Het Spoor Terug

Sport en oorlog 3: De sportpers

Het Spoor Terug

Sport en oorlog 3: De sportpers

Laatste deel van de driedelige serie 'Sport en oorlog', over sportbeoefening ten tijde van de Duitse bezetting van Nederland. In deze aflevering: de sportpers.
De sport bloeide in de oorlog als nooit te voren en werd een gewillig instrument in de handen van de Duitse bezetter. Sport en politiek hadden niets met elkaar te maken. De Nederlandse sportpers deed er alles aan die illusie levend te houden. Enthousiaste verslagen over snoepreisjes naar Duitsland, maar geen woord over de vele razzia's bij sportwedstrijden in de laatste oorlogsjaren.
Interviews met:
- Ad van Emmenes, sportjournalist;
- Hermann Harster, de hoogste Duitse sportautoriteit in Nederland;
- schaatstrainer Siem Heiden;
- wielrenner Jan Derksen;
- Bram Appel, profvoetbal.

Inleidende teksten:
Inleiding
Sport is ongevaarlijk en apolitiek. De illusie, die de Duitsers tijdens de oorlog over de sport proberen hoog te houden, leidt tot een macabere sportverdwazing, die zich van de oorlogsellende niets schijnt aan te trekken. Als er in Berlijn geen steen meer op de andere staat, wordt er nog steeds gevoetbald.
En ook de Nederlandse sporters, die zich niet dapperder tonen dan de meeste van hun landgenoten, blazen rustig hun partijtje mee tijdens de Duitse bezetting. Zoals we in de afgelopen twee delen van deze serie over Sport en Oorlog hebben kunnen horen, is de sport voor de Duitsers een prima middel om overtollige agressie in ongevaarlijke banen te leiden. Maar veel sporters grijpen ook zelf de oorlog aan om zich zoveel mogelijk te onttrekken aan het verstoorde dagelijkse leven. Sport als lijfsbehoud, sport als middel om de oorlog zo ongeschonden mogelijk door te komen. De Duitse Sport- en Persreferent in Nederland, Dr. Hermann Harster, maakt daar handig gebruik van. Met behulp van Karel Lotsy, de voorzitter van de Nederlandse voetbalbond, en de NSB'er Arie Stuling, houdt hij niet alleen de bal aan het rollen, maar slaagt er ook in om de sport te gebruiken bij de propaganda voor het Derde Rijk. Als in november 1941 de Joodse sporters in Nederland zonder veel tegenstand uit de clubs zijn gezet, en de diverse sportbondjes naar Duits voorbeeld zijn gecentraliseerd, lukt het hem ook om wielrenners, boksers en ijshockeyers de grens over te lokken voor sportieve confrontaties met Duitse sportgenoten. Want een land waarmee je sportief omgaat kan toch nooit je vijand zijn? Maar Harster is niet alleen afhankelijk van de goede wil van de sporters. Als de Nederlandse journalisten niet meehelpen om de sportillusie aan het publiek te verkopen, kan hij alsnog falen in zijn opdracht. Ad van Emmenes is bij het uitbreken van de oorlog redacteur van de Sportkroniek, het officiële orgaan van de KNVB, en radioverslaggever bij de VARA. Als journalist krijgt hij al gauw te maken met Arie Stuling, een onbetekenende cartoonist uit Groningen, die dankzij zijn NSB-lidmaatschap opeens met Karel Lotsy tot hoogste sportautoriteit onder Harster is benoemd.
tekst 1
De meeste Nederlandse sportjournalisten mogen zich onder invloed van de nazi-autoriteiten nogal laf gedragen, er zijn er ook die nog voor er sprake is van enige druk, al uiterst bedenkelijke stukken schrijven. Amper veertien dagen na het bombardement op Rotterdam - op 27 mei 1940 - schrijft de Rotterdamse medewerker van 'Sport in Beeld / Revue der Sporten', de heer J.J. van Raalte al een hoofdartikel onder de kop 'Juist nu sport'. Een fragment:
tekst 2
Er is maar één sportjournalist die zich niet laat inpakken door de nieuwe heersers. Dat is Kick Geudeker, die meteen ontslag neemt bij Het Volk, als dat onder leiding van de NSB'er Rost van Tonningen komt te staan.
Het gros ziet dat mèt de komst van de Duitsers de positie van de sport belangrijker is geworden, ook in de krant. Men laat zich dan ook graag uitnodigen voor snoepreisjes naar Valkenburg en zelfs naar Berlijn. Daar mag een grote groep Hollandse journalisten op uitnodiging van Harster en Stuling gaan kijken hoe de sport onder de nazi's floreert. Hoofdredacteur C. Groothoff schrijft er na terugkomst laaiend enthousiaste verhalen over in zijn 'Sport in Beeld'. Hermann Harster, de hoogste Duitse sportautoriteit in Nederland, heeft geen kind aan de pers, zo herinnert hij zich 45 jaar later nog.
tekst 3
De Nederlandse sportjournalisten lopen keurig in het Duitse gareel. En dat blijft zo tot er na dolle dinsdag niets meer over sport te melden is omdat er — vanwege het samenscholingsverbod — geen sport meer bedreven kan worden. Maar in augustus 1944, als de geallieerden al bijna aan de grens staan, verslaat Peter Knegjens bijvoorbeeld nog vrolijk een zwemwedstrijd voor de gelijkgeschakelde Hilversumse omroep.
Tekst 4
De Nederlandse sportpers levert dus voor Stuling niet veel problemen op. De pers ziet juist door de bezetting nieuwe mogelijkheden voor de sport, en daar werken Joris v.d. Berg, Peter Knegjens, Barend Barendse en vele anderen graag aan mee. Wat meer problemen ondervindt Stuling als hij Nederlandse sporters warm probeert te krijgen voor snoepreisjes naar Duitsland. Schaatstrainer Siem Heiden krijgt in 1942 een uitnodiging voor een landenwedstrijd in Garmisch Partenkirchen tegen Duitsland en Noorwegen. Hij kent Arie Stuling nog als oud sportcollega, en stapt brutaalweg zijn kantoor binnen om de uitnodiging af te wijzen, en zijn eigen huid te redden.
Tekst 5
Voorzitter Blaisse wordt dus het slachtoffer van de weigering om rijders naar Duitsland te sturen. Ook de president van de internationale schaatsbond Van Laar wordt vanwege die weigering in 1943 voor een half jaar opgesloten.
De wielrenner Jan Derksen heeft heel wat minder problemen om naar Duitsland te gaan. Hij is regerend wereldkampioen bij de amateurs, en besluit zelfs om in de oorlog prof te worden.
Tekst 6
Maar Adrie Zwartepoorte heeft wel degelijk gelijk. Jan Derksen vergaarde tijdens de oorlog een behoorlijk fortuin, wat niet alleen door het prijzengeld kan zijn behaald. Ad van Emmenes levert het bewijs uit zeer betrouwbare bron.
tekst 7
Niet alleen Nederlandse wielrenners beoefenen tijdens de oorlog hun sport in Duitsland, elke zondag staan er ook tientallen Nederlandse voetballers met de rechterhand omhoog in de stadions. Zij zijn amateurs en verdienen dus niet zoveel. In de meeste gevallen zijn ze ook gedwongen in Duitsland tewerkgesteld en pas daarna - met toestemming van de NVB - lid geworden van een voetbalclub. Bram Appel - in de jaren vijftig een van de eerste Nederlandse profvoetballers - wordt in 1942 op transport naar Berlijn gezet. Hij moet er gaan werken in een fabriek voor vliegtuigonderdelen.
tekst 8
Vlakbij het tuinhuisje van Bram Appel is een schuilkelder gegraven. Zeker in de laatste oorlogsjaren geen overbodige luxe. Hij herinnert zich een merkwaardige ontmoeting tijdens een van de geallieerde bombardementen op Berlijn.
tekst 9
Als de Nederlandse voetballers, die in Duitsland hebben gespeeld na de oorlog terugkeren, krijgen ze van de KNVB een officiële berisping. Bram Appel wordt nog kwaad als hij daar aan herinnerd wordt.
tekst 10
Er zijn sportmensen, die de oorlog niet met oogkleppen op doorbrengen. Er zijn er, die actief zijn in het verzet en sommigen moeten dat met de dood bekopen. Anderen worden door de nazi's afgemaakt omdat ze toevallig tot een ras behoren, waar de Übermenschen niet van houden. Voor al die sportmensen, die in '40-'45 het leven laten, wordt op 22 juni 1947 in het Olympisch Stadion van Amsterdam een gedenkteken onthuld.