club die in 1942 en '43 kampioen van Nederland wordt. Volgens sommigen is ADO een 'NSB-club' en dat odium hebben de Hagenaars te danken aan een van hun bekendste spelers, Gerrit Vreken die zijn lidmaatschap van de partij van Mussert op provocerende wijze uitdraagt.
Tekst 11
Ter gelegenheid van het landskampioenschap van ADO in 1942, komt er een foto in de kranten waarop een aantal spelers staat met de gebalde vuist omhoog. Dat schiet in het verkeerde keelgat van de Haagse NSB-burgemeester. Hij wil ADO zelfs laten ontbinden. Zover kort het niet, maar de club moet als straf een wedstrijd spelen waarvan de opbrengst bestemd is voor de Winterhulp.
Tekst 12
Niet altijd ontkomen sporters eraan om naar Duitsland te gaan. Als het al lukt om naar de arbeidsinzet te ontlopen, bestaat nog altijd de mogelijkheid om uitgenodigd te worden voor sportwedstrijden in Duitsland. Internationale wedstrijden verhogen immers het aanzien van de Duitsers, ze hebben er veel voor over om Nederlandse toppers de grens over te krijgen. Volgende week gaat het in het afsluitende deel 3 van deze serie over de sporters die tijdens de oorlog al of niet vrijwillig naar Duitsland gingen.
Ook schaatstrainer Siem Heiden krijgt in 1942 te horen dat er schaatsers uitgenodigd zijn voor internationale wedstrijden in Garmisch Partenkirchen, waar ook 'foute' toprijders uit Noorwegen heengaan. Heiden besluit naar Den Haag te gaan naar Arie Stuling, de Nederlandse SS'er die na Harster de hoogste sportautoriteit is. Heiden kent Stuling, (die zich sinds zijn benoeming Van Groningen a Stuling noemt) nog als oud-sportvriend uit Groningen. Hij wringt zich in alle bochten om de uitzending van de rijders ongedaan te maken.